<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 365 0</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.12917</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.12917</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Artikel</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Investeringscultuur in Nederland</article-title>
<subtitle>Ruraal beleggingsgedrag in een burgerlijk-stedelijke samenleving, 1780-1880<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref></subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Brusse</surname>
<given-names>Paul</given-names>
</name>
<email>p.brusse@uu.nl</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>19</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>69</fpage>
<lpage>98</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Paul Brusse</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<copyright-holder>Paul Brusse</copyright-holder>
</permissions>
<abstract xml:lang="en">
<title>Abstract</title>
<p><bold>Rural investment cultures in a town-based bourgeois society</bold></p>
<p>This article is about the investment behaviour of the elite in the Netherlands between 1780 and c.1880. According to the literature, at that time, the Dutch invested their capital mainly in securities. This paper shows, however, that investment behaviour in the city, i.e. Amsterdam, differed from investment behaviour in the countryside, i.e. the provinces of Gelderland and Overijssel. It argues that these differences were culturally determined and that, in this context, it is more accurate to speak of investment culture. Moreover, this paper states that the investment culture of the rural elite was less conservative than that of the urban elite, and that this is an indication that the countryside was emancipating from the city.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Een voetreis door Nederland en een bijzonder bestedingspatroon</title>
<disp-quote>
<p>Daarop ging ik met mijn reisgenoot de Hartjensberg en Sonsbeek zien en bewonderde den nieuwen aanleg. Onberekenbare schatten worden hier besteed. Bergen worden vereffend, dalen verhoogd, twee straatwegen aangelegd, vijvers en waterpartijen gegraven, beeken geleid, huizen gebouwd of veranderd, oranjeri&#x00EB;n in orde gebracht, hardsteenen broeibakken tegen de hoogtens geplaatst, in een woord, alles is hier weelde en grootheid.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref></p>
</disp-quote>
<p>Aldus Jacob van Lennep in zijn dagboek over dit landgoed bij Arnhem, nu nog steeds een van de mooiste parken van Nederland. Dat dagboek schreef hij in 1823 tijdens een voettocht door Nederland samen met Dirk van Hogendorp. Ze stamden uit families uit de hoogste stedelijke bestuurlijke kringen van Nederland. Het idee achter de voettocht was te ontdekken hoe het land ervoor stond, tien jaar na de komst van Willem I en na de Franse overheersing, die desastreus was geweest voor de nationale economie.<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref></p>
<p>Zo kwamen ze bij Hendrik Jacob Carel Johan baron van Heeckeren van Enghuizen terecht, eigenaar van het landgoed en lid van de provinciale staten van Gelderland. Hij was in 1816 gehuwd met Elisabeth Williams Hope uit Amsterdam. Vijf jaar later had hij het landgoed vooral met behulp van haar kapitaal gekocht.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref> In totaal, dat wil zeggen alles wat Elisabeth in 1816 in het huwelijk had ingebracht, ging het om zo&#x2019;n 3,5 miljoen gulden aan Engelse fondsen. Bij haar overlijden in 1860 beschikte Elisabeth over ruim vier miljoen gulden, voor bijna 85 procent ge&#x00EF;nvesteerd in onroerend goed. Niet alleen had haar man met haar geld en toestemming meerdere landgoederen verfraaid en/of aangekocht, ook liet hij boerderijen bouwen en grond ontginnen. Over het vermogen van haar man, die twee jaar later overleed, bestaat geen informatie, maar het lijkt er sterk op dat hij veel minder bezat dan zijn vrouw. Hun enige overgebleven zoon en erfgenaam, Lodewijk Evert baron van Heeckeren, stierf in 1883 ook met ruim vier miljoen, grotendeels ge&#x00EF;nvesteerd in onroerend goed. Daarbij moet aangetekend worden dat de grondprijzen als gevolg van de agrarische depressie sinds 1880 scherp waren gedaald. Bovendien was een deel van de erfenis van Elisabeth en haar man al eerder naar de kleinkinderen gegaan.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref></p>
<fig id="fg1">
<label>Illustratie 1</label>
<caption><title>Grot en waterpartij in park Sonsbeek (bron: Gelders Archief Arnhem, archief- en inventarisnummer 1554 &#x2013; 1505-III-45Zrood-0003.)</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.12917_fig1.jpg"/>
</fig>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Een burgerlijk-stedelijk investeringsgedrag</title>
<p>Het geval Van Heeckeren roept vragen op, omdat het niet past in het al lang bestaande en overheersende beeld van het investeringsgedrag in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw. Dat plaatje, onder meer geschetst door Michael Wintle, is als volgt. Anders dan in Groot-Brittanni&#x00EB;, Spanje, Oost-Europa en Frankrijk, waar land tot in de negentiende eeuw als de belangrijkste inkomstenbron en investeringsobject gold, konden de investeerders in Nederland, dat gedomineerd werd door een van de meest ge&#x00FC;rbaniseerde en rijkste gebieden van Europa: de kustprovincies Holland en Zeeland, vooral tot de &#x2018;<italic>town-based bourgeoisie rather than a landed aristocracy or squirearchy</italic>&#x2019; gerekend worden. Dat wil zeggen dat het overschot aan particulier geld in Nederland voor een relatief groot deel ge&#x00EF;nvesteerd was in waardepapieren, met name in staatsobligaties uit binnen- en buitenland. De Nederlandse overheid, koning Willem I in het bijzonder, had in de eerste helft van de negentiende eeuw grote behoefte aan kapitaal uit de markt en de vermogensbezitters, en zeker de rentenierende rijke Amsterdammers, zo wordt vaak aangenomen, waren gaarne bereid dat te verstrekken. De rendementen waren hoog en de investeringen relatief veilig. Erg weinig werd er ge&#x00EF;nvesteerd in het bedrijfsleven en wat men in het westen van Nederland aan onroerend goed bezat, bestond vooral uit molens, pakhuizen, woningen en buitenplaatsen.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref></p>
<p>Het investeringsgedrag van Van Heeckeren laat echter zien dat het heel anders kon toegaan in Nederland. Het geval Van Heeckeren was bovendien niet uniek. Kuiper heeft al in 1993 opgemerkt dat het vermogen van de Friese elite in de negentiende eeuw vooral in onroerend goed was ge&#x00EF;nvesteerd. Volgens een ruwe schatting van Jaap Moes zou tussen 1850 en 1890 van bijna de helft van de vermogens van de Nederlandse adel grond het belangrijkste bestanddeel hebben gevormd. De adel was dankzij het nobilitatiebeleid van de koningen Willem I en II flink in omvang toegenomen. Moes signaleert ook grote regionale verschillen. In 1870 zou de helft van de door hem als aparte categorie onderscheiden &#x2018;aristocratische&#x2019; grootgrondbezitters in Nederland met minimaal vijfhonderd hectare aan grond, in Gelderland en Overijssel hebben gewoond, waarvan veruit de meesten in de eerstgenoemde provincie. Overigens waren lang niet alle grootgrondbezitters van adel.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Regionale benadering van het investeringsgedrag: de theorie en de onderzoeksvragen</title>
<p>Financi&#x00EB;le investeringen vormen een belangrijke motor voor economische ontwikkeling en groei. Kennis over wat beleggers met hun vermogen deden, biedt enig inzicht in waarom de economie van een land zich in een bepaalde richting ontwikkelde, al geeft dit de nodige discussie. Zo zou het feit dat op de belangrijkste kapitaalmarkt van Nederland, namelijk Amsterdam, nauwelijks belegd werd in het bedrijfsleven, het gevolg zijn van een conservatieve houding van de beleggers en een ontoereikende financi&#x00EB;le infrastructuur, met als resultaat dat de industrialisatie in de negentiende eeuw ernstig vertraagd werd. Ander onderzoek laat echter zien dat de Amsterdamse kapitaalmarkt zeer geavanceerd was en dat industri&#x00EB;len geen vreemd vermogen nodig hadden. Die in Twente, waar de textielindustrie tot grote bloei kwam na 1850, zouden destijds zelfs een overschot aan kapitaal gehad hebben.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref></p>
<p>Hoewel de overheid en semi-gouvernementele organisaties grote investeringen deden, kwam het meeste kapitaal bij particulieren vandaan. De beste informatie tot nu toe over wat Nederlanders met hun geld deden en die de basis vormde voor het betoog van Wintle, komt uit een publicatie van Verstegen (tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref>). De tabel, het resultaat van een macro-economische benadering, geeft een helder maar globaal beeld. Er is aanleiding om de structuur van het particulier bezit per regio nauwkeuriger te onderzoeken en de private investeerder dicht op de huid te gaan zitten, zodat het beeld scherper wordt.</p>
<table-wrap id="tab1">
<label>Tabel 1</label>
<caption><title>De structuur van het particulier bezit in Nederland 1807-1895 (in procenten)</title></caption>
<table id="table1" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.30*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
<col width="0.10*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Categorie</th>
<th>1807</th>
<th>1831/32</th>
<th>1843/44</th>
<th>c. 1855</th>
<th>c. 1865</th>
<th>c. 1880</th>
<th>c. 1895</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Onroerend goed</td>
<td>35</td>
<td>39</td>
<td>38</td>
<td>38</td>
<td>42</td>
<td>39</td>
<td>31</td>
</tr>
<tr>
<td>Binnenlandse effecten en leningen overheid</td>
<td>19</td>
<td>13</td>
<td>22</td>
<td>19</td>
<td>14</td>
<td>6</td>
<td>6</td>
</tr>
<tr>
<td>Aandelen en obligaties binnenlandse bedrijven</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>2</td>
