<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 336 0</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.12302</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.12302</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Han Timmer, <italic>De Roos &#x0026; Overeijnder (1895-1942). Een Rotterdams architectenbureau: bouwen voor havenbaronnen en arbeiders</italic> (Hilversum: Uitgeverij Verloren/Bonas, 2022). 251 p. ISBN 97789087049614.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van Bergeijk</surname>
<given-names>Herman</given-names>
</name>
<aff>TU Delft/HIT Harbin</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>09</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>19</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>141</fpage>
<lpage>143</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Herman van Bergeijk</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<copyright-holder>Herman van Bergeijk</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Als 67e deel in de reeks van uitgeverij Bonas over Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen is een kloek boek verschenen over het bureau De Roos &#x0026; Overeijnder. Zoals het format van Bonas voorschrijft bevat het boek een ruime inleiding van 80 pagina&#x2019;s over het bureau en het werk, gevolgd door een uitvoerige oeuvrecatalogus van 150 pagina&#x2019;s en een literatuurlijst. De auteur Han Timmer heeft zich reeds verschillende keren met de Rotterdamse architectuurscene aan het begin van de vorige eeuw beziggehouden en in het bijzonder met de gebouwen van Willem Overeijnder (1875-1941) en Herman de Roos (1875-1942). Hij stelt bijna gefrustreerd vast dat dit Rotterdamse architectenduo al spoedig na hun dood in de vergetelheid raakte. Dat zou, volgens hem, komen omdat hun namen &#x2018;niet met de modernistische avant-garde werden geassocieerd&#x2019;. Wellicht is dat te kort door de bocht en kunnen we ons afvragen welke architecten wel tot die elite behoren die in de geschiedenisboeken een vooraanstaande plaats kregen. Misschien gaat het daar ook niet om. Het is belangrijker om te begrijpen welke plaats bepaalde architecten in het veld van de architectuur konden verwerven en waarom.</p>
<p>Aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam was Henri Evers aan het einde van de negentiende eeuw de belangrijkste man. Zijn naam is vooral verbonden met de prijsvraag en bouw van het Rotterdamse stadhuis, die lang de gemoederen hadden beziggehouden. Overeijnder had eveneens samen met Albert Otten aan die prijsvraag deelgenomen. De compagnon van Overeijnder sinds 1895, De Roos, speelde mogelijk slechts een rol op de achtergrond. Hij was waarschijnlijk aanmerkelijk minder bedreven in het tekenwerk. Dit roept de vraag op wat precies zijn taken waren. Hij was meer betrokken bij de uitvoering en overzag de economische aspecten van het ontwerp. Het was een businessmodel dat we vaak in de Verenigde Staten aantreffen waarbij de ene partner de kunstzinnige kant voor zijn rekening neemt en de ander de zakelijke kant. Hoe het ook zij: hun ontwerp voor het stadhuis werd al snel terzijde geschoven. Het bureau De Roos &#x0026; Overeijnder behoorde tot de groep van architectenbureaus die degelijk werk afleverde, nergens met schokkende oplossingen kwam, maar ook nooit spraakmakende ontwerpen maakte. Hun ontwerpen hadden geen eenduidige uitstraling en laten vaak een gemis aan talent zien. Zelfs in het enorme hoofdkantoor voor de zich in Den Haag vestigende American Petroleum Company, dat in de jaren 1919 tot 1924 werd gebouwd, zijn vele stilistische inconsistenties te ontdekken die verhinderden dat het bouwwerk een belangrijke plaats in de geschiedenis kreeg ondanks dat het door de grootte alleen al tot de verbeelding spreekt. Door het ruime budget konden de architecten zich te buiten gaan en vele kunstenaars bij het werk betrekken. Deze overvloed had eerder ook geleid tot het kantoorgebouw Van Driel in Rotterdam, dat van buiten minder imposant is maar van binnen een enorme rijkdom laat zien. Misschien heeft de auteur daarom gekozen voor een foto van de binnenkant van de koepel voor de omslag van deze studie.</p>
