<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 399 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.11166</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.11166</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Den armen gedeylt</article-title>
<subtitle>Differentiaties tussen stad en dorp in de zestiende-eeuwse publieke armenzorg in de Antwerpse Kempen</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Peeters</surname>
<given-names>Jan</given-names>
</name>
<email>jan.peeters1@kuleuven.be</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>11</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>5</fpage>
<lpage>36</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Jan Peeters</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Jan Peeters</copyright-holder>
</permissions>
<abstract xml:lang="en">
<title>Abstract</title>
<p>This article bridges the gap between studies of urban and of rural poverty by including both contexts it a comparative analysis. Using the accounts of the Holy Ghosttables it compares the 16th century poor relief between rural and urban communities in the Campine region and focusses on differences in the financing and the structure of the social expenditure, the social position of the Holy Ghostmasters and the generosity of the relief. Although surprisingly many similarities in outdoor relief existed between town and village, the extent of the relief was significantly higher in the Campine cities of Herentals and Hoogstraten than in the neighbouring villages. Not the different power structures or degrees of social cohesion and inequality but the scale of the local urban economies and the surplus capacity of the urban middles classes explain these differences.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Inleiding: Vroegmoderne armenzorg en de verschillen tussen stad en dorp. Een nieuwe benaderingswijze</title>
<p>De overgang van de middeleeuwse individuele, vrijwillige en decentrale caritas naar een ge&#x00EF;nstitutionaliseerde openbare, centrale en collectieve onderstand wordt algemeen gesitueerd in de zestiende eeuw. De historiografie over die vroegmoderne transformatie naar publieke armenzorg heeft twee kenmerken. In de eerste plaats richten auteurs zich overwegend op de uitbouw van armenzorg in steden; de ontwikkeling van publieke armenzorg op het platteland komt, uitgezonderd voor Engeland, een rurale context, maar nooit naar een vergelijking tussen armenzorg in de stad en het dorp. In de tweede plaats focust de historiografie zich op de identificatie van maatschappelijke transformatieprocessen die tot de institutionalisering van armenzorg hebben geleid. Wat bracht vroegmoderne maatschappelijke elites ertoe in te stemmen met, en leiding te geven aan, de uitbouw van een stelsel van publieke armenzorg?</p>
<p>Dit artikel wil de bestaande historiografie op twee manieren verrijken. Vooreerst doorbreekt het de klassieke keuze tussen een studie van urbane of van rurale vroegmoderne armenzorg door beide contexten samen te analyseren in een vergelijking van de armenzorg tussen Kempische landbouwdorpen en Kempische steden. De relevantie van zo&#x2019;n stad-plattelandsvergelijking wordt duidelijk doordat vervolgens op deze manier de validiteit van enkele bestaande verklaringsmodellen voor de uitbouw van de zestiende-eeuwse armenzorg kan afgetoetst worden. Een zestiende-eeuwse Kempische stad verschilde immers wezenlijk van een nabijgelegen landbouwdorp: de graad van proletarisering en loonarbeid was er groter en de sociale cohesie kleiner. De implementatie van eenzelfde stelsel van publieke bijstand in zulke verschillende sociale contexten zal naar theoretische verwachting tot een andere uitkomst leiden. Volgens de klassieke marxistische arbeidsreservetheorie zou de publieke bijstand in een stad meer gericht zijn op een specifiek doelpubliek: met name de inzetbare arbeiders. De recentere sociaal-agronomische visie op sociale bijstand verwacht dat in een meer cohesief en egalitair dorp de publieke bijstand genereuzer is. De comparatieve analyse in dit artikel zal toelaten om deze gangbare theorie&#x00EB;n empirisch te toetsen. Daarbij zal vastgesteld worden dat de meer genereuze armenzorg in Kempische steden ten opzichte van de omliggende dorpen niet zozeer verband hield met de andere aard van sociale cohesie, polarisatie of arbeidsverhoudingen in de stad, maar eerder met de economische surpluscapaciteit van stedelijke middengroepen.</p>
<p>Als motieven voor de institutionalisering van de armenzorg door de vroegmoderne maatschappelijke elites wijst de traditionele historiografie op de invloed van het humanisme en de protestantse Reformaties waarin armenzorg voortaan als een publieke opdracht van de overheid werd gezien. Ook recentere onderzoekers als Grell onderschrijven die invalshoek.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref> In de jaren zeventig domineerde de klassiek-marxistische these van Lis en Soly. In hun &#x2018;arbeidsreservetheorie&#x2019; werd institutionalisering van formele armenzorg een instrument in handen van de elite om de arbeidsmarkt te reguleren in functie van hun economische belangen in het opkomende handels-en agrarisch kapitalisme. Patriquin onderschrijft die these in zijn studie over vroegmoderne Engelse landarbeiders tijdens de groei van het agrarisch kapitalisme.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> In zowel de humanistisch-religieuze als de economische interpretatie van de institutionalisering van armenzorg ligt de nadruk op wijzigingen in het maatschappelijk handelen van sociale elites. Recenter onderzoek door Lynch en Greif nuanceert die <italic>top-down</italic> benadering van armenzorg en verschuift de focus naar solidariteit en sociale cohesie bij de lagere sociale strata zelf als motief achter de ontwikkeling van collectieve instituties zoals armenzorg. Zij wijzen op het verdwijnen van informele, op verwantschap gebaseerde steunnetwerken in de meer anonieme laatmiddeleeuwse en vroegmoderne steden. Formele collectieve organisaties zoals publieke armenzorg, maar ook gilden, broederschappen of begijnhoven werden een noodzakelijk alternatief voor vroegere rurale informele solidariteitsnetwerken. De Moor verklaart de groei van zulke instellingen voor collectieve actie tijdens de late middeleeuwen eveneens vanuit de verzwakking van familiale netwerken. Ook Laslett bekijkt armenzorg vanuit overlevingsstrategie&#x00EB;n van de armen zelf.<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref></p>
<p>Elk van die benaderingen verklaart de institutionalisering van publieke armenzorg vanuit uniforme staatkundige, socio-economische, cultuurhistorische of religieuze transformatieprocessen. Dergelijke aanpak onderschat echter de grote regionale en lokale verschillen in de uitbouw van armenzorg. Recenter besteden auteurs als Van Bavel en Rijpma wel aandacht aan de complexiteit van lokale en regionale verschillen.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref></p>
<fig id="fg001">
<label>Illustratie 1</label>
<caption><p>David Vinckboons. Brooduitdeling aan de armen, c. 1606-1610</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig1.jpg"/>
<attrib>(Bron: KBC Bank NV, Antwerpen, Collectie Snijders en Rockoxhuis, olieverf op paneel.)</attrib>
</fig>
<p>De grote beschikbaarheid van bronnen uit stedelijke armenvoorzieningen richt het onderzoek over middeleeuwse en vroegmoderne armoede vooral op die urbane context, met name in continentaal Noordwest-Europa en Itali&#x00EB;. Voor de Lage Landen beperken oudere studies van Blockmans en Prevenier zich tot een beschrijving van armenzorg in Mechelen, Gent en &#x2019;s-Hertogenbosch. Later toetst Lis de arbeidsreservetheorie aan gegevens over de Antwerpse armenzorg. Ook Van Leeuwen zoekt naar de maatschappelijke functionaliteit of logica van armenzorg en detecteert het eigenbelang van diverse stedelijke groepen in de ontwikkeling van de Amsterdamse armenzorg. Bij Prak en bij Van Nederveen Meerkerk en Teeuwen staat de vaststelling van stabiliteit van armenzorg in de Hollandse steden centraal. Galvin onderzoekt dan weer de economische rol van armentafels in de middeleeuwse Brugse stedelijke economie. Voor het vroegmoderne Brussel kijkt Masure vanuit een subaltern perspectief naar de relatie tussen armenzorg en gemeenschapsvorming.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref></p>
<p>De Engelse elizabethaanse <italic>Poor Laws</italic> hebben armenzorg ge&#x00EF;nstitutionaliseerd en gedocumenteerd in elke parochie, ook in de meest rurale, waardoor sociale historiografen als Dyer, McIntosh of Hindle ideale instrumenten hebben om ook de rurale armenzorg uitgebreid te onderzoeken.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref> Voor de Lage Landen is een van de zeldzame analyses van rurale armenzorg te vinden in Van Onackers onderzoek naar differentiaties in vroegmoderne armenzorg. De auteur hanteert daarbij een originele invalshoek. Zij stelt grote regionale verschillen vast in rurale armenzorg en wijst die in een sociaal-agrosystemische benadering toe aan regionaal gedifferentieerde sociale structuren, machtsverdelingen en de mate van sociale homogeniteit en cohesie in de lokale gemeenschap. In de Kempische dorpen, die sociaal homogeen waren en minder ongelijkheid kenden, bleek de formele armenzorg genereuzer te zijn en meer gedragen te worden door de lokale elite dan in de dorpen van Kust-Vlaanderen of Binnen-Vlaanderen.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref></p>