<td>5</td>
<td>8</td>
</tr>
<tr>
<td>Buitenlandse effecten</td>
<td>19</td>
<td>21</td>
<td>12</td>
<td>15</td>
<td>14</td>
<td>22</td>
<td>28</td>
</tr>
<tr>
<td>Overig</td>
<td>27</td>
<td>28</td>
<td>28</td>
<td>28</td>
<td>28</td>
<td>28</td>
<td>37</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron: Wybren Verstegen, &#x2018;National wealth and income from capital in the Netherlands, 1805-1910&#x2019;,</italic> Economic and Social History in the Netherlands <italic>7 (1996) 102.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Hoewel investeren in de eerste plaats een economische handeling is, wordt in deze bijdrage bekeken of de nader te onderzoeken geografische verscheidenheid in het beleggingsgedrag van mensen geduid kan worden met behulp van het begrip investeringscultuur. Deze binnen de wetenschap nauwelijks gebezigde term is afgeleid van het begrip consumptiecultuur. Naar consumptiecultuur of, anders gezegd, naar materi&#x00EB;le cultuur is al veel onderzoek gedaan. Dat onderzoek wees onder meer uit dat mensen zich met hun uitgaven voor meubels, rijtuigen, schilderijen, sieraden, woningen en buitens probeerden te onderscheiden, niet alleen van personen uit andere sociale lagen, maar ook van groepen in andere regio&#x2019;s.</p>
<p>Het is bekend dat de Amsterdamse elite in grote grachtenhuizen resideerde en dat een aantal uit deze groep over luxe buitenplaatsen beschikte. Die buitenhuizen met tuinen kregen in de negentiende eeuw volgens de literatuur een steeds prominentere rol in de behoefte om rijkdom en succes te tonen en werden, meer nog dan de grachtenhuizen, zo lang mogelijk in de familie gehouden. Er was sprake van <italic>gentryfication</italic> van de Amsterdamse regentenelite. Dat bleek ook uit het feit dat sommige rijke stedelingen in het huwelijk traden met leden van de (land)adel om meer status te verwerven. Mensen uit deze laatste groep, zoals de bovengenoemde Van Heeckeren, permitteerden zich op hun beurt omvangrijke landgoederen. Op veel locaties in het oosten en het westen van het land vond &#x2018;een enorme activiteit aan ontginningen, parkaanleggen, en villabouw plaats&#x2019;, zo schrijven Kuiper en Van der Laarse. Daar waren aanzienlijke bedragen mee gemoeid en die kunnen moeilijk consumptieve uitgaven genoemd worden, maar waren investeringen. Deze hadden dus een culturele component. Dat blijkt ook uit het feit dat rijke Hollandse burgers in de achttiende eeuw in heerlijkheden belegden en daarmee feitelijk de titel &#x2018;heer&#x2019; kochten. Onroerend goed vormde echter niet meer dan een deel van de investeringsportefeuille, en hoewel Kuiper en Van der Laarse vanwege de investeringen daarin tot de conclusie kwamen dat er sprake was van &#x2018;amalgamering van hofadel en haute bourgeoisie&#x2019;, belegde niet iedereen evenveel van zijn of haar kapitaal in vastgoed.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref></p>
<p>Theoretisch gezien kan men investeringscultuur scharen onder wat economen en economisch historici de institutionele omgeving of kortweg &#x2018;instituties&#x2019; noemen. Die instituties, in de breedste betekenis van het woord, zijn en waren volgens hen van grote invloed op de ontwikkeling van de economie. Daaronder verstaan zij alle (ongeschreven) regels, wetten en gewoonten die het economisch verkeer mogelijk maken (of bemoeilijken).<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> In dit onderzoek naar beleggingen gaat het niet om het traceren van de invloed van wetgeving op dit terrein, want die stelde destijds niet veel voor en was, voor zover aanwezig, binnen Nederland min of meer gelijk, althans na 1795. Het gaat er vooral om meer inzicht te krijgen in de gebruiken, tradities en behoeften die daarbij een rol speelden, en de eventuele veranderingen daarin onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen. Vanwege die focus op gewoonten lijkt &#x2018;investeringscultuur&#x2019; een bruikbaarder begrip, en het is in ieder geval een meer tot de verbeelding sprekende term dan institutionele omgeving. Deze term impliceert bovendien dat er, zoals al gezegd, regionale verschillen bestonden in investeringsgedrag. De in dit artikel te beantwoorden vragen luiden dan ook: hoe besteedden vermogenden hun kapitaal en zijn er wat dat betreft regionale verschillen te traceren? Wat waren de beweegredenen om te kiezen voor een bepaald beleggingsgedrag en had dat gevolgen voor de (regionale) economie? Bestond of ontstond er naast het burgerlijk-stedelijk investeringsgedrag een rurale variant? En zo ja, kan men dan spreken van cultuurverschillen in beleggingsgedrag? Kortom, werden private investeringen in de regio bepaald door de daar heersende investeringscultuur?</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>De onderzoekspopulatie, de onderzochte periode en de bronnen</title>
<p>Om het contrast tussen een stedelijk en een ruraal investeringspatroon goed uit de verf te laten komen, wordt het onderzoek enerzijds gericht op de bestuurders in Amsterdam en anderzijds op die in Overijssel en Gelderland. De Amsterdamse bestuurlijke toplaag geldt als de ultieme vertegenwoordiger van de rijke stedelijke elite. Een groot aantal regenten was daarnaast actief in de financi&#x00EB;le wereld.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref> De provincies zijn interessant vanwege de vele bestuurders van adel en omdat daar, met name in Twente, na 1850 op grote schaal de industrie opkwam, een proces dat de nodige investeringen vergde. Deze politieke elites vormden de dominante en per regio enigszins homogene groepen en het is tamelijk eenvoudig vast te stellen wie daartoe behoorden.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> Dat laatste vergemakkelijkt de afbakening van de onderzoekspopulatie. Bestuurders zullen weliswaar niet altijd trendsetters zijn geweest, maar hadden, zo wordt aangenomen, vaak een voorbeeldfunctie voor andere, vooral rijke beleggers. Onder bestuurders worden hier met name de vroedschaps- en gemeenteraadsleden, burgemeesters en wethouders in Amsterdam en de statenleden, gedeputeerden en commissarissen van de koningin in de provincies verstaan. De verwachting was, en dat lijkt ook uit de literatuur over de Amsterdamse bestuurders naar voren te komen, dat zij meestal over veel geld beschikten.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref></p>
<p>Voor dit onderzoek zijn vooral de memories van collaterale successie gebruikt. Dit zijn vermogensspecificaties die op gezag van de landelijke overheid opgemaakt zijn na het overlijden van mensen zonder kinderen, die een vermogen nalieten hoger dan een paar honderd gulden, teneinde daarover successiebelasting te innen. Indien een memorie van een bestuurder een relatief klein vermogen beschrijft, is, als hij gehuwd was, altijd de memorie van zijn vrouw erbij gezocht om te bepalen of zijn memorie een goed beeld geeft van hun welstand. Was de vrouw veel rijker dan de man, dan is (ook) haar memorie gebruikt. Vaak betreffen de memories echter het gezamenlijke vermogen. Een enkele keer is tevens de memorie van de kinderen gebruikt, maar alleen wanneer zij heel kort na hun ouders waren overleden. Als bijvangst tijdens de zoektocht naar vermogensspecificaties zijn een paar memories van rijke lokale en stedelijke bestuurders in het oosten geselecteerd.</p>
<p>Het onderzoek beslaat de periode 1780-1878 (1880). Het jaar 1780 is als beginpunt gekozen omdat Amsterdam destijds nog het belangrijkste financi&#x00EB;le centrum van Europa was, waar veel buitenlandse overheden leningen plaatsten en dat was van invloed op het investeringsgedrag.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Het jaar 1878 geldt als eindjaar omdat toen na een lange hausse de agrarische depressie begon en grond, zoals tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref> suggereert, minder aantrekkelijk werd als investeringsobject dan voorheen.</p>
<p>De memories vanaf 1818 zijn over heel Nederland doorgaans bewaard gebleven. Er zijn daarnaast in familiearchieven en in het notariaat boedelscheidingen te traceren. Die zijn vergelijkbaar met de memories, maar betreffen ook mensen met kinderen. De boedelscheidingen zijn minder goed te vinden. Toch konden er een paar voor dit onderzoek gebruikt worden. Ook zijn enkele financi&#x00EB;le administraties in familiearchieven bekeken om informatie over de ontwikkeling en herkomst van vermogens te achterhalen en beleggers een tijd te kunnen volgen. Hoewel een aantal textielondernemers tot het Overijsselse bestuur waren doorgedrongen (zie hierna), zijn er geen goede memories van bestuurders annex textielondernemer gevonden. Om toch iets te kunnen zeggen over hun investeringen, zijn vermogensspecificaties van andere fabrikanten gebruikt. De bruikbaarheid van de memories voor dergelijk onderzoek is al lang geleden bewezen.<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref></p>
<p>Alle memories van bestuurders en textielondernemers die te vinden en van goede kwaliteit waren uit de betreffende gebieden zijn geselecteerd. Van Amsterdamse erflaters gestorven tussen 1863 en 1878 zijn geen memories bewaard gebleven. Wel zijn enkele boedelscheidingen over de periode tot 1868 gevonden. Maar anders dan in Overijssel en Gelderland zijn er in de achttiende en begin negentiende eeuw ook van de vermogens van Amsterdamse erflaters zonder kinderen memories opgesteld. In totaal zijn zo&#x2019;n 125 vermogensspecificaties van bestuurders geraadpleegd, waarvan alleen de daarvoor geschikte, 116 in totaal, in de tabellen zijn verwerkt. Men mag ervan uitgaan dat de oudste memories van Overijssel en Gelderland vermogens betreffen die vanaf eind achttiende eeuw zijn opgebouwd.</p>