<p>Ondanks het grote aantal opdrachten dat het bureau binnenhaalde, was het lot De Roos &#x0026; Overeijnder niet altijd gunstig gezind. Dit gold vooral wat betreft de grote monumentale gebouwen. Typerend is misschien de wijze waarop ze bij de prijsvraag voor het Beursgebouw in Rotterdam werden betrokken. Aanvankelijk werden drie Rotterdammers en zes buitenstaanders uitgenodigd. De Rotterdammers waren M.J. Granpr&#x00E9; Moli&#x00E8;re, W. Kromhout en J.J.P. Oud. Als buitenstaanders mochten W.M. Dudok, H.F. Mertens en J.F. Staal meedoen. De keuze leek voor de hand te liggen, maar de lokale afdeling van de Bond van Nederlandse Architecten tekende niettemin protest aan omdat zij vond dat de Rotterdammers werden achtergesteld en niet adequaat waren vertegenwoordigd. Vervolgens werd de beslissing genomen de bureaus van De Roos &#x0026; Overeijnder en van Meischke &#x0026; Schmidt toe te voegen. Zij hadden echter weinig kans en vielen als eersten af. Piet Zwart (en niet Jan Wils, zoal Timmer vermoedt) had geen ongelijk toen hij in <italic>Het Vaderland</italic> schreef dat De Roos &#x0026; Overeijnder zich &#x2018;als geveleurs en opmerkelijke raamfantasten, schuivende vlakken-componisten&#x2019; hadden gekenmerkt. Dat gold niet alleen voor dit werk maar ook voor vele andere die het bureau onder handen had genomen. Ook het ontwerp dat het bureau kort daarop maakte voor De Bijenkorf in Rotterdam werd niet bekroond. Daar ging Dudok er met de opdracht vandoor. Wel mochten De Roos &#x0026; Overeijnder het concertgebouw De Doelen aan de Coolsingel bouwen, dit keer in samenwerking met de architect Verheul. Het bouwwerk steeg nauwelijks boven de middelmaat uit en overleefde het bombardement van Rotterdam niet.</p>
<p>Het meest opmerkelijk bouwwerk van De Roos &#x0026; Overeijnder blijft het grote rode gebouw van de American Petroleum Company dat men ziet wanneer men vanaf de Utrechtse Baan Den Haag binnenrijdt. Dat komt vooral door de 60 meter hoge markante toren die expressief uit het rode bakstenen gebouw omhoog stijgt en van verre zichtbaar is. In de kranten werd het gebouw nauwelijks besproken en voor de Rotterdammers zal het van weinig betekenis zijn. Timmer stelt dat architectuurgeschiedenis &#x2018;ook altijd reputatiegeschiedenis&#x2019; is. Het is echter vooral receptiegeschiedenis. De Rotterdammers zullen meer ge&#x00EF;nteresseerd zijn in welke gebouwen het duo in hun stad heeft neergezet. De lijst is lang en velen zal het volstrekt onbekend zijn dat De Roos &#x0026; Overeijnder de architecten van een bepaald gebouw waren. Dat geldt zeker voor het Van Maanenbad, dat een constructief hoogstandje was. Van de talloze gebouwen die het bureau in de Maasstad heeft ontworpen zijn er veel verdwenen, maar misschien staat het stadion van de voetbalvereniging Sparta velen op het netvlies gegrift. Niet vanwege de architectonische kwaliteiten, maar door de sociale beladenheid. De club werd voor de Eerste Wereldoorlog meerdere keren kampioen van Nederland. &#x2018;Het Kasteel&#x2019;, zoals het stadion in de wijk Spangen al snel werd genoemd, ontstond tijdens de oorlogsjaren. In bekendheid werd het overklast door het Olympisch Stadion van Jan Wils en korte tijd later door de bekende Kuip van Brinkman &#x0026; Van der Vlugt.</p>
<p>Het boek van Timmer biedt een interessante inventarisatie van het Rotterdamse architectenbureau. Aan de grote monumenten wordt relatief weinig aandacht geschonken, ook al komen ze natuurlijk in het overzicht voor, maar wat vooral opvalt is het grote aantal herenhuizen, meerdere scholen en volkswoningen. Die laatste ontwierp het bureau voor de steden Arnhem, Assen, Delft, Veendam, Voorburg, Wageningen en Rotterdam. Het bureau was betrokken bij de aanleg van de Rotterdamse wijk Vreewijk en bouwde daar een aantal huizenblokken. Evenals bij ander werk zijn we ons weinig bewust van hun betrokkenheid. Dit boek is een geslaagde poging om de bijdrage van De Roos &#x0026; Overeijnder aan de vaderlands architectuurgeschiedenis op de kaart te zetten, maar ik ben bang dat die kaart al weer snel zal vervagen.</p>
</body>
</article>