<p>Dit artikel vergelijkt de armenzorg in die Kempische landbouwdorpen met de bijstand die verleend werd in de naburige kleine Kempische steden Hoogstraten en Herentals. Chronologisch zoemt de studie in op de jaren 1540-1574, wat een vergelijking mogelijk maakt met gegevens van de dorpen die voor diezelfde periode onderzocht zijn door Van Onacker. De studie wordt ook thematisch beperkt tot de formele, door publieke overheden georganiseerde armenzorg binnen de Tafels van de Heilige Geest in het kader van hun <italic>outdoor relief</italic>. Sinds 1531 diende elke parochie bij keizerlijk edict zo&#x2019;n publieke armenkas te organiseren om materi&#x00EB;le hulp aan behoeftigen te verstrekken. De parochie en het kerkgebouw vormden weliswaar de organisatorische biotoop voor de werking van deze Tafels, maar het waren geen kerkelijke instellingen en werkten onder controle en toezicht van de lokale overheid. Residenti&#x00EB;le armenzorg die vooral in vroegmoderne steden aanwezig was, valt buiten het onderzoeksopzet, evenals informele steun- en solidariteitsnetwerken. De geografische keuze voor Herentals en Hoogstraten is ingegeven door de representativiteit van deze stadjes voor de verschillende typologie&#x00EB;n stedelijke centra in de Antwerps- Kempische regio. Hoogstraten was daarin de kleine semi-rurale stad waarvan de reikwijdte van de handels- en ambachtsfunctie beperkt was. Vele inwoners combineerden hun activiteit als ambachtsman of handelaar met landbouwactiviteiten. Op het einde van de zestiende eeuw had Hoogstraten een groter landbouwareaal en veestapel dan de naburige landbouwdorpen Wortel, Minderhout en Rijkevorsel.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref> De belangrijkste industri&#x00EB;le activiteit, de lakenproductie, was in de zestiende eeuw in verval geraakt. De talrijke ambachtslieden gaven Hoogstraten weliswaar nog een stedelijke allure, maar ze werkten enkel voor de lokale markt; de wekelijkse markt en de twee jaarmarkten richtten zich louter op de verkoop van lokale landbouwproducten uit het Land van Hoogstraten. De handelsfunctie van Hoogstraten kreeg vooral vorm door de locatie van de stad als pleisterplaats op de belangrijke weg tussen Antwerpen en &#x2019;s-Hertogenbosch. Ook het lage inwoneraantal van Hoogstraten sloot eerder aan bij grotere landbouwdorpen dan bij een stad als Herentals. In dat grotere Herentals was de laatmiddeleeuwse lakennijverheid expansief en exportgericht, met eigen commerci&#x00EB;le kanalen op de internationale stapelmarkten van Antwerpen en Bergen-op-Zoom maar ook op de Frankfurter Messe. In de zestiende eeuw lag Herentals samen met &#x2019;s-Hertogenbosch aan de basis van de Brabantse linnennijverheid. Herentals was niet zozeer het productiecentrum van linnen, maar werd een vermaard centrum voor de bleeknijverheid en had vooral Spaanse kooplieden als afnemers.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref></p>
<p>Voor de plattelandsdorpen worden de resultaten uit de studie van Van Onacker gebruikt. Uit de stadsarchieven van Hoogstraten en Herentals werd als bronnencorpus een steekproef geselecteerd uit beschikbare manuscripten van Heilige Geestrekeningen die de volledige onderzoeksperiode 1540-1574 overspant: van Hoogstraten voor de jaren 1549/1550, 1556/1557, 1569/1570 en 1573/1574 en van Herentals voor 1539/1540 en 1563/1564.<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> Om de ongelijkheid en sociaaleconomische cohesie van de gemeenschappen te onderzoeken zijn ook fiscale bronnen nodig. Enkel voor Hoogstraten is in het stadsarchief een bruikbaar belastingkohier aanwezig voor de periode 1540 tot 1574, namelijk een penningkohier van de Tiende en de Twintigste Penning voor 1554.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref></p>
<fig id="fg002">
<label>Illustratie 2</label>
<caption><p>Een fragment van het manuscript van de Hoogstratense Heilige Geestrekening van 1569/1570</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig2.jpg"/>
<attrib>(bron: HOOG, ms. nr. 139.11: HG.)</attrib>
</fig>
<p>Dit artikel vergelijkt Kempische dorpen en steden in eerste instantie voor de aard en herkomst van de ontvangsten van de armenzorg. Vervolgens worden differentiaties in de structuur van de sociale uitgaven en in de omvang en generositeit van de armenzorg bestudeerd. Aan de hand van fiscale bronnen wordt de graad van ongelijkheid en van het inclusief karakter van armenzorg in stad en dorp vergeleken.</p>
<p>Op basis van deze analyses wordt ten slotte de validiteit van het sociaal-agrosystemische model en van de arbeidsreservetheorie voor het verklaren van de verschillen tussen stad en dorp afgetoetst.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Aard en herkomst van de ontvangsten van publieke armenzorg in stad en dorp</title>
<p>De herkomst van de financi&#x00EB;le middelen van armentafels verschilde in de Kempische steden Herentals en Hoogstraten niet wezenlijk van die in de dorpen. Overal was publieke armenzorg afhankelijk van vrijwillige renten en annu&#x00EF;teiten en, in beperktere mate, van de opbrengsten van het onroerend domein van de Tafels (grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg003">1</xref>).</p>
<p>In Hoogstraten bestonden de inkomsten voor 74 tot 82 procent uit renten. Ook in Herentals lag het aandeel renten op 74 procent. Opbrengsten uit het eigen patrimonium van de Tafel (het domein) dekten in Hoogstraten 7 tot 10 procent van de inkomsten, in Herentals amper 2 procent.</p>
<p>De diverse ontvangsten waren in de steden in bepaalde jaren substantieel: tot 18 procent in Hoogstraten in 1556-1557 en zelfs 23 procent in Herentals in 1539-1540. De gedetailleerde analyse toont een aantal bijzondere inkomstenbronnen van deze stedelijke armentafels. Een armentafel kon haar recht op een annu&#x00EF;teit verkopen voor een eenmalige cashopbrengst. Daarmee kon de Tafel een structureel of tijdelijk probleem van cashflow opvangen. De Hoogstratense tafel verkocht bijvoorbeeld in 1569-1570 een erfrente die haar jaarlijks drie Carolusgulden opleverde voor de eenmalige som van 50 gulden, zijnde bijna 8 procent van de totale ontvangsten van dat boekjaar.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> In Herentals gebruikte men nog een andere financi&#x00EB;le constructie om cashflow te genereren voor de Tafel: de verkoop van een &#x2018;provene&#x2019;. Sommigen kochten zich het recht om levenslang onderhouden te worden door de armentafel in ruil voor een eenmalige cashbetaling. Zulke &#x2018;comfortproveniers&#x2019; waren niet noodzakelijk behoeftige armen. In Herentals werden zulke contracten meestal afgesloten voor het langdurig onderhouden van kinderen. Wellicht waren die kinderen door ouders of voogden geplaatst onder de hoede van de armentafel met een startkapitaal als voorafbetaling. In de rekening van 1539/1540 zijn vijf dergelijke verkooptransacties geattesteerd, met een totale eenmalige opbrengst voor de Tafel van 2920 stuivers, zijnde 14.9 procent van de totale inkomsten.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref></p>
<fig id="fg003">
<label>Grafiek 1</label>
<caption><p>Herkomst van de ontvangsten van de armenzorg in Herentals en Hoogstraten 1540-1574: globaal overzicht</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig3.jpg"/>
<attrib>(Bron: HOOG, ms. nrs. 138.24, 139.2, 139.11 en 139.13: HG; HER, ms. nrs. 202 en 203: HG.)</attrib>
</fig>
<p>De meerderheid van de inkomsten van de armentafel in de Kempische dorpen werd ontvangen in natura, met name in rogge (grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg004">2</xref>). In Herenthout werd in 1552-1554 42 procent van alle ontvangsten gedoneerd in rogge en 26 procent in speci&#x00EB;n. Daarenboven werd 32 procent van de ontvangsten ook in graan ontvangen, maar onmiddellijk op de markt verkocht en omgezet in speci&#x00EB;n.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Die opbrengst werd gebruikt om andere goederen voor de armen te kopen. Het overwicht van transacties in graan was karakteristiek voor de Kempische rurale context, gekenmerkt door vele kleine boeren die grondeigenaar waren en die minder marktgeori&#x00EB;nteerd werkten. De lage graad van monetarisering in dat agrosysteem vertaalde zich in de aard van de transacties met de armentafel.</p>
<fig id="fg004">
<label>Grafiek 2</label>
<caption><p>Ontvangstenstructuur van de Kempische armenzorg: gekregen in natura of in speci&#x00EB;n 1552-1564</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig4.jpg"/>
<attrib>(Bron: HOOG, ms. nrs. 138.24, 139.2, 139.11 en 139.13: HG; HER, ms. nrs. 202 en 203: HG; voor de dorpen Vorselaar en Herenthout: Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 79-80.)</attrib>
</fig>
<p>Vroegmoderne stedelijke handels- en ambachtseconomie&#x00EB;n waren meer marktgeori&#x00EB;nteerd en gemonetariseerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de ontvangsten van de armentafels in Hoogstraten en Herentals hoofdzakelijk uit speci&#x00EB;n bestonden, respectievelijk uit 77 en 63 procent. De beperktere ontvangsten in natura lieten niet toe om graanontvangsten op de markt om te zetten in speci&#x00EB;n; alle ontvangen rogge werd verbakken tot brood voor bedelingen aan de armen. De omgekeerde situatie kwam eerder voor: in Hoogstraten moesten de Heilige Geestmeesters extra graan inkopen om de broodbedelingen te handhaven. Ze kochten in 1573/1574, een periode van zeer hoge graanprijzen, 2787 liter rogge aan voor een bedrag van 90 gulden, wat 10 procent van de totale uitgaven voor dat jaar uitmaakte.<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref></p>
<p>De Kempische steden gebruikten in vergelijking met naburige dorpen dus complexere financieringsinstrumenten die gerelateerd waren aan de hogere graad van monetarisering en commercialisering van de stedelijke economie&#x00EB;n. In vergelijking met grote steden in de Lage Landen bleef die complexiteit nochtans bescheiden. In Brugge speelde de armentafel in de vijftiende eeuw een belangrijke rol in de stedelijke geldeconomie door het verstrekken van rentedragende leningen tegen onderpand aan lokale ambachtslieden.<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> De armeninstituties van Hollandse steden investeerden in de achttiende eeuw in staatsobligaties en financierden mee de publieke schuld van de Republiek.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref> Dergelijke financieringstechnieken zijn niet geattesteerd voor de Kempische stedelijke armentafels. De monetarisering van de publieke armenzorg, vaak geassocieerd met de evolutie naar een &#x2018;modernere&#x2019; markteconomie, heeft ook nadelen. Gegarandeerde ontvangsten in rogge beschermen de armentafel tegen muntontwaarding en stijgende graanprijzen. Een Heilige Geesttafel die veel rogge kreeg, kon behoeftigen ook bij dure graanprijzen substanti&#x00EB;le en regelmatige broodbedelingen garanderen zonder speci&#x00EB;n te moeten besteden aan dure graanaankopen of zonder armen in ontwaard geld te moeten ondersteunen.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref></p>