<p>Omdat het aantal bruikbare vermogensspecificaties vanwege de geselecteerde populatie beperkt is, zijn de gegevens daaruit per tijdvak gebundeld om de veranderingen goed te kunnen laten zien. Dat betekent dat de verschuivingen in investeringsgedrag feitelijk schematisch worden weergegeven. Op basis van de Amsterdamse bronnen konden vier perioden tussen 1780 en 1868 onderscheiden worden (tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>) en op basis van die uit Gelderland en Overijssel drie tijdvakken tussen (1813) 1818-1878 (tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>). De jaren 1794/95 (rondom einde Republiek), 1813/14 (rondom aantreden Willem I) en 1840/41 (rondom aftreden Willem I) zijn historische cesuren die invloed gehad kunnen hebben op het beleggingsgedrag. In tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref> is daarnaast 1860/61 als cesuur beschouwd voor een evenwichtige periode-indeling. Vanwege de beschikbare bronnen loopt de onderzoeksperiode voor Amsterdam niet volledig parallel met die voor Gelderland en Overijssel, maar dat heeft het verkrijgen van een helder beeld van de ontwikkelingen niet belemmerd.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Het investeringsgedrag in Amsterdam, 1780-1868</title>
<p>Tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref> laat zien dat de Amsterdamse bestuurders tussen 1780 en 1840 rond de 70 procent in binnen- en buitenlandse waardepapieren belegden. Daarbij ging het om vele miljoenen guldens.<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> Aanzienlijk meer dan het landelijke gemiddelde, dat toen, althans tussen 1807 en 1844, tussen de 34-39 procent lag. Wel zijn er belangrijke verschuivingen te zien. Nadat de investeringen in binnenlandse overheidspapieren na 1795 sterk opliepen, namen ze na 1813 weer snel af. Dit laatste lijkt een landelijke trend, maar waar op nationaal niveau de interesse voor overheidsleningen later weer groeide, verminderden de rijke Amsterdammers hun belangen daarin. Dat is een opvallende ontwikkeling, want de behoefte van de overheid, met name van koning Willem I, aan kapitaal groeide almaar en de staatsschulden liepen enorm op en vormden tot ver na het aftreden van Willem I een groot probleem. De Amsterdamse bestuurders hadden echter liever buitenlandse waardepapieren dan binnenlandse staatsobligaties, zo bleek al aan het einde van de achttiende eeuw, toen de schuld van Holland ook hoog was. Dit terwijl de rentestand in Nederland structureel hoger was dan in bijvoorbeeld Engeland, waar tot 1840 veel Amsterdams kapitaal heen ging. Dat de Amsterdammers in de Bataafs-Franse tijd meer in het binnenland belegden, had niet veel te maken met veranderde voorkeuren, maar meer met de overheid die de export van kapitaal bemoeilijkte en dat had volgens Brugmans een remmend effect.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref></p>
<p>Dat de elite na 1813 relatief weinig deelnam in binnenlandse staatsleningen, blijkt ook uit haar geringe belangstelling voor obligaties van het zogeheten Amortisatie Syndicaat, dat tussen 1823 en 1840 functioneerde. Deze instelling had een flink aandeel in de toenemende binnenlandse staatsschulden, terwijl zij juist was opgericht om die te verminderen. Willem I gebruikte dit echter als een particulier fonds om projecten buiten de staatskas en regering om te financieren. In Amsterdam was slechts 1,5 procent van het kapitaal van de elite in die tijd aan het Syndicaat uitgeleend. Dat de fondsen van dit Syndicaat voor een groot deel werden gebruikt om de aanleg van kanalen te financieren, zoals het Noordhollandsch Kanaal, was kennelijk niet relevant.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref> Infrastructuur nam sowieso, blijkens tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>, tot eind jaren zestig een kleine plaats in in de investeringsportefeuille van de Amsterdamse bestuurders, en ze hadden al helemaal geen belangen in de spoorwegen.</p>
<p>Het is niet zo vreemd dat het Syndicaat weinig kapitaal van de elite aantrok, omdat Oranje traditioneel bij velen binnen de Amsterdamse bestuurlijke en financi&#x00EB;le wereld niet goed lag. Daarnaast speelden de zorg om de staatsfinanci&#x00EB;n en het gebrek aan vertrouwen in het vermogen van de koning om dit probleem op te lossen een rol bij deze terughoudendheid. Na 1840, toen Willem I was afgetreden, was het gedaan met het Syndicaat en werden de schulden gesaneerd. Vanaf de jaren vijftig werd de staatsschuld verder afgelost en dat is terug te zien in de beleggingsportefeuille van alle investeerders (tabellen <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref>, <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>, en <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>).<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref></p>
<table-wrap id="tab2">
<label>Tabel 2</label>
<caption><title>Samenstelling van het vermogen van de bestuurlijke elite in Amsterdam in procenten, 1780-1868</title></caption>
<table id="table2" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.40*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
<col width="0.15*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Belegd in:</th>
<th>1780-1794 (n=10)</th>
<th>1795-1813 (n=11)</th>
<th>1814-1840 (n=14)</th>
<th>1841-1868 (n=12)</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Onroerend goed in Amsterdam</td>
<td>8,1</td>
<td>7,8</td>
<td>3,2</td>
<td>3,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Onroerend goed buiten Amsterdam</td>
<td>5,1</td>
<td>7,6</td>
<td>5,2</td>
<td>10,9</td>
</tr>
<tr>
<td>Roerend goed<xref ref-type="table-fn" rid="tab2fn1">*</xref></td>
<td>-</td>
<td>1,8</td>
<td>1,7</td>
<td>5,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Koloni&#x00EB;n en plantages</td>
<td>1,9</td>
<td>3,1</td>
<td>0,6</td>
<td>0,5</td>
</tr>
<tr>
<td>Handelscompagni&#x00EB;n (VOC, NHM)</td>
<td>11,3</td>
<td>3,5</td>
<td>1,2</td>
<td>2,2</td>
</tr>
<tr>
<td>De Nederlandsche Bank</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>0,5</td>
<td>2,3</td>
</tr>
<tr>
<td>Het bedrijfsleven</td>
<td>0</td>
<td>0,5</td>
<td>2,8</td>
<td>2,8</td>
</tr>
<tr>
<td>Eigen bedrijf</td>
<td>0</td>
<td>0</td>
<td>5,6</td>
<td>6,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Amortisatie Syndicaat</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>1,5</td>
<td>0,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Binnenlandse overheidspapieren</td>
<td>28,7</td>
<td>45,5</td>
<td>26,1</td>
<td>15,8</td>
</tr>
<tr>
<td>Infrastructuur</td>
<td>-</td>
<td>-</td>
<td>0,5</td>
<td>0,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Buitenlande obligaties en aandelen</td>
<td>39,0</td>
<td>26,3</td>
<td>39,9</td>
<td>36,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Particuliere leningen</td>
<td>5,7</td>
<td>3,4</td>
<td>6,4</td>
<td>11,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Contanten en banktegoeden<xref ref-type="table-fn" rid="tab2fn1">*</xref></td>
<td>-</td>
<td>0,2</td>
<td>4,3</td>
<td>1,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Overig</td>
<td>0,2</td>
<td>0,3</td>
<td>0,4</td>
<td>0,4</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bronnen: Stadsarchief Amsterdam (SA), archnr. 5046, inv. 46, 48, 49,50, 52, 53, 55, 60, 61, 63, 66, 67; SA, archnr. 195, inv. 212, 214; SA, archnr. 5075, inv.19487, 20045A; SA, archnr. 88, inv.276; SA archnr. 922, inv.164; Collectie Six; Noordhollands Archief Haarlem (NAH), archnr. 178, inv. 214, 249, 282, 286, 303, 315, 328, 385, 402, 446, 501, 527, 577, 580, 629, 668, 678, 692, 731,737, 752; Het Utrechts Archief (HUA), archnr. 67, inv.651</italic></p>
<fn-group>
<fn id="tab2fn1" symbol="*"><p><italic>V&#x00F3;&#x00F3;r 1818 werden meubels en dergelijke, contant geld en vermogens op bank- en kredietrekeningen niet apart in de memories vermeld, vaak wel in andere vermogensspecificaties.</italic></p></fn>
</fn-group>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Ook in de verdere investeringen veranderde het een en ander. Verrassend is de sterke vermindering van de belangen in de grote handelscompagnie&#x00EB;n gericht op Azi&#x00EB; en Amerika, van 11,3 procent in de periode tot 1795 naar maximaal 2,2 procent in de tijdvakken vanaf 1814. Omdat de opheffing van de VOC eind achttiende eeuw een flinke aderlating was, zou men verwachten dat de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM), opgericht in 1824 door de koning om de handel met Azi&#x00EB; en in het bijzonder met Nederlands-Indi&#x00EB; weer op gang te brengen en die voor veel activiteit in de Amsterdamse haven en scheepsbouw zorgde, een aantrekkelijk alternatief was voor de bestuurders. Ook dit wijst op anti-Oranje gevoelens die van oudsher bij een aantal regentenfamilies leefden en die gevoed werden door de irritatie over dit initiatief, hoewel de Amsterdammers bij de lancering van het plan opgetogen waren en voor miljoenen inschreven. Dit enthousiasme ebde meteen weg toen duidelijk werd dat het hoofdkantoor niet in Amsterdam kwam. Het feit dat de koning garant stond voor een vaste hoge rente hielp kennelijk niet. De stedelijke trots was gekrenkt.</p>
<p>Van de in 1814 door hem opgerichte Nederlandsche Bank werd men, ondanks de kortstondige miljoeneninvestering in deze bank door de Amsterdamse Johanna Borski, evenmin blij in de stad, met name omdat men deze instelling een tijd lang als concurrent beschouwde.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref> Dat blijkt ook uit tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>. In de derde in deze tabel onderscheiden periode hadden de veertien bestuurders slechts iets meer dan 60.000 gulden aan aandelen in deze bank, 0,5 procent van hun kapitaal. Nader onderzoek naar wie de belangrijkste aandeelhouders waren zou, vooral gezien de recente conclusies ten aanzien van het slavernijverleden van de bank en zijn bestuurders, relevant zijn.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> In dit verband zou ook meer onderzoek gedaan moeten worden naar de rechtstreekse belangen van de Amsterdamse politieke en financi&#x00EB;le elite in de koloni&#x00EB;n en de plantages daar, die, naar het zich nu laat aanzien, in verhouding tot hun totale vermogens beperkt waren. Joan Huydecoper, belangrijke bestuurder van de bank en betrokken bij de slavernij, had bij zijn overlijden in 1836 een kapitaal van 2,4 miljoen, waarvan zo&#x2019;n 1500 gulden in Suriname was belegd en, opvallend genoeg, niets in de Nederlandse Bank. Wel had hij belangen in de NHM, in het Amortisatie Syndicaat en in andere staatschulden.</p>
