<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 336 0</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.12301</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.12301</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Paul Bassant<italic>, Volksvermaak in Zwart Nazareth. Het krachtenspel in de vrijetijdsbesteding van arbeiders in Schiedam, 1850-1975</italic> (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2021). 410 p. ISBN 9789087048440.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Maarleveld</surname>
<given-names>Reinard</given-names>
</name>
<email>Geschiedenis.nl</email>
<aff>(bewerking van zijn recensie van dit boek op <email>Geschiedenis.nl</email>)</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>19</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>138</fpage>
<lpage>140</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Reinard Maarleveld</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<copyright-holder>Reinard Maarleveld</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Het clich&#x00E9;beeld van ontspanning in Zwart Nazareth, een bijnaam van Schiedam, is dat van permanent alcoholmisbruik in sombere drankspelonken. Dat dit beeld niet klopt is misschien wel de belangrijkste conclusie uit het proefschrift van Paul Bassant. Zijn boek gaat over &#x2018;het krachtenspel in de vrijetijdsbesteding van arbeiders in Schiedam&#x2019; tussen 1850 en 1975. In dat krachtenspel onderscheidt Bassant drie actoren: de exploitanten (zij die het vermaak aanbieden), de autoriteiten en natuurlijk de arbeiders zelf.</p>
<p>De auteur heeft gekozen voor vier onderzoeksperioden. In de eerste periode, tussen 1850 en 1890, zijn de arbeiders vooral aan het werk en is er nauwelijks tijd voor ontspanning en vermaak. Het blijft bij zwemmen in buitenwater, schaatsen, wandelen, naar de tapperij of het caf&#x00E9; en bezoek aan de kermis. Beschaafdere vormen van vermaak zoals toneel, muziek en lezen zijn slechts weggelegd voor de hogere klassen. De autoriteiten houden de karige vrijetijdsbesteding van de arbeiders angstvallig in de gaten. Het gezag is toegespitst op ordeverstoringen en is terughoudend in het faciliteren van volksvermaak.</p>
<p>In de tweede periode, tussen 1890 en 1920, is er meer ruimte voor vrijetijdsbesteding onder de arbeiders. Tegelijkertijd neemt het aanbod toe. Dat aanbod komt vooral uit de kringen van de middenklasse en de hogere burgerij, en sluit aan bij de tradities van de Maatschappij voor het Nut van het Algemeen. Zo komt er een Volkshuis met een ontspanningszaal en een leeszaal. De arbeiders zitten door de bank genomen liever in de ontspanningszaal, tot teleurstelling van de initiatiefnemers. Zij hebben nog het achttiende-eeuwse beschavingsideaal voor ogen en willen de arbeiders &#x2018;verheffen&#x2019;.</p>
<p>In deze periode ontstaan de eerste arbeidersverenigingen, bijvoorbeeld op het gebied van sport (SVV, opgericht in 1904), toneel, zang en muziek. Andere vormen van ontspanning in deze periode zijn lezingen, wandelingen in de parken (waarbij de autoriteiten de nadruk leggen op de zondagsrust, zedelijk gedrag en het op de paden blijven), muziek op straat en volksconcerten in de Plantage en de winkelbibliotheken (naast de leeszaal in het Volkshuis). Vanzelfsprekend zijn de arbeidersverenigingen verzuild: ze opereren op protestants-christelijke, katholieke of socialistische grondslag.</p>
<p>De kermis is in het krachtenveld tussen arbeiders, exploitanten en autoriteiten een interessant verschijnsel. Voor de arbeiders is het een gewilde bron van vermaak en ontspanning. De exploitanten komen natuurlijk graag naar Schiedam. Maar voor het stadsbestuur vormt de kermis een dilemma. Enerzijds wordt er goed verdiend aan belastingheffing, anderzijds dreigt wanorde door drankmisbruik en opstootjes. Daardoor wordt de kermis soms verboden en in andere perioden weer toegestaan.</p>