<p>Wie waren de weldoeners van de Heilige Geesttafels? De schaarse historische bronnen over de maatschappelijke positie van donateurs van Heilige Geesttafels wijzen op het belang van maatschappelijke middengroepen voor de armenzorg.<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref> De bevindingen uit Hoogstraten bevestigen deze stelling.</p>
<p>Het Hoogstratense penningkohier uit 1554 laat toe om de verbinding te leggen tussen donateurs van de Heilige Geesttafel en hun positie op de inkomensverdeling. Bij gebruik van zo&#x2019;n penningkohier voor het opstellen van de inkomensverdeling past een kritische kanttekening. Een penningkohier registreert enkel onroerende inkomsten, zijnde het jaarlijkse inkomen uit het gebruik of eigendom van gronden en gebouwen. Voor huurders en pachters werd dat gelijkgesteld met het jaarlijkse huurgeld of pachtgeld; voor eigenaars werd een schatting gemaakt van de fictieve jaarlijkse huurwaarde. Deze penningkohieren waren daarmee wat Ryckbosch een vorm van &#x201C;protokadastrale leggers&#x201D; noemt en zijn een aangewezen bron voor de studie van vroegmoderne economische ongelijkheid.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref> Dat is tenminste zo voor een rurale omgeving, want inkomsten uit handel, nijverheid of loonarbeid, van groter belang in de steden, werden niet opgenomen. Elke inkomensverdeling die louter gebaseerd is op penningkohieren onderschat dan ook de re&#x00EB;le welvaartspositie van het niet-agrarisch deel van de bevolking en is vooral in de steden vertekend. De ambachtelijke middenklasse is er in realiteit wellicht welvarender en hoger gesitueerd op de maatschappelijke ladder dan enkel uit de inkomensverdeling uit onroerend goed zou blijken.</p>
<p>In Hoogstraten werden 304 inwoners opgenomen in het penningkohier van 1554. Gelet op het aantal van 312 door Cuvelier berekende haardsteden in Hoogstraten in 1526, betekent dit dat nagenoeg de volledige bevolking van de stad opgenomen is.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> Vrijstellingen waren er voor de hoge aristocratie en voor de clerus en kerkelijke instituties. Van die 304 ingekohierde stedelingen worden er 66 zestien jaar later vermeld in de Heilige Geestrekening van 1569/1570 als schenkers van renten en annu&#x00EF;teiten aan de Tafel, hetzij zelf in eigen persoon in het geval van een nog lopende lijfrente, hetzij via hun weduwe of erfgenamen-kinderen in het geval van een overgedragen erfelijke rente. Voor deze 66 donateurs uit 1569/1570 is dus vast te stellen welke financieel-economische positie ze in de stad bekleedden in 1554. Zo&#x2019;n 20 procent van de schenkers kwam uit het rijkste 10<sup>de</sup> deciel. Een overheersende 47 procent kwam uit de betere middengroepen uit decielen 7 tot 9; de lagere middengroepen uit decielen 4 tot 6 waren nog goed voor 24 procent van de donateurs. Maar ook de 30 procent armste huishoudens uit decielen 1 tot 3 brachten nog 11 procent van de schenkers aan de Tafel voort (grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg005">3</xref>).</p>
<p>Een andere benaderingswijze ontleedt de participatiegraad aan publieke caritas binnen elk deciel: hoeveel procent van de leden van een bepaald deciel werd als donateur vermeld? Van de 10 procent rijksten gaf 42 procent een rente aan de Tafel; in de decielen 9 en 8 lag die participatiegraad nog zeer hoog, op respectievelijk 35 en 39 procent. Deze economische toplaag van de samenleving had het meeste surplus te spenderen en kon dus doneren aan publieke armenzorg. Het tentoonspreiden van vrijwillige caritas ondersteunde ook hun status en sociaal prestige. Maar ook in de lagere middengroepen in decielen 4 tot 7 gaf 17 tot 26 procent van de mensen aan de Tafel. En zelfs in de armste lagen van de bevolking, gesitueerd in decielen 1 tot 3, gaf 7 tot 10 procent iets aan de armenzorg, ook al waren dat meestal zeer bescheiden giften. Zo gaf Anthonis Snyers, die behoorde tot de 10 procent laagste inkomens uit het penningkohier, een jaarlijkse rente van twee lopen rogge aan de Tafel. In lopende roggeprijzen van 1570 betekende dit een jaarrente van 15.5 stuivers, het equivalent van 3.1 daglonen van een arbeider in de bouwnijverheid in het nabije Lier.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref> De bescheidenheid van giften door donateurs uit de laagste decielen maakt het onwaarschijnlijk dat dit in feite rijkere ambachtslui of handelaars zouden geweest zijn met een hoog roerend inkomen waarvan de inkomenspositie onderschat werd in deze op de penningkohieren gebaseerde decielenverdeling. Zelfs als rekening gehouden wordt met de onderschatting van de inkomenspositie van ambachtslieden en handelaars in deze geconstrueerde inkomensverdeling, is het duidelijk dat vrijwillig bijdragen aan publieke armenzorg niet alleen een zaak van de rijksten was, maar ook van brede middengroepen in de stedelijke samenleving en zelfs in verrassende mate van armere strata van de bevolking. Christelijke caritas was in de late middeleeuwen immers een plicht voor alle gelovigen, niet alleen voor de rijken.</p>
<fig id="fg005">
<label>Grafiek 3</label>
<caption><p>Economische positie van de donateurs aan de armenzorg te Hoogstraten in 1570</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig5.jpg"/>
<attrib>(Bron: HOOG, HG 1569/1570; HOOG, ms. nr. 82.2: PENN.)</attrib>
</fig>
<p>De publieke armenzorg in Hoogstraten werd breed gedragen; het was een door de gemeenschap ondersteunde institutie waarin ook middengroepen sterk investeerden. De inclusieve aard van de Kempische samenleving kwam dus ook in de steden tot uiting in de ruime gedragenheid van publieke armenzorg.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Structuur en aard van de sociale uitgaven in stad en dorp</title>
<p>De structuur en aard van de sociale uitgaven verschilden in de Kempische steden niet wezenlijk van de armenzorg in de dorpen. Het hulppakket was overal zeer divers. Waar bijstand in het kustdorp Koolkerke zich uitsluitend beperkte tot de bedeling van brood en anonieme geldelijke aalmoezen, werd in Kempische dorpen een breed pallet aan voedsel bedeeld: graan en brood, maar ook vlees, vis, groenten, boter en bier.<xref ref-type="fn" rid="fn23" specific-use="fn"><sup>23</sup></xref> In de steden Hoogstraten en Herentals was die diversiteit nog meer uitgesproken. De Heilige Geesttafels zorgden er niet alleen voor een grote variatie aan voedingsmiddelen, maar ook voor kledij en schoeisel, ziekenzorg en kraamzorg, de plaatsing van arme (wees)kinderen, armenbegrafenissen, turf en hout en zelfs voor een vroegmoderne vorm van sociale huisvesting.<xref ref-type="fn" rid="fn24" specific-use="fn"><sup>24</sup></xref></p>
<p>Overheaduitgaven van de Tafel die niet rechtstreeks uitgedeeld werden aan de armen zelf, konden aanzienlijk oplopen. In rurale Kempische dorpen bedroegen die nooit meer dan 10 procent van de totale uitgaven.<xref ref-type="fn" rid="fn25" specific-use="fn"><sup>25</sup></xref> Sociaal historiografen kwamen voor stedelijke armentafels vaak tot een veel hoger aandeel. Voor heel West-Europa geven Van Bavel en Rijpma voor de vroegmoderne periode een overheadcijfer van 30 procent op; Lindert komt tot gelijkaardige cijfers voor Engeland en Frankrijk.<xref ref-type="fn" rid="fn26" specific-use="fn"><sup>26</sup></xref> In Hoogstraten en Herentals lag de overhead significant hoger dan in de buurdorpen, tussen de 7 en 20 procent in Hoogstraten, en ongeveer 40 procent in Herentals (grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg006">4</xref>).</p>
<p>Die hogere overheadkosten kwamen niet voort uit riantere uitgaven voor teerkosten of administratieve en juridische uitgaven: nergens in de Kempen maakten die meer dan 5 procent van de uitgaven van de armentafels uit. Ook de stedelijke Tafels hadden een sobere bedrijfscultuur. Die Heilige Geesttafels investeerden wel opmerkelijk meer in de aankoop en uitbreiding van hun onroerend patrimonium en financi&#x00EB;le activa; grondaankopen en aankopen van rentecontracten maakten in Herentals 21 tot 28 procent van alle uitgaven van de Tafel uit. De Herentalse Tafel kocht in 1563/1564 twee gronden aan voor een totale kostprijs van 307 Carolusgulden, zijnde 21 procent van de totale uitgaven van de Heilige Geesttafel voor dat werkjaar. Die gronden werden niet gespreid gefinancierd met een lening, maar cash betaald uit de lopende ontvangsten van de Tafel.<xref ref-type="fn" rid="fn27" specific-use="fn"><sup>27</sup></xref> Daarnaast investeerden stedelijke Tafels in de aankoop van erfelijke renten. Hoogstraten kocht in 1570 een rente aan voor 32 gulden, een aanzienlijke investering van meer dan 5 procent van de totale uitgaven. De rente ervan zou contractueel jaarlijks twee viertel rogge opbrengen voor de armenzorg. Omgerekend in lopende roggeprijzen zou de jaarlijkse opbrengst daarmee op 3,1 gulden komen, wat de terugverdientijd van de investering op 10 jaar bracht.<xref ref-type="fn" rid="fn28" specific-use="fn"><sup>28</sup></xref></p>
<fig id="fg006">
<label>Grafiek 4</label>
<caption><p>Verhouding armenzorg/overhead in de Heilige Geestuitgaven te Hoogstraten en Herentals 1539-1574</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig6.jpg"/>
<attrib>(Bron: HOOG, ms. nrs. 138.24, 139.2, 139.11 en 139.13: HG; HER, ms. nrs. 202 en 203: HG.)</attrib>
</fig>
<p>Dergelijke investeringen brachten dus op redelijke termijn jaarlijks weerkerende domeinontvangsten of annu&#x00EF;teiten op en garandeerden de financi&#x00EB;le continu&#x00EF;teit van de publieke armenzorg die niet kon rekenen op overheidsfinanciering. Bij de analyse van de ontvangstenstructuur werd al gewezen op complexere financi&#x00EB;le instrumenten die stedelijke Tafels hanteerden om cashflow te genereren via verkoop van renten en van provenen. De hogere monetaire en commerci&#x00EB;le complexiteit in het beheer van de stedelijke armenzorg komt ook tot uiting in hun investeringsbeleid. De andere aard en schaalgrootte van de stedelijke economie verklaarde dat de Tafels toegang hadden tot meer financieringstools en investeringsopportuniteiten; de transactiemarkt voor de aan- en verkoop van rentecontracten, provenen en onroerend goed was er groter dan in de dorpen; stedelijke Heilige Geesttafels gebruikten die mogelijkheden ook. In hun investeringsuitgaven gaven ze blijk van een langetermijnstrategie. De hogere overheadkosten in Kempische steden wijzen dus niet op verkwisting of oneigenlijke afwending van middelen voor armenzorg, maar op een hoge graad van doelmatigheid. De focus bleef steeds gericht op de kerntaak: armenzorg en het garanderen van de toekomstige werking ervan.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Omvang en generositeit van de publieke armenzorg in stad en dorp</title>