<p>De toenemende investeringen in het bedrijfsleven betroffen grotendeels kapitaalinjecties in het opkomende en lucratieve verzekeringswezen. Daarnaast groeide het vermogen in het eigen bedrijf, waaruit blijkt dat na 1814 bestuurders minder rentenierden dan daarvoor, maar actief waren in bankwezen en handel. In de nijverheid werd nauwelijks geld gestoken. Al met al waren rechtstreekse investeringen buiten de financi&#x00EB;le economie beperkt. Wel werd er steeds meer geld geleend aan particulieren. Wat er met dat kapitaal werd gedaan is moeilijk te achterhalen, maar niet ondenkbaar is dat dit wel ten dele in de opkomende industrie werd gepompt.</p>
<p>Tot slot de ontwikkelingen in het bezit aan onroerend goed. Hoewel de meeste bestuurders gedurende de onderzoekperiode een woning hadden in Amsterdam, doorgaans aan de chique Heren- of Keizersgracht, nam de waarde van hun stedelijke onderkomens sterk af. Dat had onder meer te maken met de algehele daling van de prijzen van huizen als gevolg van de leegloop van de stad. Belangrijker was de toename van het vermogen belegd in vaste goederen buiten de stad. Dat verdubbelde na 1840. Hier speelde de prijsontwikkeling eveneens een rol. Na een flinke stijging van de grond- en pachtprijzen na 1795, daalden ze vanaf 1817 om na circa 1835 weer scherp omhoog te gaan.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref> Dat is zichtbaar in tabel <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>, maar ook het grondbezit van de Amsterdamse bestuurders bleek flink te zijn uitgebreid. De waarde van onroerend goed in verhouding tot het totale vermogen van de meeste rijken uit de hoofdstad bleef evenwel gering.</p>
<p>Joan Huydecoper bijvoorbeeld bezat bij zijn dood zo&#x2019;n 200.000 gulden aan onroerend en roerend goed. Dat bedrag vormde zo&#x2019;n 8 procent van zijn vermogen, dat hij overigens vooral aan Sophia Adriana ten Hove te danken had met wie hij in 1795 was gehuwd en die in 1818 was gestorven. Naar aanleiding van dat voor Joan lucratieve huwelijk schreef zijn diepgelovige vader dat dat vermogen &#x2018;meer dan zomtijds nuttig en nodig&#x2019; voor hem was en maande hij hem er geen misbruik van te maken en het niet alleen in te zetten &#x2018;om uwe grootheijt of uwe begeertens te voldoen&#x2019;, maar ook &#x2018;wel te doen, van die deugden te practiseeren welke het evangelium en onse groote meester zo sterk aanprijsen&#x2019;. Hoewel Joan met behulp van het geld van zijn vrouw in 1797 kasteel Groeneveld en grond bij Baarn kocht en later een prachtig grachtenpand had, lijkt hij het advies van zijn vader, gezien de relatief geringe investering in vastgoed en inboedel, opgevolgd te hebben en zijn welvaart inderdaad niet al te opzichtig ge&#x00EB;taleerd te hebben, zoals ook de regenten in de zeventiende eeuw gewoon waren te doen. Zijn vermogen zat voor ruim 90 procent in (buitenlandse) waardepapieren en leningen en die enorme rijkdom was onzichtbaar voor de buitenwereld. Ook zijn vader, grootvader en overgrootvader, eveneens rijke bestuurders van Amsterdam, belegden vooral en steeds meer in effecten, hoewel zij ook een flink buiten hadden. En ondanks het predicaat van jonkheer waarmee Joan zich sinds 1814 onderscheidde &#x2013; hij was de eerste in zijn familie &#x2013; en dat hij zich heer van Maarsseveen en Neerdijk noemde, was zijn investeringsgedrag burgerlijk.<xref ref-type="fn" rid="fn23" specific-use="fn"><sup>23</sup></xref> Een uitzondering binnen de onderzoekspopulatie uit Amsterdam vormde het grootgrondbezit van Andries Cornelis Willem Munter, raadslid tussen 1814-1831 en jonkheer. Zijn vermogen van meer dan een miljoen gulden bestond bij zijn dood in 1861 voor ruim de helft uit (on)roerend goed, waaronder Huis Doorn en bijbehorend land, een kleine 600 hectare groot.<xref ref-type="fn" rid="fn24" specific-use="fn"><sup>24</sup></xref> Overigens hadden lang niet alle bestuurders een buiten, alleen de allerrijksten konden zich dat permitteren.</p>
<p>Hoewel de veranderingen in het beleggingsgedrag van de rijke Amsterdammers tussen 1780 en 1870 groot waren, kan geconcludeerd worden dat het sterk afweek van dat van de gemiddelde Nederlander.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Het investeringsgedrag in Overijssel en Gelderland, 1814-1878</title>
<p>De provinciale bestuurlijke elite had gemiddeld veel minder te besteden dan de Amsterdamse bestuurders, maar de verschillen in rijkdom waren binnen beide groepen erg groot. Beide groepen telden multimiljonairs als mensen met een vermogen beneden de 100.000 gulden, maar vrijwel elke bestuurder kon leven van zijn eigen kapitaal en/of van dat van zijn vrouw. De Gelderse en Overijsselse bestuurlijke toplaag investeerde minder in binnenlandse en vooral minder in buitenlandse waardepapieren dan de Amsterdammers, maar veel meer in onderhandse leningen en kredieten tegen onderpand, zoals hypotheken (tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>). Er zijn duidelijk aanwijzingen dat de leningen ten dele werden verstrekt aan &#x2018;gewone&#x2019; mensen in de buurt, al dan niet via een notaris. Ook werd geld geleend aan standgenoten.<xref ref-type="fn" rid="fn25" specific-use="fn"><sup>25</sup></xref></p>
<table-wrap id="tab3">
<label>Tabel 3</label>
<caption><title>Samenstelling van het vermogen van de bestuurlijke elite in de provincies Gelderland en Overijssel in procenten, 1814-1878</title></caption>
<table id="table3" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.40*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Belegd in:</th>
<th>1818-1840 (n=33)</th>
<th>1841-1860 (n=17)</th>
<th>1861-1878 (n=19)</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Onroerend goed</td>
<td>17,4</td>
<td>54,8</td>
<td>55,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Roerend goed</td>
<td>3,8</td>
<td>3,7</td>
<td>1,8</td>
</tr>
<tr>
<td>Koloni&#x00EB;n en plantages</td>
<td>1,1</td>
<td>0,3</td>
<td>0,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Handelscompagnie&#x00EB;n (NHM)</td>
<td>0,1</td>
<td>2,9</td>
<td>1,4</td>
</tr>
<tr>
<td>De Nederlandsche Bank</td>
<td>0,6</td>
<td>1,1</td>
<td>1,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Het bedrijfsleven</td>
<td>0,7</td>
<td>0,7</td>
<td>1,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Eigen bedrijf</td>
<td>1,4</td>
<td>0,0</td>
<td>0,0</td>
</tr>
<tr>
<td>Amortisatie Syndicaat</td>
<td>7,3</td>
<td>0,5</td>
<td>0,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Binnenlandse overheidspapieren</td>
<td>17,5</td>
<td>14,8</td>
<td>8,9</td>
</tr>
<tr>
<td>Infrastructuur</td>
<td>1,4</td>
<td>2,0</td>
<td>0,9</td>
</tr>
<tr>
<td>Buitenlandse obligaties en aandelen</td>
<td>13,1</td>
<td>10,6</td>
<td>20,9</td>
</tr>
<tr>
<td>Particuliere leningen</td>
<td>27,5</td>
<td>6,4</td>
<td>3,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Contanten en banktegoeden</td>
<td>7,1</td>
<td>1,5</td>
<td>4,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Overig</td>
<td>1,0</td>
<td>0,9</td>
<td>0,3</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bronnen: Collectie Overijssel Zwolle (COZ), archnr. 0136,4, inv. 22, 95, 380, 398, 403, 653, 716, 750, 818, 829, 839, 862, 871, 1055, 1067, 1085, 1086, 1090, 1120, 1275, 1334, 1346, 1367, 1386, 1391, 1401, 1402, 1410, 1419, 1421, 1423; GAA, archnr. 0034, inv. 3, 4, 6, 9, 11, 14, 16, 18, 20, 22, 27, 28, 32, 34, 35, 40, 45, 46, 47, 51, 54, 59, 62, 71, 80, 83, 86, 87, 99, 100, 102, 110.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<fig id="fg2">
<label>Illustratie 2</label>
<caption><title>Marie Corn&#x00E9;lie van Wassenaer Obdam. Portret vervaardigd door Jan Baptiste van der Hulst (bron: internet publiek domein)</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.12917_fig2.jpg"/>
</fig>
<p>Na 1840 bleken deze leningen grotendeels te zijn afgebouwd en de provinciale bestuurders hadden daarvoor in de plaats op grote schaal grond gekocht en meer buitenlandse waardepapieren. Het ging om een ongekende verschuiving in beleggingsgedrag. Wanneer de geest definitief uit de fles kroop is niet precies vast te stellen, maar wel helder is dat sommige bestuurders al v&#x00F3;&#x00F3;r 1840 waren begonnen met de uitbreiding van hun landgoederen, zoals Jan baron van Pallandt van Walfort (1776-1844). Het is niet precies vast te stellen hoeveel grond hij bij zijn dood naliet, omdat de verdeling gedurende twee decennia in etappes geschiedde en er tussentijds grond werd verkocht. Helder is dat zijn erfgenamen na zijn dood in 1844 meer dan duizend hectare hadden te verdelen, ten minste 2,5 keer zoveel als hij bezat bij de eerste kadastrale metingen, die in de jaren 1820 plaatsvonden. De totale waarde van zijn erfenis is tussen zijn dood en de laatste verdeling in 1867 nog flink gegroeid door de prijsstijging van de grond en kan uiteindelijk op zo&#x2019;n 1,3 miljoen gesteld worden, voornamelijk ge&#x00EF;nvesteerd in land.<xref ref-type="fn" rid="fn26" specific-use="fn"><sup>26</sup></xref></p>
<p>Ook Jacob Dirk (of Derk) Carel van Heeckeren van Wassenaer en zijn aan het begin van dit verhaal opgevoerde verre familielid Van Heeckeren van Enghuizen begonnen al voor 1840 met het kopen van grond. Het investeringsgedrag van Van Heeckeren van Wassenaer en zijn familie is over langere tijd te volgen dankzij het archief dat zij hebben nagelaten en dat geeft een unieke inkijk in de ontwikkeling van hun vermogen. Van Heeckeren van Wassenaer bemachtigde in 1831 een paar miljoen door met zijn nicht Corn&#x00E9;lie van Wassenaer te huwen. Haar vermogen kwam vooral van haar vader Jacob Unico Willem van Wassenaer, die in 1812 stierf. Corn&#x00E9;lie was toen 13 jaar oud. De moeder van Van Wassenaer was de Amsterdamse Jacoba Elisabeth van Strijen, die hem &#x2013; hij was haar enige overgebleven erfgenaam uit een tweede huwelijk &#x2013; in 1806 ruim 2,9 miljoen naliet, waarvan slechts 7 procent in onroerend goed was ge&#x00EF;nvesteerd. Toen Corn&#x00E9;lie in 1850 zelf stierf, liet zij 3,6 miljoen na. Dat kapitaal was voor 60 procent belegd in grond en huizen. De waardepapieren van haar grootmoeder en vader waren voor een groot deel omgezet in vastgoed.<xref ref-type="fn" rid="fn27" specific-use="fn"><sup>27</sup></xref> Baron van Heeckeren van Enghuizen was dus niet de enige die op grote schaal in waardepapieren belegd Amsterdams geld in grond investeerde.</p>
