<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="print">1572-1701</issn>
<issn pub-type="electronic">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="print">978 94 6270 311 7</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.11097</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.11097</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Anne-Maria van Egmond, <italic>Materi&#x00EB;le representatie opgetekend aan het Haagse hof 1345-1425</italic> (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2020). 472 p. ISBN 9789087048556.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Verhoeven</surname>
<given-names>Gerrit</given-names>
</name>
<aff>Freelance historicus en archivaris</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="electronic">
<month>12</month>
<year>2021</year>
</pub-date>
<volume>18</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>180</fpage>
<lpage>182</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Gerrit Verhoeven</copyright-statement>
<copyright-year>2021</copyright-year>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De ongemeen rijke serie rekeningen van de middeleeuwse graven van Holland heeft al heel wat diepgravende studies opgeleverd. Het is geen toeval dat de meeste zich concentreren op de periode waarin het bewind over Holland, Zeeland en Henegouwen werd gevoerd door vorsten uit het Beierse huis, dat wil zeggen de hertogen van Beieren-Straubing. Zij gebruikten Den Haag &#x2013; naast Le Quesnoy in Henegouwen &#x2013; intensief als residentie en ontwikkelden hier een rijk hofleven en een goed functionerende administratie. Dit tijdvak ving aan met het uitsterven van het Henegouwse huis in 1345 en eindigde met de overdracht van de grafelijke rechten door Jacoba van Beieren aan Philips van Bourgondi&#x00EB; in 1433. Daarna raakte Den Haag als residentie in onbruik en op onderdelen zelfs ronduit in verval.</p>
<p>Kunsthistorica Anna-Maria van Egmond onderzoekt de rekeningen in haar dissertatie om na te gaan hoe de graven luxe voorwerpen en afbeeldingen gebruikten om hun positie en ambitie mee te verbeelden, legitimeren en consolideren. In het eerste deel staan objecten centraal waarvan we meer weten dan een vermelding in een rekening of inventaris. We moeten dan niet denken aan prestigieuze bouwwerken, want grote bouwcampagnes vonden in het Beierse tijdperk niet plaats. Het Binnenhof was er al, met als blikvanger de onder Floris V tot stand gekomen grote zaal. In de aan Maria gewijde hofkapel stichtten Albrecht van Beieren en zijn echtgenote Margaretha van Liegnitz-Brieg in 1367 een kapittel om de liturgie luister bij te zetten. Vermoedelijk aan de buitenzijde van het doxaal, dus goed zichtbaar voor de aanwezigen, stond een reeks beelden van alle graven van Holland. Zo demonstreerde Albrecht de dynastieke lijn en dus de legitimatie voor zijn heerschappij. Hetzelfde doel dienden de wapens op de beschilderde graftombe voor Margaretha, overleden in 1386, en Albrecht zelf, die hier in 1405 werd bijgezet. Een veel groter publiek bereikten zegels en vooral munten waarop de vorst of diens wapen prijkte. Daarentegen kwamen de enkele bewaard gebleven miniaturen vermoedelijk alleen de afgebeelde personen zelf onder ogen.</p>
<p>Het tweede deel van het proefschrift, gewijd aan de bronnen, begint met een vergelijking van de Hollandse rekeningen met die uit Henegouwen en Beieren-Straubing. Van Egmond onderzoekt ze op hun bruikbaarheid voor kunsthistorische studie en betrekt daarbij de bewaard gebleven inventarissen van grafelijke kleinoden. De overlap blijkt minimaal, want het is onmogelijk rekeningposten met zekerheid te koppelen aan in een inventaris omschreven objecten. Veel kostbaarheden kochten de graven en gravinnen bovendien niet zelf, maar ontvingen zij ten geschenke. Een aankoopbedrag is dan niet bekend, maar soms kan uit de vermelding van een fooi voor de bode die een geschenk bracht, worden afgeleid wie de gever was. Over weggeschonken goederen is vaak meer genoteerd, zoals uitgaven voor de vervaardiging of de aankoop plus de aflevering, maar al met al blijkt het te weinig om het netwerk van de vorsten te reconstrueren.</p>