<p>Het meest wezenlijke verschil tussen de Kempische dorpen en steden was het niveau van sociale bijstand: de omvang en generositeit van de armenzorg lag in de landbouwdorpen op een lager niveau.</p>
<p>Voor een correcte interpretatie van deze vaststelling is in eerste instantie het aantal behoeftigen, de vraag naar armenzorg dus, van belang. De grens van belastingvrijstelling in vroegmoderne fiscale registers wordt door historici gehanteerd als een goede benadering van de armoedegrens en een maatstaf voor de <italic>fiscal poverty</italic>. Dankzij het werk van Cuvelier zijn voor elke Brabantse plaats haardtellingen van de vijftiende en begin zestiende eeuw beschikbaar als bronnen om de <italic>fiscal poverty</italic> te meten.<xref ref-type="fn" rid="fn29" specific-use="fn"><sup>29</sup></xref> De stad of het dorp kreeg een globale reductie op zijn aandeel in de hertogelijke bede naargelang het aantal opgelijste fiscale armen. Om fiscale redenen had men er dus belang bij om het aantal arme haarden op te schroeven.<xref ref-type="fn" rid="fn30" specific-use="fn"><sup>30</sup></xref></p>
<p>In 1496 schommelde het aantal fiscale armen in alle Kempische dorpen en ook in de steden Turnhout en Hoogstraten rond 25 procent, met enkel een merkelijk lager percentage fiscale armen (17 procent) voor de stad Herentals (tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref>).</p>
<table-wrap id="tab1">
<label>Tabel 1</label>
<caption><title>Aantal armenhaarden in de Kempen op basis van de haardtellingen van 1496</title></caption>
<table id="table1" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th><italic>stad of dorp</italic></th>
<th>aantal haarden</th>
<th>aantal arme haarden</th>
<th>&#x0025; aandeel arme haarden</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Vorselaar</td>
<td>69</td>
<td>17</td>
<td>25</td>
</tr>
<tr>
<td>Herenthout</td>
<td>176</td>
<td>44</td>
<td>25</td>
</tr>
<tr>
<td>Rijkevorsel</td>
<td>128</td>
<td>32</td>
<td>25</td>
</tr>
<tr>
<td>Gierle</td>
<td>101</td>
<td>25</td>
<td>25</td>
</tr>
<tr>
<td>Tongerlo</td>
<td>104</td>
<td>26</td>
<td>25</td>
</tr>
<tr>
<td>Arendonk</td>
<td>156</td>
<td>41</td>
<td>26</td>
</tr>
<tr>
<td>Stad Hoogstraten</td>
<td>176</td>
<td>47</td>
<td>27</td>
</tr>
<tr>
<td>Stad Herentals</td>
<td>669</td>
<td>112</td>
<td>17</td>
</tr>
<tr>
<td>Stad Turnhout</td>
<td>1034</td>
<td>262</td>
<td>25</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p>(Bron: Eline Van Onacker, <italic>Village elites and social structures,</italic> 243. Aangevuld met eigen berekeningen op basis van Joseph Cuvelier, <italic>Les d&#x00E9;nombrements de foyers</italic>.)</p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>De vraag stelt zich in hoeverre de groep die als fiscaal arm werd beschouwd ook samenviel met de proveniers die steun kregen van de Heilige Geesttafels. De historiografische literatuur gaat uit van een overschatting van de vroegmoderne armoedegraad, zowel ruraal als urbaan, indien enkel gekeken wordt naar fiscale bronnen. Blockmans wees al op fiscale incentives voor een stad of dorp om het aantal arme haarden zo hoog mogelijk in te schatten en stelt dat de groep fiscale armen zowel institutioneel ondersteunde disarmen als niet-ondersteunde lage-inkomensgroepen bevatte. Vroegmoderne bronnen die volledige lijsten van de disarmen bevatten, zijn zeer schaars, ook op Europees niveau. J&#x00FC;tte inventariseert casestudies die met zulke bronnen werkten en verleent daarmee een fragmentair zicht op het aantal armen dat door de publieke armenzorg ondersteund werd in verscheidene Europese steden. Hoewel de gegevens wijzen op een grote variatie, bleef het aantal disarmen bijna overal onder de 15 procent van de totale bevolking; in rurale gebieden bleek dit cijfer wel hoger te liggen. Overal lagen deze percentages merkelijk lager dan die van de fiscale armen.<xref ref-type="fn" rid="fn31" specific-use="fn"><sup>31</sup></xref></p>
<p>De vraag naar sociale bijstand was dus manifest aanwezig zowel op het platteland als in de steden. Op het platteland was de armoede-incidentie zelfs hoger. Was het aanbod aan publieke armenzorg daar ook op afgestemd?</p>
<p>Een eerste indicator voor de generositeit van publieke armenzorg is het aandeel van de sociale uitgaven in het nationaal product. Van Bavel en Rijpma berekenen het aandeel van formele armenzorg in het geschatte bnp voor een aantal Europese landen tussen 1400 en 1850. Hun definitie van formele armenzorg gaat ruimer dan dit artikel. Ze includeren niet alleen publieke <italic>outdoor relief</italic>, maar ook ge&#x00EF;nstitutionaliseerde private armenzorg van hospitalen, godshuizen, kerkelijke instellingen en associaties. Enkel informele bijstand van familie en sociale netwerken blijven buiten beschouwing. Het aandeel van het bnp dat gespendeerd werd aan die totaliteit van sociale uitgaven schommelde in vroegmoderne tijden tussen minder dan 1 procent van het bnp tot meer dan 2 procent, waarbij de hoogste niveaus werden bereikt in de ge&#x00FC;rbaniseerde delen van Noord-Itali&#x00EB;, de Nederlanden en Engeland. In de westelijke Nederlanden werd in 1530 1.2 tot 1.3 procent van het geschatte regionale bnp uitgegeven aan sociale bijstand. In 1500 bedroeg dit cijfer voor Brabant alleen 1 procent.<xref ref-type="fn" rid="fn32" specific-use="fn"><sup>32</sup></xref></p>
<p>Om differentiaties in sociale hulp op het niveau van steden of dorpen te kunnen vaststellen, volstaat een schatting van een nationaal of regionaal bnp niet. Daarvoor is een indicator voor het lokale welvaartsniveau nodig. De Honderdste Penning van Alva uit 1570 was een eenmalige belasting van 1 procent op de totale geschatte waarde van alle roerende en onroerende eigendommen. Stabel en Vermeylen publiceerden de opbrengst van die Honderdste Penning voor elke Brabantse stad en dorp in de periode 1569-1572, waardoor het mogelijk wordt om een inschatting te maken over het aandeel van de lokale welvaart dat gespendeerd wordt aan armenzorg.</p>
<p>In de meeste Kempische dorpen bedroeg de ratio sociale uitgaven/ opbrengst 100<sup>ste</sup> Penning ongeveer 15 procent, met een uitschieter van 22 procent voor Rijkevorsel (tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>). In haar concrete berekeningswijze kan de totale opbrengst van de Penning in een stad of dorp gelijkgesteld worden aan 1/16<sup>de</sup> van het totale onroerend inkomen.<xref ref-type="fn" rid="fn33" specific-use="fn"><sup>33</sup></xref> Dat betekent dat in de dorpen ongeveer 0.9 procent van het ruw geschatte totale (onroerend) inkomen werd uitgegeven aan publieke armenzorg. De Kempische dorpen bereikten een hoog niveau van sociale bescherming in vergelijking met dorpen in andere agrosystemen.<xref ref-type="fn" rid="fn34" specific-use="fn"><sup>34</sup></xref> Binnen het referentiekader van de rurale zuidelijke Nederlanden namen de Kempische dorpen een sociale koppositie in.</p>
<p>Ten opzichte van Kempische steden bleef er een belangrijke kloof in het niveau van sociale uitgaven: daar werd in verhouding tot de lokale welvaart tot het dubbele gespendeerd aan publieke armenzorg. In Hoogstraten en Herentals namen de sociale uitgaven immers een fors hoger aandeel op, met respectievelijk 47 en 38 procent van de opbrengst van de Honderdste Penning, of 2.3 en 2.9 procent van het lokale onroerend inkomen. Van Bavel en Rijpma berekenden al dat in Brabant de totale sociale uitgaven (publieke en private samen) ongeveer 1.2 &#x2013; 1.3 procent van het bruto nationaal inkomen uitmaakten. Uit bovenstaande berekeningen blijkt dat die publieke uitgaven voor de Kempische steden ongeveer 2.5 procent van het lokaal onroerend inkomen bedroegen. Deze conclusie is compatibel met de bevindingen van Van Bavel en Rijpma, gelet op het feit dan hun bnp veel ruimer is en in tegenstelling tot de basis van de Honderdste Penning ook het belangrijker inkomen uit roerend vermogen en uit arbeid omvat. De stedelijke cijfers voor de Kempen zijn ook niet significant verschillend van de bevindingen voor enkele grote Europese steden: het aandeel van de pre-industri&#x00EB;le bijstandsuitgaven uitgedrukt in het stedelijke bnp bedroeg voor Florence 1&#x0025;, voor Genua 1.6 tot 1.9 &#x0025;, voor Veneti&#x00EB; 1.8 &#x0025; en voor Leiden 1.6&#x0025;.<xref ref-type="fn" rid="fn35" specific-use="fn"><sup>35</sup></xref></p>
<p>Ook hier past een kritische bedenking bij ongenuanceerd gebruik van de Honderdste Penning als indicator voor het lokaal welvaartspeil. Die penning baseerde zich weliswaar zowel op het onroerend als het roerend vermogen, maar het roerend bezit werd onderschat. Daar waar onroerend vermogen redelijk accuraat werd geregistreerd op basis van een soort kadaster van vastgoed en gronden, werd roerend bezit enkel geschat door enkele aangestelde lokale notabelen op basis van hun kennis van de gemeenschap en van discutabele verklaringen van de belastingplichtige. Bovendien werd voor de allerrijksten een forfait toegepast van 1000 gulden, waardoor hogere vermogens zelfs niet zichtbaar werden.<xref ref-type="fn" rid="fn36" specific-use="fn"><sup>36</sup></xref> Gelet op het groter belang van roerend vermogen in de stedelijke economie weerspiegelt de Honderdste Penning de werkelijke rijkdom beter in het dorp dan in de stad en wordt in de bovenstaande berekeningen het sociaal beslag in de stad dus overschat. De generositeitskloof met de omliggende dorpen zal kleiner geweest zijn.</p>
<table-wrap id="tab2">
<label>Tabel 2</label>
<caption><title>Uitgaven voor armenzorg in verhouding tot de Honderdste Penning van 1570</title></caption>