<p>Het hele vermogen van Corn&#x00E9;lie ging naar haar man. Toen hij stierf in 1875 liet hij ruim 13 miljoen na, waarvan 7,5 miljoen aan onroerend goed. Hij bezat ruim tienduizend hectare aan grond verspreid over Nederland. Daarvan had hij een aanzienlijk deel zelf aangekocht. In Twente ging het vaak om grond die na verdeling van marken was verkregen en vervolgens door pachters werd ontgonnen. Die uitbreidingen begonnen in de jaren dertig. Landgoed Twickel, eigendom van Corn&#x00E9;lie, was kort naar haar huwelijk een kleine 1700 hectare groot. In 1855, vijf jaar na haar dood, mat het landgoed ruim 4200 hectare en in 1873 bleek ruim 400.000 gulden aan grondaankopen rond Twickel te zijn besteed. Er werd daarnaast ge&#x00EF;nvesteerd in nieuwe boerderijen en in het aanleggen van bossen. De agrarische hausse en de ontginningen maakten bovendien een flinke verhoging van de pachten mogelijk en het jaarlijkse inkomen uit bepaalde landerijen groeide tussen 1857 en 1872 van circa 17.200 tot 28.200 gulden. Zijn tweede vrouw bracht niet veel geld binnen, maar hij erfde nog wel na de dood van zijn moeder in 1866. Ook zijn ouders hadden in de loop van de tijd veel grond gekocht. In totaal erfde hij voor ruim 800.000 gulden aan goederen van hen en van eerder overleden ongehuwde zusjes en een broer. Voor zover bekend heeft hij niets van anderen ge&#x00EB;rfd. Hij had sinds 1850 &#x2013; misschien had hij eerder een bruidsschat meegekregen &#x2013; een kleine 4,5 miljoen via nalatenschappen ontvangen, terwijl hij zelf ruim driemaal zoveel naliet.<xref ref-type="fn" rid="fn28" specific-use="fn"><sup>28</sup></xref> Zijn inkomen als bestuurder was verhoudingsgewijs gering.</p>
<p>Dat laatste gold ook voor Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oije. Zijn bestuurlijke en politieke loopbaan was evenwel prachtig; hij was onder andere minister en commissaris van de Koning in Gelderland, maar werd steeds rijker door onder meer te investeren in (het ontginnen van) land. Geboren als telg van een niet erg welvarende tak van het geslacht, erfde hij in 1816 van een oudoom met dezelfde naam op zestienjarige leeftijd een vermogen van netto zo&#x2019;n 350.000 gulden. Het merendeel daarvan was ge&#x00EF;nvesteerd in landgoed de Pol in Voorst en nabijgelegen grond. Met behulp van dat geld en het kapitaal van zijn twee echtgenotes wist hij het landgoed en zijn welvaart aanzienlijk te vergroten. Hij liet bij zijn dood in 1872 1,4 miljoen na. Waarschijnlijk had hij toen al het nodige aan bruidsschatten meegegeven. Hij had meer geld in land belegd dan in waardepapieren.<xref ref-type="fn" rid="fn29" specific-use="fn"><sup>29</sup></xref></p>
<p>Het kapitaal van deze afstammelingen van oude adellijke families werd dus zeer goed belegd en een groot deel vermogensaanwas kwam uit de waardestijging van en inkomsten uit grond. Hierbij moet aangetekend worden dat hun grondbezit getaxeerd werd tijdens een agrarische hausse. Investeren in grond kon goed lonen, al is niet duidelijk wat zij naast de aankoopprijs uitgaven aan ontginningen en andere verbeteringen. Waardestijging van grond was echter niet vanzelfsprekend. Die kon zomaar vervliegen, zoals na 1817 en na 1878 gebeurde toen de landbouw instortte. Er zou meer onderzoek gedaan moeten worden, maar het rendement van grond lijkt op lange termijn kleiner dan dat van waardepapieren. Dit bleek bijvoorbeeld toen na het overlijden van Van Heeckeren van Wassenaer de erfenis werd opgemaakt. Toen werd ook berekend hoeveel inkomsten hij gemiddeld per jaar over zijn bezittingen had genoten. Die berekeningen wezen uit dat onroerend goed veel minder inkomsten genereerde, namelijk 2,7 procent, dan obligaties en leningen samen, te weten 4,5 procent.<xref ref-type="fn" rid="fn30" specific-use="fn"><sup>30</sup></xref></p>
<fig id="fg3">
<label>Illustratie 3</label>
<caption><title>Huis de Pol. Willem Anne Schimmelpenninck van der Oije erfde dit huis en bijbehorend landgoed in 1816. (bron: internet publiek domein)</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.12917_fig3.jpg"/>
</fig>
<p>Het streven naar winst kan dan ook niet de reden zijn geweest van het toenemende grondbezit onder bestuurders. Misschien dat de behoefte aan spreiding van de risico&#x2019;s een rol heeft gespeeld. De Bataafs-Franse tijd was voor bezitters van waardepapieren, behalve voor mensen met vooral Engelse schuldbrieven, een slechte periode geweest en voor grondeigenaren juist een zeer goede.<xref ref-type="fn" rid="fn31" specific-use="fn"><sup>31</sup></xref> Met dit in het achterhoofd en hoewel de grondprijzen daalden na 1817 is men wellicht massaal grond gaan kopen. Van Heeckeren van Enghuizen had echter minder reden om de papieren van zijn vrouw te verkopen, want zoals al bleek had haar familie de miljoenen vooral in Engelse fondsen gestoken. Het deel van hun vermogen dat Gelderse en Overijsselse beleggers in obligaties hadden zitten, was aan het begin van de negentiende eeuw bovendien gemiddeld veel kleiner dan wat de Amsterdammers daarin hadden ge&#x00EF;nvesteerd. De verliezen op waardepapieren zullen in de provincie minder traumatisch zijn geweest dan in de stad, hoewel de Amsterdammers onverstoorbaar vasthielden aan waardepapieren en daar op de lange termijn toch goed mee wegkwamen.</p>
<p>Was de grote afstand tot de belangrijkste financi&#x00EB;le markt en de als gevolg daarvan gebrekkige informatie daarover een bezwaar? Het feit dat de provinciale elite aanvankelijk meer dan een kwart van het gezamenlijke vermogen aan leningen had uitstaan bij streekgenoten, waarbij geen sprake was van informatieachterstand, lijkt dat bevestigen. Maar die afstand was nauwelijks een bezwaar. Veel bestuurders, zoals Van Heeckeren, reisden regelmatig naar het westen, correspondeerden intensief met zakelijke relaties daar en waren goed op de hoogte van wat er gaande was op de financi&#x00EB;le markt en schuwden de aanschaf van waardepapieren niet, zoals al bleek. Jan Willem Hendrik Teding van Berkhout (1797-1877), statenlid en gedeputeerde in Overijssel, wist van wanten op de Amsterdamse beurs en was een succesvolle speculant daar, hoewel hij vooral in de uitbreiding van zijn landgoed investeerde.<xref ref-type="fn" rid="fn32" specific-use="fn"><sup>32</sup></xref> Met de verbetering van de verbindingen werd die afstand bovendien steeds gemakkelijker te overbruggen. Een aantal bestuurders in het oosten kwam overigens uit het westen, zoals Jan van de Poll, gedeputeerde in Overijssel, en Paulus Straalman, lid provinciale staten van Gelderland, beiden zonen van Amsterdamse burgemeesters.</p>
<p>Het verwerven van politieke macht was evenmin een drijfveer om het kapitaal grotendeels in grond te steken. Tot 1850 waren de eisen ten aanzien van het bezit aan &#x2018;ongebouwde eigendommen&#x2019; om toegelaten te worden tot de ridderschap, een kiescollege voor de adel dat uit haar midden Statenleden koos, niet hoog, althans niet voor vermogenden. Men kon zelfs zonder land toegelaten worden, namelijk met minimaal duizend gulden aan inkomen uit binnenlandse staatsleningen (Grootboek Werkelijke Schuld). De financi&#x00EB;le eisen om namens de zogeheten stedelijke of landelijke stand in de Staten te kunnen komen, waren lager. Na 1850 werden er helemaal geen vermogens- of inkomenseisen meer gesteld om een politieke functie in de provincie te mogen bekleden.<xref ref-type="fn" rid="fn33" specific-use="fn"><sup>33</sup></xref></p>
<p>Een sociaal-culturele verklaring ligt daarom meer voor de hand. Toenemend standsbesef moet mensen van oude adel sinds Nederland weer een koninkrijk was gestimuleerd hebben om hun aanzien te vergroten door, naar buitenlands voorbeeld, hun landgoederen te verfraaien en uit te breiden. De Nederlandse adel spiegelde zich onder meer aan Engelse edellieden. Van Heeckeren van Wassenaer bezocht Engeland regelmatig en bezichtigde daar enorme landgoederen en huizen die als exemplarisch golden. Ook de Oranjes en met name Willem II waren een voorbeeld voor hem. Willem II was een verwoed kunstverzamelaar, liet parken aanleggen, verfraaide zijn paleizen en de baron, die in zijn jonge jaren vaak aan het hof vertoefde, kopieerde dat gedrag. Aan het investeringsgedrag is dat te zien, met name aan het bezit aan landgoederen. Ook Willem II had bijna de helft van zijn vermogen in onroerend goed zitten. Zijn broer zelfs nog meer. Hoewel met tegengestelde effecten, fungeerden de Oranjes in zekere zin als katalysator voor zowel de provinciale bestuurders als die uit Amsterdam; terwijl het koningshuis in de hoofdstad vaak irritatie opwekte, vond het in de provincie vooral navolging. Dit laatste lijkt met Willem III nog meer het geval te zijn geweest. De zoon van Willem II, vanaf 1849 koning, vertoefde vaak op Het Loo. Daar ontving hij zijn gelijken regelmatig, zoals Willem Anne Schimmelpenninck van der Oije die hij, hoewel een stuk ouder, als een goede vriend beschouwde. De heren vonden elkaar onder meer in de liefde voor hun landgoederen, het buitenleven, de land- en bosbouw en de jacht.<xref ref-type="fn" rid="fn34" specific-use="fn"><sup>34</sup></xref></p>