<p>In de inventarissen van kostbaarheden ontbreken schilderijen. In de rekeningen komen zij wel voor, zij het niet in de rubriek &#x2018;Juwelen ende guldenlaken&#x2019;, maar onder allerhande uitgaven. Van Egmond constateert dat schilderkunst minder werd gewaardeerd dan edelsmeedkunst, tapijtweverij en borduurwerk. De &#x2018;tafelkijns&#x2019; ofwel paneeltjes die zij in de rekeningen aantrof, functioneerden hoofdzakelijk in een devotionele context. De beschilderde doeken, met afbeeldingen als &#x2018;de negen besten&#x2019; (inspirerende vorsten) of het Laatste Oordeel, hadden volgens de auteur slechts een decoratieve functie (p. 223). Dat lijkt te weinig eer voor een rood doek met daarop de in 1345 gesneuvelde graaf Willem IV (p. 175). Het hing blijkens een inventaris uit 1443 in de hofkapel, wat wijst op een functie in het dynastieke bewustzijn van de graven of op zijn minst in de memoriecultuur. Het zal overigens postuum zijn vervaardigd, want geschilderde of getekende portretten van graven en gravinnen werden volgens Van Egmond pas gemaakt na 1400.</p>
<p>Het derde en laatste deel van het boek is gewijd aan de personen die betrokken waren bij het functioneren van het hof als consument van luxe goederen. Een mooi voorbeeld van representatie was de verstrekking van &#x2018;livrei&#x2019; aan de hovelingen. De vorst liet daarmee zien hoeveel personen hij van gepaste kleding kon voorzien; omgekeerd was aan de livrei af te lezen welke status de ontvangers aan het hof genoten. Onder hen waren geen vaste verantwoordelijken voor de vervaardiging of verwerving van kostbaarheden. Het relatief kleine Hollandse hof had anders dan dat van Frankrijk, Engeland of Bourgondi&#x00EB; nauwelijks kunstenaars in dienst; een uitzondering was de schilder Jan van Eyck, in de periode 1422-1425 hofschilder van Jan van Beieren. In Den Haag en naburige steden als Delft en Leiden waren echter voldoende ambachtslieden en kooplui gevestigd om in het merendeel van de vraag te voorzien. Wat hier niet voorhanden was, werd aangeschaft in de grote Brabantse en Vlaamse steden, bijvoorbeeld wanneer het hof op doorreis was van Holland naar Henegouwen of omgekeerd.</p>
<p>In het slothoofdstuk keert Van Egmond terug naar degenen met wie het allemaal begon: de klerken en hun rekeningen, vaak verlucht met prachtige intialen en pentekeningen. Vanaf omstreeks 1400 werd het vervaardigen en versieren van netexemplaren zelfs uitbesteed aan professionele schrijvers, om ze zo mooi mogelijk aan de vorst en zijn raadslieden te kunnen presenteren. Zo droegen de rekeningen bij aan het aanzien van de bijeenkomsten waar zij werden afgehoord. Het zijn in feite de enige &#x2018;kostbaarheden&#x2019; die bewaard zijn &#x00E9;n waarvan we de prijs kennen.</p>
<p>Van Egmond concludeert dat materi&#x00EB;le representatie aan het Haagse hof daadwerkelijk bestond, maar niet was gebaseerd op mecenaat of patronaat. Zij spreekt daarom liever van grafelijke consumptie van luxe goederen die op de vrije markt verkrijgbaar waren. Welke objecten dat waren, hoe ze werden verworven en op welke wijze ze werden ingezet, is dankzij dit proefschrift tot in detail te volgen. Het wachten is op een studie naar de andere helft van het verhaal: wat was het effect van dit alles ten aanzien van het beeld van de vorst bij het beoogde publiek.</p>
</body>
</article>