<table id="table2" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th><italic>stad of dorp</italic></th>
<th>uitgaven in gulden</th>
<th>100ste penning in gulden</th>
<th>uitgaven/100ste penning</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Brecht (1571)</td>
<td>340</td>
<td>2200</td>
<td>16&#x0025;</td>
</tr>
<tr>
<td>Rijkevorsel (1569)</td>
<td>170</td>
<td>775</td>
<td>22&#x0025;</td>
</tr>
<tr>
<td>Herenthout (1569)</td>
<td>144</td>
<td>949</td>
<td>15&#x0025;</td>
</tr>
<tr>
<td>Stad Herentals (1564)</td>
<td>841</td>
<td>2195</td>
<td>38&#x0025;</td>
</tr>
<tr>
<td>Stad Hoogstraten (1570)</td>
<td>507</td>
<td>1084</td>
<td>47&#x0025;</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p>(Bron: Voor de dorpen zie Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity &#x2018;, 75; voor de steden eigen berekeningen van de <italic>zuivere</italic> sociale uitgaven. Voor de opbrengsten van de 100<sup>ste</sup> Penning zie Stabel en Vermeylen, <italic>Het fiscaal vermogen.</italic>)</p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Gelet op die vertekening in Alva&#x2019;s Honderdste Penning is een betere indicator voor de generositeit van de armenzorg nodig: de verleende bijstand in geld of graan per inwoner of per arme. In bijlage <xref ref-type="app" rid="apx1">1</xref> wordt de methodologie beschreven om de jaarlijkse sociale uitgaven van Heilige Geesttafels te berekenen per huishouden, inwoner, arm huishouden en individuele arme in verschillende Kempische dorpen en steden. De bijstand van de Heilige Geesttafel in Rijkevorsel in 1496 was goed voor een theoretisch equivalent van 62 liter rogge per huishouden. In de steden Herentals (72 liter) en vooral Hoogstraten (126 liter) werd significant meer uitgegeven. Herrekend naar het aantal inwoners werd in Hoogstraten een jaarlijks equivalent van 17 tot 25 liter rogge per inwoner uitgegeven, in Herentals 14.5 liter. In Rijkevorsel (12.4 liter) was dat aanzienlijk minder. Wanneer de sociale uitgaven gerelateerd worden aan uitsluitend arme huishoudens blijkt dat elk arm gezin in Rijkevorsel jaarlijks een equivalent van 248 liter rogge kreeg. In Herentals en Hoogstraten kreeg een behoeftig gezin met respectievelijk 390 liter en 781 liter tot meer dan het dubbele. In de hypothese dat een arm huishouden gemiddeld uit vier personen bestond, kreeg een individuele arme jaarlijks het equivalent van 62 liter rogge in Rijkevorsel, 98 liter in Herentals en 195 liter in Hoogstraten. Daarmee kon respectievelijk maar 23, 36 en 71 procent van het noodzakelijk levensminimum gedekt worden (grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg007">5</xref> en <xref ref-type="fig" rid="fg008">6</xref>). Een gemiddelde volwassen man had immers 0.75 liter rogge per dag nodig om te overleven, wat maakt dat hij 273.75 liter rogge nodig had om het jaar door te komen.<xref ref-type="fn" rid="fn37" specific-use="fn"><sup>37</sup></xref></p>
<fig id="fg007">
<label>Grafiek 5</label>
<caption><p>Jaarlijks aantal liter rogge per arme in de Kempen 1499-1550</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig7.jpg"/>
</fig>
<fig id="fg008">
<label>Grafiek 6</label>
<caption><p>Jaarlijks hulprantsoen in procent van de minimale levensbehoefte voor de Kempen 1499-1550</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.11166_fig8.jpg"/>
<attrib>(Bron: HOOG, HG 1549/1550; HER, HG 1539/1540. Eigen berekeningen zie bijlage <xref ref-type="app" rid="apx1">1</xref>.)</attrib>
</fig>
<p>Zelfs als rekening gehouden wordt met de lacunes in de Honderdste Penning bij de reconstructie van het stedelijk welvaartsniveau, maakt de alternatieve indicator duidelijk dat de generositeit van de armenzorg in de Kempische steden groter was dan in de buurdorpen. Maar nergens was die bijstand voldoende om te overleven. Armen moesten een beroep doen op een veelvoud aan overlevingsstrategie&#x00EB;n en maar weinig armen kregen vanuit de formele armenzorg echte sociale zekerheid.<xref ref-type="fn" rid="fn38" specific-use="fn"><sup>38</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Mogelijke verklaringsgronden voor de verschillen tussen stad en dorp afgetoetst</title>
<p>De verklaring voor het verschillende gewicht en generositeit van publieke armenzorg tussen rurale dorpen en naburige steden in de Kempen is complex. Sommigen wijzen op hogere kosten voor levensonderhoud en hogere huurprijzen in steden of op de grotere mogelijkheid voor arme Kempische dorpelingen om de gemene gronden te benutten.<xref ref-type="fn" rid="fn39" specific-use="fn"><sup>39</sup></xref> De meest voor de hand liggende verklaring zou een hogere armoedegraad in de steden kunnen zijn. De schaarse gegevens over de vraagzijde van armenzorg wijzen eerder op het tegendeel. De fiscale armoede lag met 25 procent in Hoogstraten en Turnhout op hetzelfde niveau als in de buurdorpen; in Herentals werd de armoede-incidentie door de fiscale autoriteiten met 17 procent zelfs merkelijk lager ingeschat. Ook het werkelijk aantal ondersteunde armen lag in steden verhoudingsgewijs niet hoger dan in dorpen. Deze data ondersteunen de zogenaamde Robin Hood-paradox van Lindert.<xref ref-type="fn" rid="fn40" specific-use="fn"><sup>40</sup></xref> Die econoom stelt vast dat de sociale uitgaven sinds de achttiende eeuw het laagst waren in tijden en plaatsen waar de sociale noden het hoogst waren. Gelet op de relatief grotere armoede-incidentie in de Kempische dorpen en de lagere generositeit van de bijstand daar, zou Linderts vaststelling uitgebreid kunnen worden naar de zestiende-eeuwse Kempen.</p>
<p>De vergelijking van Kempische steden en dorpen maakt een empirische aftoetsing mogelijk van twee verklaringsmodellen voor die verschillen: van enerzijds de recente agro-systemische benadering die sociale cohesie en economische (on)gelijkheid als bepalend ziet, en van anderzijds de klassiek-marxistische arbeidsreservetheorie die de nieuwe arbeidsverhoudingen en proletarisering in vroegmoderne steden als doorslaggevend bestempelt.</p>
<p>Van Onacker zoekt de oorzaken van verschillen in armenzorg in differentiaties in sociale cohesie die resulteren uit de economische structuur. Kempische landbouwdorpen waren in vergelijking met commerci&#x00EB;le dorpen van Kust-Vlaanderen eerder inclusieve economische systemen, gekenmerkt door een beperkte welvaartsongelijkheid. De dorpselite die er de publieke armenzorg stuurde, stond economisch en maatschappelijk niet veraf van hun behoeftige dorpsgenoten. In kleine gemeenschappen met relatief kleine interne verschillen krijgt solidariteit meer ruimte. Armen waren geen anonieme vreemdelingen, maar familieleden, buren en bekenden. Caritas was tegelijkertijd ook een vorm van eigenbelang. De dorpselite was er zich van bewust dat zij bij agrarische tegenslagen of in hun oude dag ook snel bestaansonzeker konden worden. In zo&#x2019;n context waren dorpselites bereid om een sterker uitgebouwd bijstandssysteem op te zetten, als vorm van collectieve verzekering voor iedereen in de gemeenschap. In zulke dorpen werd armenzorg daarmee een instrument van gemeenschapsvorming.<xref ref-type="fn" rid="fn41" specific-use="fn"><sup>41</sup></xref></p>
<p>Van Onacker formuleert deze theorie uitsluitend met betrekking tot van elkaar verschillende agrarische gemeenschappen. Maar kunnen de mechanismen van deze agro-systemische benadering ook vastgesteld worden in de kleine Kempische steden? Stonden de stedelijke beheerders van de armenzorg verder of van hun cli&#x00EB;nten dan in de dorpen? Was de ongelijkheid in Hoogstraten en Herentals groter dan in de buurdorpen en welke invloed had dit op de uitbouw van de publieke bijstand?</p>
<p>Eerst wordt onderzocht in hoeverre Heilige Geestmeesters als bestuurders van de armenzorg behoorden tot de financieel-economische toplaag van hun gemeenschap. Er bestaan weinig historiografische studies die een overlapping maken tussen armenmeesters en fiscale bronnen waarin een economisch positiebepaling van die personen mogelijk wordt. Voor het Kempische dorp Brecht kunnen de namen van 26 Heilige Geestmeesters uit de rekeningen van 1576 tot 1598 verbonden worden aan een fiscaal register van 1576. Maar 3 van de 26 armenmeesters waren terug te vinden in de fiscale bron: ze behoorden alle drie tot de twee hoogste inkomensdecielen die uit die fiscale bron konden berekend worden.<xref ref-type="fn" rid="fn42" specific-use="fn"><sup>42</sup></xref> Van Onacker concludeert dat tot 80 of 90 procent van de publieke mandaathouders in de Kempische dorpen behoorden tot de 30 procent rijksten van de dorpsgemeenschap.<xref ref-type="fn" rid="fn43" specific-use="fn"><sup>43</sup></xref></p>
<p>De bronnen uit Hoogstraten staan een link toe tussen de Heilige Geestrekeningen en het penningkohier van 1554. Uit alle beschikbare rekeningen uit de periode 1534 tot 1574 werden de namen van 25 Heilige Geestmeesters teruggevonden en 19 daarvan werden ook aangetroffen in het penningkohier. Dertien van die negentien armenmeesters, of 68 procent, behoorden tot de rijkste 30 procent van Hoogstraten.<xref ref-type="fn" rid="fn44" specific-use="fn"><sup>44</sup></xref> Hoewel ze allemaal tot de vijf hoogste decielen behoorden, was de rekrutering van de Heilige Geestmeesters in Hoogstraten dus breder dan in de Kempische dorpen. Heilige Geestmeesters in de stad kwamen niet allemaal uit de rijkste sociale strata; ook armenmeesters uit de betere middengroepen (decielen 6 tot 8) waren geen uitzondering. Van de tien armenmeesters uit het derde inkomenskwartiel waren er vijf ambachtsman zoals bakker, brouwer, timmerman of handelaar in voedingswaren. Hun financi&#x00EB;le positie werd in de onroerende inkomensverdeling uit het penningkohier onderschat; waarschijnlijk waren ze dus wel rijker dan uit die verdeling blijkt. Maar zelfs met die nuancering bevestigen deze gegevens de bredere gedragenheid van publieke armenzorg in Kempische steden evenals de sterke positie en status van middengroepen in zo&#x2019;n stedelijke bestuur. Het zou een stap te ver zijn om daaruit te besluiten dat het armenbestuur in een stedelijke context minder oligarchisch en democratischer zou samengesteld zijn. Eerder was het zo dat de vijver van bekwaam geachte personen waaruit kon gerekruteerd worden voor de functie van armenmeester in absolute aantallen groter was in de stad. De taak veronderstelde minstens een zekere graad van geletterdheid en van financieel-administratieve vaardigheden.</p>