<p>Niet alleen provinciale bestuurders van oude adel belegden meer in grond, ook anderen deden dat in een hang naar aristocratisch aanzien. Johannes Albertus Sandberg, die maar liefst vijftig jaar gedeputeerde in Overijssel was, kocht, gezien de toenemende aanslag in de grondbelasting na 1850, steeds meer grond. In 1842 werd hij net zoals zijn vader en broers in de adelstand verheven. Bij zijn dood bestond zijn vermogen van ruim zeven ton voor twee derde uit vastgoed. De genoemde Teding van Berkhout, jonkheer maar van Hollandse burgerlijk-stedelijke komaf, kocht met het kapitaal van zijn Haarlemse vrouw steeds meer grond in Overijssel. Tussen 1850 en 1860 nam hun aanslag in de grondbelasting met 120 procent toe. Zijn vrouw stierf in 1878; op dat moment was hun kapitaal van 7,5 ton voor twee derde in grond belegd. Teding van Berkhout gedroeg zich als een echte landjonker, die op zijn landgoed Hoenlo op klompen rondliep en in dialect met zijn pachters communiceerde. Zijn Hollandse familieleden, onder wie het Amsterdamse raadslid James John Teding van Berkhout, belegden vooral in waardepapieren. Antoni Brants, geboren en getogen in Amsterdam, was een afstammeling van een rijke hoofdstedelijke koopmansfamilie en was onder meer gehuwd met een dochter van de bekende Gelderse landgoedeigenaar en dichter Staring, Gelders gedeputeerde. Hoewel niet van adel, werd Brants grootgrondbezitter in Gelderland en belegde hij meer dan de helft van zijn vermogen in land. Zijn Amsterdamse oom Mattheus Pieter Brants, raadslid in de hoofdstad, had niet meer dan 10 procent van zijn enorme kapitaal in land ge&#x00EF;nvesteerd.<xref ref-type="fn" rid="fn35" specific-use="fn"><sup>35</sup></xref></p>
<p>Landbezit was voor de meeste bestuurders in het oosten een statussymbool. Dat betekent niet dat veel landgoedeigenaren niet hun best deden om de investeringen in grond, althans een deel daarvan, rendabeler te maken. Een aantal, onder wie bovengenoemde Gelderse en Overijsselse bestuurders, toonde zich zeer actief op dit terrein, en het was niet toevallig dat de landbouw in het oosten van het land een inhaalslag maakte. Volgens Thorbecke waren mensen als Schimmelpenninck zelfs iets te vaak met hun landgoed bezig en te weinig met besturen. In het groeiend landbezit en toenemende rijkdom bij de bestuurders in het oosten kan men een bevestiging zien, dat, zoals niet zo lang geleden werd vastgesteld, het platteland zich emancipeerde en zelfbewuster en invloedrijker werd.<xref ref-type="fn" rid="fn36" specific-use="fn"><sup>36</sup></xref></p>
<p>De bestuurders in Gelderland en Overijssel investeerden steeds meer in land, ook iets meer in buitenlandse papieren en nog wat in infrastructuur. Opvallend is, dat zij in vergelijking met de Amsterdammers tot 1840 een veelvoud in het Syndicaat hadden uitstaan, terwijl zij verhoudingsgewijs veel minder in de staatsschuld als geheel hadden gestoken. Niet iedere bestuurder in het oosten was gelukkig met de toestand van de staatsfinanci&#x00EB;n, maar als de koning min of meer persoonlijk aanklopte voor geld, kon de provinciale toplaag kennelijk moeilijker weigeren.<xref ref-type="fn" rid="fn37" specific-use="fn"><sup>37</sup></xref></p>
<p>Ook opmerkelijk is dat zij nauwelijks belegden in de ontluikende industrie niet ver van hun landgoederen. Er werd wel eens aan een fabrikant een klein kapitaal uitgeleend, maar veel was het niet. Jan Dirk Carel van Heeckeren kon de schoorstenen van nieuwe fabrieken bijna vanaf Twickel zien staan, maar toen in 1865 in Hengelo de Nederlandsche Katoenspinnerij werd opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 450.000 gulden, kocht hij slechts een aandeel van 1000 gulden. Vooral de kapitaalintensieve spinnerijen die in die tijd in Twente in rap tempo werden opgericht, hadden vreemd vermogen nodig en dat kwam grotendeels uit Holland. Voor zover is vast te stellen kwam dat geld niet bij de regenten vandaan. Geen enkele bestuurder uit het bestand had veel geld in de textiel zitten, maar die bestonden wel (zie hierna).<xref ref-type="fn" rid="fn38" specific-use="fn"><sup>38</sup></xref></p>
<p>Met dat bestand is nog wel een relevant onderscheid te maken tussen de politieke elite in de provinciesteden en die op het platteland. Tabel <xref ref-type="table" rid="tab4">4</xref> is gemaakt op basis van de plaats waar het overlijden is geregistreerd. Dat onderscheid lijkt het beeld verder te verscherpen. Ook de provinciale stedelijke bestuurders waren niet of weinig ge&#x00EF;nteresseerd in de nijverheid. Maar hun investeringsgedrag vertoonde duidelijke burgerlijk-stedelijke kenmerken. Dat gold nog meer voor dat van enkele bestuurders in de provincie met sterke Amsterdamse connecties, zoals burgemeesterszonen Paulus Straalman, Jan van de Poll en ook Jan Hendrik van Kinsbergen, die eerst een lange loopbaan in (dienst van) Amsterdam had alvorens hij bestuurder in Gelderland werd. Anders dan Antoni Brants en Jan Willem Hendrik Teding van Berkhout bezaten ze vooral waardepapieren. Bepalend voor iemands investeringsgedrag was kennelijk tot welke groep hij zichzelf rekende.<xref ref-type="fn" rid="fn39" specific-use="fn"><sup>39</sup></xref></p>
<p>De Amsterdammers en andere stedelingen zouden ook nog om praktische redenen relatief weinig in grond belegd kunnen hebben. Immers, waardepapieren zijn gemakkelijker te managen dan land. Een stedeling kon de ontwikkelingen rond zijn landbezit niet altijd van nabij volgen. Bovendien hadden de Amsterdamse bestuurders gemiddeld veel meer kapitaal te beleggen dan de provinciale elite en het lijkt logisch dat vanwege het beheer daarvan mensen met veel kapitaal verhoudingsgewijs meer in waardepapieren staken dan mensen met weinig vermogen. De praktijk was echter anders. Alleen de rijkste Amsterdammers hadden naast hun huis in de stad een buiten. En ook de grootgrondbezitters in het oosten waren vaak afwezig. Absente&#x00EF;sme was geen uitzondering. Van Heeckeren van Wassenaer had zowel in Overijssel als in het westen veel land en was vaak in het westen en daarnaast veel in het buitenland. Zijn broer, eigenaar van een groot landgoed bij Ruurlo, bracht de meeste tijd in Den Haag door. Dat was geen reden om zich niet intensief met het landgoed bezig te houden. Ook Schimmelpenninck van der Oije was tijdens zijn ministerschap regelmatig in het westen. De oplossing voor dit probleem was een rentmeester die de boel kon waarnemen en met wie de landgoedeigenaars intensief correspondeerden.<xref ref-type="fn" rid="fn40" specific-use="fn"><sup>40</sup></xref></p>
<table-wrap id="tab4">
<label>Tabel 4</label>
<caption><title>Samenstelling van het vermogen van bestuurders in de stad en op het platteland in Gelderland en Overijssel in procenten, 1841-1878</title></caption>
<table id="table4" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.50*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Belegd in:</th>
<th>Stad<xref ref-type="table-fn" rid="tab4fn1">*</xref> (n=20)</th>
<th>Platteland (n=16)</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td><bold>Onroerend goed</bold></td>
<td>35,6</td>
<td>67,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Roerend goed</td>
<td>2,4</td>
<td>2,7</td>
</tr>
<tr>
<td>Koloni&#x00EB;n en plantages</td>
<td>0,4</td>
<td>0,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Handelscompagnie&#x00EB;n (VOC, NHM)</td>
<td>2,1</td>
<td>2,1</td>
</tr>
<tr>
<td>De Nederlandsche Bank</td>
<td>1,6</td>
<td>0,8</td>
</tr>
<tr>
<td>Belangen in bedrijfsleven</td>
<td>1,8</td>
<td>0,4</td>
</tr>
<tr>
<td>Eigen bedrijf</td>
<td>0,0</td>
<td>0,0</td>
</tr>
<tr>
<td>Amortisatie Syndicaat</td>
<td>0,2</td>
<td>0,4</td>
</tr>
<tr>
<td>Binnenlandse overheidspapieren</td>
<td>14,0</td>
<td>10,0</td>
</tr>
<tr>
<td>Infrastructuur</td>
<td>1,8</td>
<td>1,1</td>
</tr>
<tr>
<td>Buitenlandse obligaties en aandelen</td>
<td>29,4</td>
<td>8,5</td>
</tr>
<tr>
<td>Particuliere leningen</td>
<td>7,6</td>
<td>3,2</td>
</tr>
<tr>
<td>Contanten en banktegoeden</td>
<td>2,8</td>
<td>3,0</td>
</tr>
<tr>
<td>Overig</td>
<td>0,4</td>
<td>0,6</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>100</td>
<td>100</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p>Bronnen, zie tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>.</p>
<fn-group>
<fn id="tab4fn1" symbol="*"><p>= Arnhem, Deventer, Kampen, Nijmegen, Zutphen, Zwolle.</p>
</fn>
</fn-group>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>De reden dat bestuurders met grote investeringen in de industrie in het bestand ontbreken, is onder meer dat veel Twentse memories verloren zijn gegaan. Maar zeker is dat verschillende textielondernemers bestuurder waren in de negentiende eeuw. Ook zij hadden die positie verworven dankzij hun rijkdom en de als gevolg daarvan hoge belastingaanslag, maar dan vooral in de patentbelasting.<xref ref-type="fn" rid="fn41" specific-use="fn"><sup>41</sup></xref> De vraag is hoeveel kapitaal ze in hun bedrijf hadden gestoken. Men moet het vooral doen met gegevens van andere textielfabrikanten. Dat mensen uit het bestand nauwelijks in de textielnijverheid hadden belegd, is overigens al veelzeggend: het laat zien dat de werelden van bij elkaar levende rurale elites gescheiden waren.</p>
<p>Er zijn enkele bruikbare achttiende-eeuwse boedelbeschrijvingen gepubliceerd van textielfabrikanten. Een daarvan is de inventaris van Herman van Lochum, &#x2018;grootmeester der Twentsche linnen- en Bombazijnindustrie in de 18<sup>e</sup> eeuw (&#x2026;) een der stichters van de katoenindustrie in Twente&#x2019;. Toen hij in 1782 stierf, liet hij een vermogen na van ruim 100.000 gulden, dat voor twee derde ge&#x00EF;nvesteerd was in zijn eigen bedrijf, vooral in voorraden en vorderingen en weinig in kapitaalgoederen. Zijn zoon die in 1795 overleed, was toen al enige jaren uit het bedrijf, maar had eveneens nog grote belangen in de textielbranche, vooral in de vorm van uitstaande leningen.<xref ref-type="fn" rid="fn42" specific-use="fn"><sup>42</sup></xref></p>