<p>In de derde periode, tussen 1920 en 1950, verschijnen nieuwe vormen van vermaak, zoals de bioscoop (al snel populair) en dansavonden. De bestaande vormen van ontspanning, zoals de bibliotheken (de verzuilde bibliotheken en de winkelbibliotheken) groeien eveneens. Ook muziek- en toneelverenigingen bloeien, evenals het aanbod van cursussen en lezingen. In het algemeen zijn er steeds meer ontspanningsmogelijkheden voor arbeiders. Arbeidersverenigingen, signaleert Bassant, zijn vaak kopie&#x00EB;n van burgerlijke verenigingen, met dezelfde organisatorische structuren, normen en waarden (zoals verheffing en ontwikkeling). Er is meer vrije tijd en meer geld. Het gemeentebestuur wordt actiever maar blijft op zijn hoede. Arbeiders die &#x2018;wild&#x2019; zwemmen worden beboet en wanneer de jeugd op straat voetbalt neemt de agent de bal in beslag. De zondagsrust blijft overeind. Exploitanten benutten de uitbreiding van hun mogelijkheden. De kermis keert terug en er komen dansverenigingen en -lokalen. Opvallend is de toenemende aantrekkingskracht van Rotterdam. Wanneer arbeiders in Schiedam geen kans zien om zich te ontspannen, wijken ze per tram uit naar Rotterdam.</p>
<p>In de vierde periode, van 1950 tot 1975, is er sprake van grote veranderingen. Bassant constateert dat de behoefte aan vermaak onder arbeiders afneemt. Veel verenigingen krimpen of verdwijnen. De verklaring ziet hij in de toegenomen hang naar huiselijkheid onder de arbeiders. Waar in het verleden de leeszaal of de bioscoop warmte en ontspanning bood is nu de goed verwarmde huiskamer, uitgerust met radio en televisie, een goed alternatief. Merkwaardig genoeg wordt de kloof met de hogere en middenklassen weer groter: zij blijven wel uitgaan. De concerten en tentoonstellingen waar deze groepen verschijnen worden door arbeiders nauwelijks bezocht. De autoriteiten worden actiever en scheppen met subsidies nieuwe mogelijkheden om de toegenomen hoeveelheid vrije tijd verantwoord in te vullen. Want de overheid blijft sturen. De Vakantieweken in de zomerperiode zijn daar een mooi voorbeeld van. Dat fenomeen past ook in een andere tendens: de jeugd gaat steeds meer een eigen plek innemen.</p>
<p>Tot welke conclusies komt Bassant in zijn boek? Een van de opvallende uitkomsten is dat de Schiedamse politie door de jaren heen vaak een realistischer inschatting maakt dan het gemeentebestuur, daar waar het gaat om het risico van ordeverstoringen door arbeiders. Dat wil zeggen dat de commissaris een voorkeur heeft voor tolerantie terwijl burgemeester en wethouders vooral beren op de weg zien.</p>
<p>In de praktijk wordt er tussen arbeiders, autoriteiten en exploitanten van vermaak vooral gezocht naar compromissen. De arbeiders willen maximaal gebruik maken van de geboden ruimte, de overheid wil controle houden en het risico op onrust zo klein mogelijk houden en de exploitanten zoeken in dit spanningsveld naar wegen om geld te verdienen. Het afwisselend verbieden en toestaan van de kermis is daar een goed voorbeeld van. Opvallend is het onverkort handhaven van de zondagsrust. Hier gaven de autoriteiten geen duimbreed toe.</p>
<p>Alle actoren, de arbeiders voorop, zochten naar mogelijkheden om zinvol te ontspannen, dus gericht op ontwikkeling en verheffing. De overheid probeerde daarbij richting te geven in conservatieve zin. De activiteiten van de arbeiders mochten geen bedreiging vormen voor de burgerlijke normen en waarden. De arbeiders hadden daar vrede mee en zochten de grenzen op wanneer dat nodig en mogelijk was. Opvallend is de marginale aandacht voor de vrijetijdsbesteding van arbeidersvrouwen vanuit de verenigingen zelf. De vrouwen conformeren zich vooral aan de rol die de mannen hen toebedelen. Datzelfde geldt, tot de jaren 1960 en 1970, ook voor de jeugd.</p>
</body>
</article>