<p>Dit onderzoek stelt vast dat publieke armenzorg in Kempische steden substantieel genereuzer was dan in naburige dorpen. In de veronderstelling dat het verklaringsmodel van Van Onacker over differentiaties in agrarische gemeenschappen en de correlatie tussen lage ongelijkheid en betere publieke armenzorg ook zou kunnen uitgebreid worden naar een stedelijke omgeving, zou de sociale polarisatie en inkomensongelijkheid in Kempische steden dus kleiner moeten zijn dan op het platteland. Dit blijkt zo niet te zijn.</p>
<p>Voor vier Kempische dorpen (Gierle, Alphen, Minderhout en Tongerlo) kon de Gini-ongelijkheidsindicator berekend worden op basis de verdeling van de waarde van onroerend goed uit penningkohieren voor de periode 1554-1569. Voor alle dorpen lag de Gini-co&#x00EB;ffici&#x00EB;nt tussen 0.50 en 0.56. Daarmee was de rurale Kempen relatief egalitair, als men de maatstaf van Curtis neemt die een Gini van 0.65 beschouwt als demarcatielijn tussen egalitaire en ongelijke samenlevingen. De kwartielratio Q3/Q1 geeft voor Gierle in 1554 een verhouding van 5.1.<xref ref-type="fn" rid="fn45" specific-use="fn"><sup>45</sup></xref></p>
<p>In Kempische steden is een grotere ongelijkheid te verwachten. Recente internationale economische historiografie over ongelijkheidstrends in premoderne West-Europese samenlevingen wijst immers op een systematisch grotere ongelijkheid in steden dan in rurale dorpen.<xref ref-type="fn" rid="fn46" specific-use="fn"><sup>46</sup></xref> De inkomensongelijkheid in Hoogstraten op basis van het penningkohier van 1554 bedraagt 0.56 en ligt daarmee aan de bovengrens van de ongelijkheid die werd vastgesteld in Kempische dorpen. De kwartielratio Q3/Q1 is met 5.3 hoger dan de 5.1 voor het dorp Gierle. Dit Hoogstratense cijfer is wellicht een onderschatting van de werkelijke economische ongelijkheid in de stad wegens de al eerder besproken beperkingen van een penningkohier. Als daarmee rekening gehouden wordt, is de ongelijkheid in Hoogstraten significant groter dan in de buurdorpen. De hogere publieke sociale bijstand in Hoogstraten ten opzichte van de dorpen kan dus zeker niet verklaard worden vanuit een hogere graad van sociale cohesie of economische gelijkheid in die stad. Eerder het tegendeel is waar: een hoger niveau van sociale bijstand gaat samen met een hogere <italic>on</italic>gelijkheid. Dit betekent niet noodzakelijk dat ongelijkheid nooit invloed heeft op het sociaal beslag, maar wel dat in de verhouding tussen stad en dorp de correlatie omgekeerd werkt dan in de sociaal-agrosystemische benadering wordt geponeerd voor rurale gemeenschappen.</p>
<p>Ook de klassiek-marxistische arbeidsreservetheorie van Lis en Soly biedt, tenminste voor de zestiende eeuw, geen verklaring voor de hogere sociale uitgaven in de Kempische steden. Die theorie focust op wijzigende economische machtsverhoudingen in de vroegmoderne steden en op het zelfbelang van de stedelijke elite bij een publieke armenzorg. Armenzorg was voor deze elite nuttig in het vermijden van rellen in de steden waarin onvrede gemakkelijker te organiseren is dan op het platteland. Maar publieke armenzorg ondersteunde vooral hun belang bij het uitbouwen van een kapitalistische stedelijke economie met meer loonarbeid en bijhorende proletarisering. Werkgevers hadden er voordeel bij om zich tijdens economisch slappe tijden van hun loonarbeiders te kunnen ontdoen en te kunnen rekenen op armenzorg om die werkloze arbeiders in leven te houden en ter plaatse aan de stad te binden. Bij het aantrekken van de arbeidsvraag was hun arbeidskracht dan direct inhuurbaar en beschikbaar. Van Leeuwen beschreef dit mechanisme voor het Amsterdam van de vroege negentiende eeuw.<xref ref-type="fn" rid="fn47" specific-use="fn"><sup>47</sup></xref> In het zogenaamde Boyer-model werd dit proces ook vastgesteld bij de achttiende-eeuwse Engelse landeigenaars die grote behoefte hadden aan beschikbare landarbeiders. Een relatief royale <italic>poor relief</italic> moest die arbeiders binden aan de <italic>estate</italic> en migratie naar de opkomende industriesteden ontmoedigen.<xref ref-type="fn" rid="fn48" specific-use="fn"><sup>48</sup></xref></p>
<p>In de zestiende-eeuwse Kempische dorpen werkten vooral kleine boeren voor zelfvoorziening en was loonarbeid marginaal. De arbeidsreservetheorie was er weinig relevant. Voor de lokale steden Herentals en Hoogstraten is er voor die periode geen informatie beschikbaar over de mate van proletarisering. Maar de beschikbare data over de ondersteunde behoeftigen wijzen er op dat de instandhouding van een arbeidsreserveleger niet direct vooraan stond in de publieke armenzorg. Werkloze arbeiders en hun mobiliseerbare arbeidskracht waren niet de doelgroep van de Heilige Geesttafels. In dorp &#x00E9;n stad richtte de Heilige Geesttafel zich uitsluitend op de <italic>deserving poor</italic> die vooral bestonden uit vrouwen, kinderen en zieken die structureel of tijdelijk niet in staat waren om door werken zelf in hun levensonderhoud te voorzien. In Herentals was 59 procent van de nominatief in de rekening van 1539-1540 geattesteerde steuntrekkers vrouw en 28 procent man, in 1563-1564 bedroegen deze aandelen 47 versus 31 procent. In Hoogstraten in 1574 was 34 procent van de ondersteunde armen vrouw en maar 24 procent man. Voor een deel van de steuntrekkers kon op basis van de (bij)naam geen gender bepaald worden. Ook kinderen werden regelmatig apart als steuntrekker vermeld: tot 9 procent in Herentals, en zelfs tot 67 procent in Hoogstraten tijdens het jaar 1557. De Herentalse bronnen bevatten nog meer informatie over de sociale situatie van de steuntrekker. Van de 102 geattesteerde vrouwelijke steuntrekkers in 1539-1540 waren er tien weduwe en lagen er dertien in het kraambed. Meer dan 26 procent van de ondersteunde armen werden als ziek omschreven. Het percentage zieken bij de armen lag nog hoger in Hoogstraten en bedroeg altijd meer dan 40 procent. Vooral mannen die steun kregen waren overwegend ziek: in Hoogstraten waren in 1574 niet minder dan zes van de zeven gesteunde mannen ziek of gebrekkig.<xref ref-type="fn" rid="fn49" specific-use="fn"><sup>49</sup></xref> Het sociaal profiel van de ondersteunde armen in de Kempische Tafels ondersteunt de arbeidsreservetheorie niet.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Conclusie en overwegingen voor een bijgesteld verklaringsmodel</title>
<p>In de zestiende-eeuwse Kempen zijn de verschillen in het niveau van sociale bijstand tussen dorp en stad niet te verklaren door differentiaties in de mate van sociale inclusie, ongelijkheid of proletarisering van de gemeenschappen, maar eerder in de economische schaalgrootte en het welvaartsniveau.</p>
<p>Alle onderzoeksresultaten duiden erop dat zowel het platteland als de steden in de Kempen ge&#x00EF;nspireerd waren door eenzelfde streven naar sociale cohesie en betrokkenheid van alle sociale strata bij publieke armenzorg. Dat uit zich in de dominantie van middengroepen bij de donateurs van die armenzorg. Het beheer van de armenzorg werd niet uitsluitend door de rijksten in de gemeenschap bepaald: ook armenmeesters uit de betere middengroepen waren geen uitzondering. Er zijn geen aanwijzingen dat armenzorg in de commerci&#x00EB;lere steden kwalitatief anders ingevuld werd om enkel ten dienste te staan van economische belangen van de handels- en nijverheidselite. Overal was de armenzorg goed uitgebouwd en het hulppakket divers van aard. Het weerspiegelde een sociale betrokkenheid en speelde in op de zeer diverse noden van de armen. In dorp &#x00E9;n stad richtte de Heilige Geesttafel zich bovendien op de <italic>deserving poor</italic> uit de parochie. Dat inclusieve karakter van de armenzorg in de Kempische rurale en urbane gemeenschappen was een gunstige voedingsbodem voor het relatieve succes van een welbepaald type van publieke bijstand. De gedecentraliseerde en vrijwillige Heilige Geestbijstand moest bouwen op lokale solidariteit en caritas en op sterke inclusieve banden in de Kempische gemeenschappen, en kon dat ook relatief succesvol doen.</p>
<p>Om de verschillen tussen het Kempische dorp en de stad te verklaren, moet gekeken worden naar de economie. Datzelfde streven naar sociale inclusie in stad &#x00E9;n dorp kon immers uitkristalliseren in een economische constellatie die sterk verschilde tussen het dorp en de stad. De schaalgrootte en de rijkdom van een stedelijke economie was groter. Een hoger economisch surplus en een grotere reserve in de lokale samenleving konden ingezet worden voor publieke armenzorg en dat leidde wellicht ook tot een hoger niveau van sociale bescherming. Een stad kende een grotere concentratie van handelskapitaal, telde meer welstellende burgers met huizen en gronden die meer opleverden en dus bij legaten aan de Heilige Geesttafel meer renten en annu&#x00EF;teiten konden opbrengen. Vooral de aanwezigheid van een grotere en rijkere middenklasse met meer reserve gaf een stad meer uitzicht op inkomsten en steun voor de armentafel. Niet de mate van sociale cohesie, maar het hoger welvaartsniveau in Kempische steden ten opzichte van de dorpen verklaarde ten gronde het hogere niveau van sociale bijstand: de stedelijke gemeenschap kon haar streven naar inclusie betalen en vertalen in een betere publieke armenzorg; het dorp kon dat in mindere mate. Het is dat mechanisme dat de vaststelling van Linderts Robin Hood-paradox voor de zestiende-eeuwse Kempen kan verklaren. De differentiatie in de publieke armenzorg in de Kempen was geen kwestie van een fundamenteel andere aanpak in steden dan in dorpen, wel van schaalgrootte en niveau. De economie en de financi&#x00EB;le basis bleek doorslaggevend.</p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Jan Peeters</bold> (&#x00B0;1963) is licentiaat in de politieke en sociale wetenschappen (Universiteit Antwerpen). Hij werkte in 1984-1988 als NFWO-aspirant in het Centrum voor Sociaal Beleid (Universiteit Antwerpen) rond de financiering en de doelmatigheid van de moderne welvaartsstaat. In 2021 promoveerde hij als master in de geschiedenis (KU Leuven) met een masterproef over differentiaties in de zestiende-eeuwse publieke armenzorg in de Antwerpse Kempen. Momenteel is hij verbonden als wetenschappelijk medewerker aan de Onderzoeksgroep Middeleeuwen van de KU Leuven. Daar werkt hij rond sociaaleconomische en ecologische geschiedenis in premoderne gemeenschappen.</p>
