<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="print">1572-1701</issn>
<issn pub-type="electronic">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="print">978 94 6270 311 7</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg10793</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg10793</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Reitze Jonkman, Eene quaestie van vraag en aanbod. Veenbaas Alle Wytzes en zijn arbeiders in Appelscha (Gorredijk: Noordboek, 2020). 139 p. ISBN 9789056156824.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Knibbe</surname>
<given-names>Merijn</given-names>
</name>
<aff>Hogeschool Van Hall Larenstein en Nederlands Agronomisch Historisch Instituut Groningen</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="electronic">
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>18</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>142</fpage>
<lpage>144</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Merijn Knibbe</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Een markteconomie is een monetaire economie. Een voordeel daarvan voor de economisch historicus, is dat er veel documenten zijn geweest en regelmatig ook bewaard zijn gebleven waarin monetaire transacties &#x2013; betalingen, leningen, contracten, belastingen &#x2013; zijn genoteerd. Dit geldt zowel voor de kleitabletten van Mesopotami&#x00EB; als ook voor de veenderijen in Nederland. Reitze Jonkman heeft, vooral op basis van dit soort documenten, een boek geschreven over de economische geschiedenis van de veenderijen in Zuidoost Friesland. Het is echter niet enkel een opsomming van boekhoudkundige gegevens geworden. Ook de personen worden tot leven gebracht terwijl de boekhoudkundige gegevens over lonen, verkopen, prijzen en dergelijke in het kader van de historische discussie worden besproken. Het boek is, in bescheiden mate, ook een familiekroniek van het voorgeslacht van Reitze Jonkman &#x2013; met als bonus dat een deel van de documenten die gebruikt zijn nieuw zijn, in de zin dat ze niet in offici&#x00EB;le archieven bewaard worden maar als gewaardeerd doch zelden geraadpleegd familiebezit in vergeten hoekjes van zolders en kamers lagen te rusten.</p>
<p>Het boek begint met een algeheel overzicht van de veenderij, waarbij de arbeidsdeling duidelijk naar voren komt: veencompagnie&#x00EB;n die in de loop van de tijd eigenlijk meer transportcompagnie&#x00EB;n werden die de speciaal voor de veenderij gegraven kanalen uitbaatten, lokale grote en kleine ondernemers die de vervening ter hand namen en soms zelfs dynastie&#x00EB;n grondvestten. Er was een betrekkelijk vaste groep van arbeiders die het graaf- en stapelwerk deden, veel mannen maar ook, binnen een duidelijke arbeidsverdeling, vrouwen en kinderen. Deze arbeidersgezinnen trokken, op de langere termijn, ook met de verschuivende verveningen mee, waarbij de kanalen en de graverijen die hiermee gepaard gingen het karakter van plaatsen zoals Appelscha en zelfs het hele Zuidoosten van Friesland definitief zouden veranderen. Opmerkelijk is hoeveel tijd er kon zitten tussen de aanleg van de kanalen en de aankoop van venen en de daadwerkelijke vervening. In Opsterland duurde het zelfs anderhalve eeuw voordat de rond 1550 door Pieter van Dekema aangekochte venen &#x2013; enkel het veen, niet de ondergrond &#x2013; rendabel konden worden ge&#x00EB;xploiteerd. Belangrijk is de grootschalige en systematische aanpak waarbij de verveningen, in een tijd en regio waar een bedrijf met 5 werknemers reeds &#x2018;groot&#x2019; was qua personeelsbestand, megaondernemingen waren.</p>
<p>Na de algemene inleiding komen meer specifieke, boekhoudkundige gegevens aan de orde. Puur economisch van belang zijn de duidelijk loondaling na 1880, de daling van het ondernemingsrendement na 1885 en uiteraard aan het eind van de eeuw de gestadige afname van de productie. De venen in Zuidoost Friesland raakten uitgeput en zowel een deel van de ondernemers als een deel van de arbeiders migreerden naar, onder andere, Zuidoost Drenthe. In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw waren de lonen gestegen maar de prijsdaling van de turf na 1880 bracht dit ten einde. En na 1885 was de loondaling kennelijk niet voldoende om het rendement op peil te houden, waarbij dit toevallig samenviel met het begin van het eind van de exploitatie. Opmerkelijk is overigens dat deze ontwikkelingen juist in deze tijd niet tot technische innovatie leidden. De techniek van de verveningen bleef de gehele periode vrijwel onveranderd.</p>
<p>Bij de lonen en salarissen &#x2013; dit is in een breder economisch-historisch perspectief het belangrijkste deel van het boek &#x2013; staat Jonkman uitgebreid stil bij jaar- en gezinsinkomens, mannen- en vrouwenwerk en op basis van individuele gegevens de overlap tussen verschillende categorie&#x00EB;n arbeiders. Een arbeider kon in de loop van een jaar verschillende functies hebben, met verschillende inkomens. Daarbij worden ook gegevens over het totale aantal arbeiders verstrekt. Veel gepubliceerde historische loonreeksen zijn gebaseerd op daglonen en geven daarmee voornamelijk het kosten- en niet het inkomensaspect van loonarbeid aan. De gegevens van Jonkman maken het mogelijk ook dit inkomensaspect in detail weer te geven en horen, voor zover ik daar overzicht over heb, tot het beste wat hierover in Nederland gepubliceerd is. Ook de sociale aspecten komen aan de orde en het is prachtig om de individuele ondernemers en arbeiders uit de boekhouding terug te zien in de verslagen van de overheidsenqu&#x00EA;te van 1891.</p>
<p>Het geheel wordt besproken tegen de achtergrond van de bestaande historiografie. Wat betreft die discussies: met betrekking tot de welstand van de veenarbeiders (en de ondernemers) geeft Jonkman een duidelijke scheidslijn aan. Na 1880 ging het, in dit veenderijgebied, minder goed met inkomens en werkgelegenheid. Op de korte termijn daalden de turfprijzen, op de langere termijn raakten de venen uitgeput. De ondernemers wisten uiteindelijk grote vermogens te vergaren wat begrepen kan worden als uitbuiting. De sociale verhoudingen stonden echter niet helemaal op scherp. De stakingen werden uiteindelijk verloren door de arbeiders maar leverden toch iets op terwijl het werk voor velen, maar niet voor allen, relatief vast was en vrouwen en kinderen mee moesten werken om een enigszins redelijk jaarinkomen te verdienen. En de ondernemers lijken zich bewust te zijn geweest van hun afhankelijkheid van de arbeidersgezinnen, dit ook in relatie tot de groeiende arbeidersbeweging in Nederland. Wel nam, op de lange termijn, de ongelijkheid sterk toe en zoals gezegd verslechterde de algemene situatie na 1880. Afgezet tegen academische criteria is de voornaamste kritiek op het boek dat de binnenlandse discussie weliswaar adequate aandacht krijgt, maar dat de ontwikkelingen nauwelijks in een internationaal perspectief worden geplaatst.</p>
</body>
</article>