<p>Ook uit vermogensspecificaties tussen 1818 en 1878 blijkt dat het investeringsgedrag van deze mensen sterk afweek van dat van de politieke elite uit de tabellen. Barend Bavink ten Cate stierf in 1824 en liet toen ruim een ton na. Uit de memorie blijken zijn belangen in de textielnijverheid. Een huis en twee &#x2018;fabrijkhuizen&#x2019; van samen 10.000 gulden, 1450 gulden aan &#x2018;fabrijk gereedschappen&#x2019; en ruim 34.000 gulden aan &#x2018;gemaakte fabrijkgoederen&#x2019; en &#x2018;ongefabriceerde ruwe stoffen&#x2019;. Daarnaast 11.500 gulden aan vorderingen. De rest zat in onroerend goed, waaronder een klein buiten, en effecten. Nicolaas Hendrik ten Cate uit Almelo, die in 1795 koopman in linnen werd genoemd maar voor zijn dood in 1830 met zijn bedrijf was gestopt, had bijna 60.000 gulden van zijn vermogen, dat in totaal 256.000 gulden groot was, belegd in de trijpfabriek van de erven Warner en Willink te Amsterdam. Daarnaast had hij een paar prolongaties ter waarde van enige tienduizenden guldens ten laste van verschillende verzekeringsbedrijven. Zulke grote belangen in het bedrijfsleven, zeker verhoudingsgewijs, zijn niet bij de bestuurders aangetroffen. De doopsgezinde Ten Cate had daarnaast overigens ruim 88.000 gulden van zijn vermogen belegd in onroerend goed, waaronder &#x2018;koopmanshuizen&#x2019; aan de Herengracht in de hoofdstad en een buiten. Zijn vrouw stierf in 1840; bij haar dood beschikte zij over ruim een half miljoen en had zij ruim een ton uitstaan bij het bedrijfsleven. Grond en binnenlandse staatsschulden waren daarnaast de grootste posten in haar portfolio. Een derde Ten Cate, Adam uit Hengelo, liet in 1837 80.000 gulden na. Hij had voor ruim 15.500 gulden aan katoen liggen, voor 6500 gulden aan gesponnen garen, voor 10.500 gulden aan fabrieksgoederen en daarnaast had hij veel te vorderen van klanten. Kortom, ook zijn vermogen zat voor een groot deel in zijn bedrijf. Hendrik Jan van Heek spande in dit verband wellicht de kroon. Hij was lid van de Enschedese gemeenteraad maar zijn memorie is niet volledig en is dus buiten het bestand gehouden. Hij was zeer rijk geworden dankzij zijn activiteiten in de textielnijverheid en overleed in 1872: hij liet een vermogen na van 2,5 miljoen gulden. Ruim 4,3 ton daarvan zat in voorraden, 1,2 miljoen in geleverde goederen, 448.000 gulden in &#x2018;handel&#x2019; en 25.000 in weverijen, smederij en timmerij, kantoor en magazijnmeubilair. Grotendeels risicovolle beleggingen.<xref ref-type="fn" rid="fn43" specific-use="fn"><sup>43</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Stedelijke en rurale investeringscultuur</title>
<p>Aangenomen mag worden dat het beheer van hun kapitaal de volle aandacht genoot van de miljonairs en tevens bestuurders Joan Huydecoper uit Amsterdam, Jacob Dirk Carel van Heeckeren uit Delden, Hendrik Jan van Heek uit Enschede en andere kapitaalkrachtige politici uit Amsterdam en het oosten. De zorg voor het priv&#x00E9;kapitaal bepaalde grotendeels hun handelingen in het economische verkeer. Vermogensbeheer nam veel tijd in beslag. Daarbij ging het in de eerste plaats om het behoud van hun kapitaal voor zichzelf en het nageslacht, maar zeker ook om de vermeerdering van hun vermogen. Tot zover de overeenkomsten, want de wijze waarop ze dat kapitaal beheerden verschilde sterk per gebied. Zowel in het oosten als in Amsterdam week die volledig af van het algemene beeld van het investeringsgedrag dat uit tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref> naar voren komt.</p>
<p>Op basis van het betoog kan hier en tot slot geconcludeerd worden dat die regionale verschillen slechts tot op zekere hoogte economisch zijn bepaald en dat gewoonten, tradities, sociaal-politieke verhoudingen en idee&#x00EB;n over hoe status en aanzien te etaleren een grote rol speelden bij de keuzes ten aanzien van investeringen. Kortom, conform de theorie was de institutionele, of beter gezegd, de culturele omgeving van grote invloed op de bestemming van particulier kapitaal. Men kan spreken van investeringscultuur en zeggen dat die sterk verschilde tussen Amsterdam enerzijds en de oostelijke provincies anderzijds, wat het uiteenlopende beleggingsgedrag van de elite verklaart. Ook laat het bovenstaande zien dat die regionale cultuur niet onveranderlijk was, maar wijzigde onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de bestuurlijke veranderingen na 1795 en 1813.</p>
<p>Door de focus van dit onderzoek op onder meer de bestuurlijke elite in Amsterdam zijn de investeerders in de negentiende eeuw die door Wintle als burgerlijk-stedelijk worden bestempeld veel scherper in beeld gebracht, mede dankzij de vergelijking van deze groep met de tevens in kaart gebrachte beleggende elite in het oosten. De bestuurlijke elite uit de hoofdstad had tot circa 1840 ongeveer 70 procent van haar vermogen in waardepapieren uitstaan. Dat was veel meer dan de gemiddelde Nederlander van destijds in effecten had belegd. De bestuurders hadden sinds de achttiende eeuw een voorkeur voor buitenlandse effecten, ook al nam de behoefte aan kapitaal bij binnenlandse overheden en de koning, dat laatste met name na 1813, enorm toe. Terwijl de staatsschulden tot ongekende hoogte opliepen en het rendement op leningen aan de overheid profijtelijk was, nam de belangstelling van de Amsterdamse elite voor binnenlandse staatsobligaties na 1813 af. De speeltjes van koning Willem I, dat wil zeggen het Amortisatie Syndicaat en de NHM en zelfs de Nederlandsche Bank lieten de vermogende Amsterdammers eveneens grotendeels koud, ook al brachten de beleggingen daarin goed geld op. Rendement telde kennelijk minder zwaar bij beleggingen dan de behoefte om vooral in het buitenland te investeren, zoals men dat al vele decennia deed, uitgezonderd de Bataafs-Franse tijd. Ook speelde de oude stedelijke trots hierbij een rol, gevoed door anti-Oranjegevoelens, die men overigens eveneens traditioneel kan noemen. Wat wel steeds meer telde voor de elite waren het buitenverblijf en het landgoed, maar gezien de door het christelijke geloof ingegeven aarzeling haar welvaart uitbundig te etaleren en de relatief geringe beleggingen in onroerend goed, leek de Amsterdamse investeringscultuur steeds minder op die van de plattelandselite. Hoewel in de laatste publicaties over de Amsterdamse elite en de door haar gedomineerde kapitaalmarkt gepoogd wordt deze te rehabiliteren in reactie op het oude beeld van gezapigheid, lijkt het erop dat de top van de Amsterdamse bestuurlijke en financi&#x00EB;le wereld uiterst conservatief was en vastzat in zijn oude gewoonten en sentimenten, kortom, in zijn investeringscultuur.</p>
<p>Het onderzoek laat ook zien dat zich in de negentiende eeuw rurale beleggingsculturen openbaarden. Het past in het beeld van een verschuivende balans tussen stad en platteland, zoals geschetst door Brusse en Mijnhardt. Meer en meer miljoenen, aangevuld door stedelijke kapitalen die aanvankelijk in effecten belegd waren en die via huwelijken naar het platteland vloeiden, werden in land ge&#x00EF;nvesteerd. Sinds Nederland een koning had, en in navolging van de adel elders, groeide de behoefte om land te kopen. Die kwam voort uit de wens van mensen van oude adel om zich, hoewel ze niet minder gelovig waren dan de Amsterdammers, een levensstijl aan te meten die zij beter bij hun stand vonden passen. Andere bestuurders in de buurt volgden de adel daarin, terwijl het kopen van doorgaans beter renderende obligaties in de provincie niet moeilijk was. Niettemin werd het platteland rijk, in ieder geval de toplaag daar, mede dankzij de stijgende grondprijzen als gevolg van de hausse in de landbouw. De leningen aan streekgenoten werden tegelijkertijd grotendeels afgebouwd, want deze gaven de elite minder status dan grondbezit. In lokale infrastructuur werd mondjesmaat geld gestoken. Hoewel het bij de aankoop van land niet in de eerste plaats om economisch gewin ging, deed de rurale elite haar best het land rendabeler te maken. Er werd op die wijze rechtstreeks ge&#x00EF;nvesteerd in de economie en dat maakte haar moderner dan de Amsterdammers.</p>
<p>De rurale politieke elite bleek wat betreft investeringscultuur in verschillende groepen uiteen te vallen. Zo hadden de beleggers in de provinciesteden andere voorkeuren dan die op het platteland. De meeste bestuurders in Overijssel hadden echter nauwelijks oog voor compleet nieuwe ontwikkelingen op het platteland, dicht bij hun almaar uitdijende landgoederen, namelijk de mechanisatie in de textielnijverheid, die veel kapitaal vereiste. Ze investeerden daarin vrijwel niets. De wereld van de grootgrondbezitters was volledig afgescheiden van de wereld van de ondernemers, die in welvaart lang niet altijd onderdeden voor leden van de eerste groep en goede winsten behaalden. De grootgrondbezitters waren daarmee dieven van hun eigen portemonnee. Het laat zien dat het begrip investeringscultuur de kern raakt en de oorzaak van de verschillen haarscherp weergeeft.</p>
<p>Dat de textielondernemers over veel kapitaal beschikten is wederom aangetoond, maar of ze genoeg hadden om de industrie uit te breiden naar wat mogelijk was geweest niet. Dat is ook niet aan te tonen, wel dat ze miljoenen guldens misliepen door het gedrag van de Amsterdammers en de grootgrondbezitters in de regio. Dit moet de economische ontwikkeling van Nederland destijds buiten de landbouw vertraagd hebben.</p>
</sec>
<sec id="s8">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Paul Brusse</bold> is sinds 1998 verbonden aan de Utrecht Universiteit als voltijds historisch onderzoeker. Hij houdt zich vooral bezig met de economische geografie binnen Nederland vanaf de late middeleeuwen tot nu.</p>