<p>E-mail: <email>jan.peeters1@kuleuven.be</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>H.J. Grimm, &#x2018;Luther&#x2019;s contribution to sixteenth-century organisation of poor relief&#x2019;, <italic>Archiv f&#x00FC;r Reformationsgeschichte</italic> LXI (1970) 222-234; Ole Peter Grell, &#x2018;The Protestant imperative of Christian care and neighbourly love&#x2019;, in: Ole Peter Grell en Andrew Cunningham (red.), <italic>Health and poor relief in Protestant Europe, 1500-1700</italic> (Londen 1997) 43-65. Zie kritiek daarop bij Nathalie Zemon Davis, &#x2018;Poor relief, humanism and heresy: the case of Lyon&#x2019;, <italic>Studies in Medieval and Renaissance History</italic> V (1968) 217-275.</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Catharina Lis en Hugo Soly, <italic>Poverty and capitalism in pre-industrial Europe</italic> (Hassocks 1979); Larry Patriquin, <italic>Agrarian capitalism and poor relief in England, 1500-1860. Rethinking the origins of the welfare state</italic> (Londen 2007).</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>Katherine A. Lynch, <italic>Individuals, families and communities in Europe, 1200-1800</italic> (Cambridge 2003); A. Greif, &#x2018;Family structure, institutions and growth. The origins and implications of Western corporations&#x2019;, <italic>The American Economic Review</italic> 96 (2006) 308-312; Tine De Moor, &#x2018;The silent revolution. A new perspective on the emergence of commons, guilds, and other forms of corporate collective action in Western Europe&#x2019;, <italic>International Review of Social History</italic>, 53 Supplement (2008) 179-212; P. Laslett, &#x2018;Family, kinship and collectivity as systems of support in preindustrial Europe. A consideration of the &#x201C;nuclear hardship&#x201D; hypothesis&#x2019;, <italic>Continuity and Change</italic> 3 (1988) 153-175.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Anne Winter en Thijs Lambrecht, &#x2018;Migration, poor relief and local autonomy. Settlement policies in England and the Southern Low Countries in the eighteenth century&#x2019;, <italic>Past and Present</italic> 218 (2013) 91-126; B.J.P. Van Bavel en A. Rijpma, &#x2018;How important were formalized charity and social spending before the rise of the welfare state? A long-run analysis of selected Western European cases 1400-1850&#x2019;, <italic>The Economic History Review</italic> 69 (2016) 159-187.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>Elise Van Nederveen Meerkerk en Dani&#x00EB;lle Teeuwen, &#x2018;The stability of voluntarism. Financing social care in early modern Dutch towns compared with the English poor law, c. 1600-1800&#x2019;, <italic>European Review of Economic History</italic> 18 (2012) 82-105; W. Blockmans en W. Prevenier, &#x2018;Armoede in de Nederlanden van de 14de tot het midden van de 16de eeuw. Bronnen en problemen&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 88 (1975) 501-538; Catharina Lis, <italic>Social change and the labouring poor, Antwerp 1770-1860</italic> (New Haven 1986); Marco H. D. Van Leeuwen, <italic>The logic of charity. Amsterdam, 1800-1850</italic> (Basingstoke 2015); Hadewijch Masure, &#x2018;Eerlycke huijsarmen of ledichgangers? Armenzorg en gemeenschapsvorming in Brussel, 1300-1640&#x2019;, <italic>Stadsgeschiedenis</italic> 7 (2012) 1-21; Michael Galvin, &#x2018;Credit and parochial charity in fifteenth-century Bruges&#x2019;, <italic>Journal of Medieval History</italic> 28 (2002) 131-154; Maarten Prak, &#x2018;Goede buren en verre vrienden. De ontwikkeling van onderstand bij armoede in Den Bosch sedert de Middeleeuwen&#x2019;, in: Henk Flap en Marco Van Leeuwen (red.), <italic>Op lange termijn. Verklaringen van trends in de geschiedenis van samenlevingen</italic> (Hilversum1994) 147-169.</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>Steve Hindle, <italic>On the parish? The micro-politics of poor relief in rural England, c. 1550-1750</italic> (Oxford 2004); Marjorie McIntosh, <italic>Poor relief in England, 1350-1600</italic> (Cambridge 2012); Christopher Dyer, &#x2018;Poverty and its relief in late medieval England&#x2019;, <italic>Past and Present</italic> 216 (2012) 41-78.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Eline Van Onacker, <italic>Village elites and social Structures in the late medieval Campine region.</italic> (Turnhout 2017); Eline Van Onacker en Hadewijch Masure, &#x2018;Unity in diversity. Rural poor relief in the sixteenth-century Southern Low Countries&#x2019;, <italic>TSEG</italic> 12 (2015) 59-88. De term &#x2018;agrosysteem&#x2019; komt van Erik Thoen, &#x2018;Social agrosytems as an economic concept to explain regional differences. An essay taking the former country of Flanders as an example (middle ages &#x2013; 19th century)&#x2019;, in: Peter Hoppenbrouwers en Bas Van Bavel (red.), <italic>Landholding and land transfers in the North Sea area (late middle ages &#x2013; 19th century)</italic> (Turnhout 2004) 102-157.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>H. Faes, &#x2018;Aspecten van het sociaal-economisch leven te Hoogstraten tijdens de 1e helft van de 80-jarige oorlog&#x2019;, <italic>Jaarboek HOK. Koninklijke Hoogstratens Oudheidkundige Kring</italic> 34 (1966) 29-30, 32, 42.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Jan-Modest Goris, <italic>Bijdrage tot de aloude geschiedenis van de stad Herentals</italic> (Herentals 1969) 169-184; J.R. Verellen, &#x2018;Lakennijverheid en lakenhandel van Herentals in de 14de, 15de en 16de eeuw&#x2019;, <italic>Taxandria</italic> xxvii (1955) 118-180; J.R. Verellen, &#x2018;Linnennijverheid te Herentals vooral in de 16de eeuw&#x2019;, <italic>Taxandria</italic> xxix (1957) 3-19.</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>HOOGSTRATEN, Stadsarchief, <italic>Inventaris van het oud gemeentelijk archief</italic> (hierna HOOG), ms. nrs. 138.24, 139.2, 139.11 en 139.13: Heilige Geestrekeningen (hierna HG); HERENTALS, Stadsarchief<italic>, Inventaris</italic> s<italic>tadsbestuur Oud Regime</italic> (hierna HER<italic>)</italic>, ms. nrs. 202 en 203: HG.</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>HOOG, ms. nr. 82.2: X en XX penning 1554 (hierna PENN).</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>HOOG, HG 1569/1570, folio 7v.</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>HER, HG 1539/1540, folio&#x2019;s 32, 34v, 39v en 40.</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 79-80.</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>HOOG, HG 1573/1574, folio&#x2019;s 33v en 35v.</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>Galvin, &#x2018;Credit and parochial charity&#x2019;, 131-154.</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>Van Nederveen Meerkerk en Teeuwen, &#x2018;The stability of voluntarism&#x2019;, 91-92.</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p>M.-J. Tits-Dieuaide, &#x2018;Les tables des pauvres dans les anciennes principaut&#x00E9;s belges au moyen &#x00E2;ge&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 88 (1975) 573.</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p>D. Guilardian, &#x2018;Les tables des pauvres. Une voie sp&#x00E9;cifique aux anciens Pays-Bas?&#x2019;, <italic>Publications de la Section historique de l&#x2019;Institut Grand-Ducal de Luxembourg</italic> (2008) 267; Michael Galvin, <italic>The poor tables of Bruges 1270-1477</italic> (Ann Arbor 2000).</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p>Wouter Ryckbosch, &#x2018;Economic inequality and growth before the industrial revolution. The case of the Low Countries (fourteenth to nineteenth centuries)&#x2019;, <italic>European Review of Economic History</italic> 20 (2015) 7.</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Joseph Cuvelier, <italic>Les d&#x00E9;nombrements de foyers en Brabant, 14e-16e si&#x00E8;cle</italic>, 2 vols., Acad&#x00E9;mie royale de Belgique. Commission royale d&#x2019;histoire. Publications in 4; [39] Collection de chroniques belges in&#x00E9;dites (Brussel 1912) 469.</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p>Voor deze equivalentie wordt het gemiddelde zomerdagloon van een ongeschoolde bouwarbeider gebruikt; in Lier bedroeg dit in 1570 15 Brabantse groten, in Antwerpen 19.5. International Global Price and Income History Group, &#x2018;Global prices and incomes database. Main database. Belgium 1366-1603&#x2018;, Geraadpleegd op 18 maart 2021, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://gpih.ucdavis.edu/files/Belgium_1366-1603.xls">https://gpih.ucdavis.edu/files/Belgium_1366-1603.xls</ext-link>; HOOG, HG 1569/1570, folio 11v.</p></fn>
<fn id="fn23" symbol="23"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 81, 84 grafiek 7.</p></fn>
<fn id="fn24" symbol="24"><p>Jan Peeters, &#x2018;&#x201C;Den armen gedeylt&#x201D;. Differentiaties in de zestiende-eeuwse publieke armenzorg in de Antwerpse Kempen&#x2019;, Onuitgegeven masterproef (Leuven 2021) 59-76.</p></fn>
<fn id="fn25" symbol="25"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 84; Van Onacker, <italic>Village elites and social structures</italic>, 240, 249.</p></fn>
<fn id="fn26" symbol="26"><p>Peter H. Lindert, <italic>Growing public. Social spending and economic growth since the eighteenth century</italic>, vol. 1 (Cambridge 2004) 54-55; Van Bavel en Rijpma, &#x2019;How important were formalized charity&#x2019;, 167.</p></fn>
<fn id="fn27" symbol="27"><p>HER, HG 1563/1564, folio 14v.</p></fn>
<fn id="fn28" symbol="28"><p>Gebaseerd op de roggeprijzen bij Herman Van Der Wee, <italic>The growth of the Antwerp market and the European economy (fourteenth &#x2013; sixteenth centuries). I. Statistics</italic> (Den Haag 1963) 177-178; HOOG, HG 1569-1570, folio 20.</p></fn>
<fn id="fn29" symbol="29"><p>Cuvelier, <italic>Les d&#x00E9;nombrements de foyers en Brabant.</italic></p></fn>
<fn id="fn30" symbol="30"><p>Blockmans en Prevenier, &#x2018;Armoede in de Nederlanden&#x2019;, 511.</p></fn>
<fn id="fn31" symbol="31"><p>Robert J&#x00FC;tte, <italic>Poverty and deviance in early modern Europe</italic> (Cambridge 1994) 47, 50-54.</p></fn>
<fn id="fn32" symbol="32"><p>Van Bavel en Rijpma, &#x2018;How important were formalized charity &#x2019;, 175, 178.</p></fn>
<fn id="fn33" symbol="33"><p>Peter Stabel en Filip Vermeylen, <italic>Het fiscale vermogen in Brabant, Vlaanderen en in de heerlijkheid Mechelen. De Honderste Penning van de hertog van Alva (1569-1572)</italic> (Brussel 1997) 22-27. De Honderdste Penning werd concreet berekend als 6.25&#x0025; of 1/16de van de re&#x00EB;le of fictieve jaarlijkse huur- of pachtwaarde van onroerend eigendom. Roerend inkomen werd zeer fragmentair getaxeerd en arbeidsinkomen al helemaal niet.</p></fn>
<fn id="fn34" symbol="34"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity &#x2019;, 75. Voor het kustdorp Koolkerke bedroeg dit percentage 0.4; voor Lede in Binnen-Vlaanderen 1.</p></fn>
<fn id="fn35" symbol="35"><p>Van Bavel en Rijpma, &#x2018;How important were formalized charity&#x2019;, 167-170.</p></fn>
<fn id="fn36" symbol="36"><p>Stabel en Vermeylen, Het <italic>fiscale vermogen</italic>, 22-26; Jan Craeybeckx, &#x2018;Alva&#x2019;s tiende penning. Een mythe?&#x2019;, <italic>Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap</italic> 76 (1962) 38 .</p></fn>
<fn id="fn37" symbol="37"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity &#x2019;, 76; Van Onacker, <italic>Village elites and social structures,</italic> 61, 248.</p></fn>
<fn id="fn38" symbol="38"><p>Dyer, &#x2018;Poverty and its relief in late medieval England&#x2019;, 72.</p></fn>
<fn id="fn39" symbol="39"><p>Ma&#x00EF;ka De Keyzer, <italic>Inclusive commons and the sustainability of peasant communities in the medieval Low Countries</italic> (New York 2018); Van Onacker, <italic>Village elites and social structures</italic>, 92,125.</p></fn>
<fn id="fn40" symbol="40"><p>Lindert, <italic>Growing public</italic>, 15-16.</p></fn>
<fn id="fn41" symbol="41"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 86.</p></fn>
<fn id="fn42" symbol="42"><p>Van Onacker, <italic>Village elites and social structures</italic>, 264-265.</p></fn>
<fn id="fn43" symbol="43"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 68-69.</p></fn>
<fn id="fn44" symbol="44"><p>HOOG, ms. nrs. 138.10 &#x2013; 138.27, 139.1, 139.2, 139.7, 139.8, 139.11, 139.13: HG.</p></fn>
<fn id="fn45" symbol="45"><p>Daniel Curtis, <italic>Coping with crisis. The resilience and vulnerability of pre-industrial settlements</italic> (Farnham 2014) 289; Van Onacker, <italic>Village elites and social structures</italic>, 50, 53.</p></fn>
<fn id="fn46" symbol="46"><p>J.L. Van Zanden, &#x2018;Tracing the beginning of the Kuznets Curve. Western Europe during the early modern period&#x2019;, <italic>The Economic History Review</italic> 48 (1995) 651; Ryckbosch, &#x2018;Economic inequality and growth&#x2019;, 12; Guido Alfani, &#x2018;Economic inequality in Northwestern Italy. A long-term view (fourteenth to eighteenth centuries)&#x2019;, <italic>The Journal of Economic History</italic> 75 (2015) 1083-1084.</p></fn>
<fn id="fn47" symbol="47"><p>Van Leeuwen, <italic>The logic of charity,</italic> 73-75.</p></fn>
<fn id="fn48" symbol="48"><p>George R. Boyer, <italic>An economic history of the English poor law, 1750-1850</italic> (Cambridge 1990) hoofdstuk 8.</p></fn>
<fn id="fn49" symbol="49"><p>HOOG, ms. nrs. 138.24, 139.2, 139.11 en 139.13: HG; HER, ms. nrs. 202 en 203: HG.</p></fn>
<fn id="fn50" symbol="50"><p>Cuvelier, <italic>Les d&#x00E9;nombrements de foyers</italic>; H. Faes, &#x2018;Aspecten van het sociaal-economisch leven te Hoogstraten&#x2019;, 4 .</p></fn>
<fn id="fn51" symbol="51"><p>Van Der Wee, <italic>The growth of the Antwerp market,</italic> 177-178.</p></fn>
<fn id="fn52" symbol="52"><p>Eline Van Onacker, &#x2018;Leaders of the pack? Village elites and social structures in the fifteenth- and sixteenth-century Campine area&#x2019;, Onuitgegeven doctoraatsproefschrift (Antwerpen 2014) 251.</p></fn>
<fn id="fn53" symbol="53"><p>Goris, <italic>Bijdrage tot de aloude geschiedenis van de stad Herentals</italic>, 244.</p></fn>
<fn id="fn54" symbol="54"><p>Van Onacker, <italic>Village elites and social structures,</italic> 61.</p></fn>
<fn id="fn55" symbol="55"><p>Van Onacker, 247.</p></fn>
<fn id="fn56" symbol="56"><p>Van Onacker en Masure, &#x2018;Unity in diversity&#x2019;, 76.</p></fn>
</fn-group>
<app-group>
<app id="apx1">
<title>Bijlage 1 De generositeit van armenzorg in liter graan per huishouden, per inwoner, per arm huishouden en per individuele arme: methodologie en resultaten</title>
<p>Onderstaande tabel gaat uit van volgende aannames en gegevens:</p>
<list list-type="simple">
<list-item><label>a)</label> <p>Er is een behoorlijke variatie in het boekjaar waarin de sociale uitgaven werden berekend. Ook het basisjaar voor de bevolkingsgegevens verschilt van locatie tot locatie. Voor Rijkevorsel zijn de haardtellingen van 1496 (Cuvelier) gebruikt, voor Herentals en Hoogstraten diezelfde tellingen voor 1526. Voor Hoogstraten is ook een verfijnde telling van het inwonersaantal beschikbaar op basis van schouwtellingen van 1553 (Faes).<xref ref-type="fn" rid="fn50" specific-use="fn"><sup>50</sup></xref></p></list-item>
<list-item><label>b)</label> <p>In de Heilige Geestrekeningen werd een deel van de ontvangsten en uitgaven uitgedrukt in Carolusgulden, een ander deel in rogge. Om de totaliteit van ontvangsten en uitgaven te analyseren, dient in eerste instantie de hoeveelheid rogge omgerekend te worden naar de monetaire rekeneenheid. Om vervolgens de evolutie van de ontvangsten en uitgaven van de Tafel niet enkel in monetaire, maar ook in re&#x00EB;le termen (koopkracht in liter rogge) te kunnen inschatten, is een omzetting van de geldbedragen naar liter rogge in lopende prijzen nodig. Daarvoor worden Van der Wee&#x2019;s tijdreeksen over de jaarlijkse evolutie van roggeprijzen in Antwerpen gebruikt.<xref ref-type="fn" rid="fn51" specific-use="fn"><sup>51</sup></xref></p></list-item>
<list-item><label>c)</label> <p>De uitgaven zijn <italic>zuivere</italic> sociale uitgaven. Voor de dorpen wordt 10 procent afgetrokken als administratiekosten.<xref ref-type="fn" rid="fn52" specific-use="fn"><sup>52</sup></xref> Voor Herentals en Hoogstraten worden de werkelijke overhead- en administratiekosten afgetrokken op basis van de eigen berekeningen: voor Herentals &#x2013; 40.7 procent en voor Hoogstraten &#x2013; 19.7 procent. De sociale uitgaven zijn die van Herentals voor 1539/1540 en die voor Hoogstraten voor 1549/1550.</p></list-item>
<list-item><label>d)</label> <p>Het aantal huishoudens voor Herentals en Hoogstraten wordt gelijkgesteld met het aantal niet-leegstaande haarden in de <italic>denombrementen</italic> van 1526 bij Cuvelier. De haarden in collectiviteiten worden niet meegeteld aangezien ze buiten het doelpubliek van de publieke armenzorg vielen. Voor behoeftige begijnen werd immers een aparte Tafel van de Heilige Geest opgericht, onafhankelijk van de stedelijke Tafel.<xref ref-type="fn" rid="fn53" specific-use="fn"><sup>53</sup></xref> Herentals telde 604 haarden zonder de collectiviteiten van het begijnhof, de gods- of gasthuizen, het hospitaal en de twee kloosters. Hoogstraten had 292 haarden, eveneens zonder de collectiviteiten van het begijnhof en het Clarissenklooster.</p></list-item>
<list-item><label>e)</label> <p>Ook de inwonersaantallen worden afgeleid uit de bovenvermelde haardtellingen waarbij een haard gelijkstaat aan vijf personen.<xref ref-type="fn" rid="fn54" specific-use="fn"><sup>54</sup></xref></p></list-item>
<list-item><label>f)</label> <p>Het aantal arme huishoudens is gelijk aan het aantal niet getaxeerde haarden voor 1496 (Cuvelier) en weerspiegelt de <italic>fiscal poor</italic>.</p></list-item>
<list-item><label>g)</label> <p>Per arm huishouden wordt uitgegaan van vier personen. Arme huishoudens waren gemiddeld kleiner dan reguliere huishoudens omdat vele steuntrekkers weduwen waren en er geen mannelijke kostwinner was.<xref ref-type="fn" rid="fn55" specific-use="fn"><sup>55</sup></xref></p></list-item>
<list-item><label>h)</label> <p>De gegevens voor Lede, Koolkerke en Rijkevorsel zijn overgenomen uit Van Onacker.<xref ref-type="fn" rid="fn56" specific-use="fn"><sup>56</sup></xref></p></list-item>
</list>
<table-wrap id="tab3">
<label>Tabel 3</label>
<caption><title>Armenzorg in liter graan per huishouden, per inwoner, per arm huishouden en per individuele arme</title></caption>
<table id="table3" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th></th>
<th>Rijkevorsel Kempen</th>
<th>Hoogstraten Kempen</th>
<th>Herentals Kempen</th>
<th>Lede Binnen-Vlaanderen</th>
<th>Koolkerke Kust</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>boekjaar/ bevolkingstelling</td>
<td>1499/1496</td>
<td>1550/1526 en 1552</td>
<td>1540/1526</td>
<td>1574/1571</td>
<td>1540/1527</td>
</tr>
<tr>
<td>uitgaven Tafel in liter rogge</td>
<td></td>
<td>36 734 (1549-1550)</td>
<td>43 729 (1539-1540)</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
<tr>
<td># huishoudens</td>
<td></td>
<td>292</td>
<td>604</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>liter rogge per huishouden</bold></td>
<td>62</td>
<td>126</td>
<td>72</td>
<td>93,6</td>
<td>36,5</td>
</tr>
<tr>
<td># inwoners</td>
<td></td>
<td><p>1868 &#x00E0; 2073 (Faes)</p>
<p>1460 (Cuvelier)</p></td>
<td>3020 (Cuvelier)</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>liter rogge per inwoner</bold></td>
<td>12,4</td>
<td><p>17,7 &#x2013; 19,6 (Faes)</p>
<p>25,2 (Cuvelier)</p></td>
<td>14,5</td>
<td>18,7</td>
<td>7,3</td>
</tr>
<tr>
<td># arme huishoudens</td>
<td></td>
<td>47</td>
<td>112</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>liter rogge per arm huishouden</bold></td>
<td>248</td>
<td>781</td>
<td>390</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>liter rogge per arme</bold></td>
<td>62</td>
<td>195</td>
<td>98</td>
<td></td>
<td></td>
</tr>
</tbody>
</table>
</table-wrap>
</app>
</app-group>
</back>
</article>