<p>E-mail: <email>p.brusse@uu.nl</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>Dit artikel is geschreven in het kader van het door NWO gefinancierde project <italic>Investment behaviour, political change and economic growth in the Netherlands 1780-1920.</italic> De auteur dankt Oscar Gelderblom, Piet van Cruyningen, Bas Machielsen, Joost Jonker, Wijnand Mijnhardt, Renger de Bruijn en Yme Kuiper voor hun commentaar.</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Jacob van Lennep,<italic>Dagboek 1823</italic>, 108, 109, <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.vanlennep.nl">www.vanlennep.nl</ext-link> (alle vermelde websites geraadpleegd juli en augustus 2021).</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>M. Mathijsen, <italic>Jacob van Lennep. Een bezielde schavuit</italic> (Amsterdam 2018) 136-142.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Johan E. Elias, <italic>De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795</italic> (Amsterdam 1963) 937. Volgens Elias stierf Elisabeth &#x2018;jong&#x2019;, maar dat is onjuist. J. Jonker, &#x2018;Hope, Henry, bankier en kunstverzamelaar&#x2019; op <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://resources.huygens.knaw.nl">http://resources.huygens.knaw.nl</ext-link>; <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.wiewaswie.nl">www.wiewaswie.nl</ext-link>. Alle biografische gegevens van de in dit artikel genoemde personen komen, tenzij anders vermeld, van <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861">https://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861</ext-link> en de daar genoemde bronnen.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>Gelders Archief Arnhem (GAA), archiefnummer (archnr.) 0168, inventarisnummer (inv.) 6938, 6939; GAA, archnr. 0036, inv. 87. Met dank aan Piet van Cruyningen die deze bronnen vond.</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>Michael Wintle, <italic>An economic and social history of the Netherlands, 1800-1920. Demographic, economic and social transition</italic> (Cambridge 2000) 93-108, citaat op 101.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Yme Kuiper, <italic>Adel in Friesland 1780-1880</italic> (Groningen 1993) 170-185; Jaap Moes, <italic>Onder aristocraten. Over hegemonie, welstand en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen, 1848-1914</italic> (Hilversum 2012) 40, 41, 43, 144-146, bijlage 1, 558, 634, 635.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>Joost Jonker, <italic>Merchants, bankers, middlemen. The Amsterdam money market during the first half of the 19th century</italic> (Amsterdam 1996) 17, 274; Jan Luiten van Zanden en Arthur van Riel, <italic>Nederland 1780-1914. Staat, instituties en economische ontwikkeling</italic> (Amsterdam 2000) 130, 131, 136, 346-351; Wintle, <italic>An</italic> e<italic>conomic and social history</italic>, 93.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Anton Schuurman &#x2018;Aards Geluk. Consumptie en de moderne samenleving&#x2019;, in: Anton Schuurman e.a. (red.), <italic>Aards Geluk. De Nederlanders en hun spullen van 1550 tot 1850</italic> (Amsterdam 1997) 11-29; Yme Kuiper en Rob van der Laarse, &#x2018;Inleiding&#x2019;, in: Rob van der Laarse en Yme kuiper (red.), <italic>Beelden van de buitenplaats. Elitevorming en notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw</italic> (Hilversum 2005) 9-25; Maarten Prins, &#x2018;Heren van Holland. Het bezit van Hollandse heerlijkheden onder adel en patriciaat (1500-1795), <italic>Virtus</italic> 22 (2015) 54.</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>Van Zanden en Van Riel, <italic>Nederland</italic>, 20-25.</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>Peter Hofland, <italic>Leden van de raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941</italic> (Amsterdam 1998) 50, 51.</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>Elias, <italic>De</italic> vroedschap; Hofland, <italic>Leden</italic>; <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861">http://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861</ext-link>.</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>Elias, <italic>De vroedschap</italic>, Hofland, <italic>Leden</italic>.</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>A.C. Carter, &#x2018;Dutch foreign investments 1738-1800. In the light of the Amsterdam Collateral Succession Inventories&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Geschiedenis</italic> 67 (1953) 27-38.</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>Carter, &#x2018;Dutch foreign investments&#x2019;; Kuiper, <italic>Adel</italic>.</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>Alle feitelijke informatie in dit betoog komt, indien niet anders aangegeven, uit de bronnen vermeld bij de tabellen.</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>I.J. Brugmans, <italic>Paardenkracht en mensenmacht. Sociaal-economische geschiedenis van Nederland 1795-1940</italic> (&#x2019;s-Gravenhage 1976) 19, 20; Van Zanden en Van Riel, <italic>Nederland</italic>, 196-198.</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p>Van Zanden en Van Riel, <italic>Nederland</italic>, 126, 127.</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p>Van Zanden en Van Riel, <italic>Nederland</italic>, 200, 201, 217, 416, 417; Jeroen van Zanten, <italic>Schielijk, winzucht en bedaard. Politieke discussie en oppositievorming 1813-1840</italic> (Amsterdam 2004) 133-167, 283-297.</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p>Van Zanden en Van Riel, <italic>Nederland</italic>, 139, 140, 146, 190, 200, 201.</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Karwan Fatah-Black e.a., <italic>Dienstbaar aan de keten. De Nederlandse Bank en de laatste decennia van de slavernij 1814-1863</italic>, (Leiden 2022).</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p>Zie: J.L. van Zanden, <italic>De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw, 1800-1914</italic> (Wageningen 1985) 122.</p></fn>
<fn id="fn23" symbol="23"><p>HUA, archnr. 67, inv. 151, 153, 441, 442, 447, 455, 462, 472, 474, 534, 503, 540, 546 (waaruit de citaten), 552, 672, 717, 977, 1124; Nationaal Archief (NA), archnr. 1.10.47, inv. 391, 392; SA, archnr. 5075, inv. 19487; Elias, <italic>De vroedschap</italic>, 92-3, 283, 384, 518, 519, 700, 701, 829, 918, 925-8; Hofland, <italic>Leden</italic>, 190-191. Vergelijk Simon Schama, <italic>Overvloed en onbehagen. De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw</italic> (Amsterdam 1988) en het commentaar van H.F.K. van Nierop op dit boek in <italic>BMGN</italic> 104:1 (1989) 51-56.</p></fn>
<fn id="fn24" symbol="24"><p>NAH, archnr. 178, inv. 752. Het bezit aan grond van Munter was een uitzondering, maar toch nog klein in vergelijking met dat van Arnoud Willem van Brienen, ook raadslid. Hij had bij zijn dood in 1854 tussen de 6500-7500 hectare (inclusief boerderijen, huizen, buitens, fabrieken) verspreid over Nederland, bezat ook land daarbuiten en liet toen ongeveer 23 miljoen gulden na, voor zover te overzien voor een groot deel belegd in waardepapieren. Zijn rijkdom was zo bijzonder dat deze buiten beschouwing is gelaten, te meer daar een goede vermogensspecificatie vooralsnog ontbreekt. Zijn woonhuis en buiten waren niettemin bescheiden voor iemand met zoveel geld. Hij was destijds mogelijk de rijkste man van Nederland, veel rijker dan koning Willem II (zie hierna). SA, archnr. 5075, inv. 21691; NAH, archnr. 178, inv. 675.</p></fn>
<fn id="fn25" symbol="25"><p>Via website <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.wiewaswie.nl">www.wiewaswie.nl</ext-link> zijn van sommige mensen genoemd in de memories de beroepen en status achterhaald.</p></fn>
<fn id="fn26" symbol="26"><p>GAA, archnr. 0168, inv. 6779, 6932, 6950; <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://www.hisgis.nl">www.hisgis.nl</ext-link>. Zijn vermogensspecificaties zijn vanwege onduidelijkheden niet verwerkt in tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>.</p></fn>
<fn id="fn27" symbol="27"><p>Archief Huis Twickel (AHT), inv. 729, 770a, 1063; COZ, archnr. 136.4, inv. 95.</p></fn>
<fn id="fn28" symbol="28"><p>AHT, inv. 1474, 2458.2, 2458.3, 2460, 2540, 2542; GAA, archnr. 0894, inv. 155; Aafke Brunt en Jan Haverkate, <italic>Tussen twee tijden. Het levensverhaal van Carel baron Van Heeckeren 1809-1875</italic> (Zwolle 2010) 29, 166-187. Zijn vermogensspecificatie is vanwege de enorme omvang niet in tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref> verwerkt, evenmin die van zijn verre familielid omdat die na 1878 is opgemaakt.</p></fn>
<fn id="fn29" symbol="29"><p>GAA, archnr. 0091, inv. 86; archnr. 0168 inv. 4699; M.A.M Franken, <italic>Willem Anne Schimmelpenninck van der Oije. Een notabel Gelders regent op het breukvlak der tijden 1760-1816</italic> (Utrecht 2011) 200-201, 210, 211, 248; M.A.M. Franken, <italic>Willem Anne Schimmelpenninck van der Oije (1800-1872). Uit de schaduw van Thorbecke</italic> (Utrecht 2018) 23-26. Zijn vermogensspecificatie is vanwege onduidelijkheden niet verwerkt in tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>.</p></fn>
<fn id="fn30" symbol="30"><p>AHT, inv. 1365.</p></fn>
<fn id="fn31" symbol="31"><p>James C. Riley, <italic>International government finance and the Amsterdam capital market 1740-1815</italic> (Cambridge 1980) 195-216.</p></fn>
<fn id="fn32" symbol="32"><p>C. Schmidt, <italic>Om de eer van de familie. Het geslacht Teding van Berkhout 1500-1950. Een sociologische benadering</italic> (Amsterdam 1986) 146-148.</p></fn>
<fn id="fn33" symbol="33"><p>Lodewijk Blok, <italic>Stemmen en kiezen</italic>. <italic>Het kiesstelsel in Nederland in de periode 1814-1850</italic> (Groningen 1987) 85, 86, 115, 177, 247; Moes, <italic>Onder aristocraten</italic>, 365-385 (bijlage 1).</p></fn>
<fn id="fn34" symbol="34"><p>NA, archnr. 2.21.005.34, inv. 53, archnr. 3.06.05, inv. 3784; Moes, <italic>Onder aristocraten</italic>, 229, 230; Brunt en Haverkate, <italic>Tussen twee tijden</italic>, 96, 142-46, 158-163; Dik van der Meulen, <italic>Koning Willem III 1817-1890</italic> (Amsterdam 2013) 441-449; Remieg Aerts, <italic>Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman</italic> (Amsterdam 2018) 478, 479.</p></fn>
<fn id="fn35" symbol="35"><p>NAH, archnr. 178, inv. 1042 (betreft memorie van de vrouw van James John); SA, archnr. 88, inv. 276, 335; CO, archnr. 0136.4, inv. 1436; Schmidt, <italic>Om de eer</italic>, 148, 149, 188, 189 Moes, <italic>Onder aristocraten</italic>, bijlage 2, 1007, 1166. De vermogensspecificatie van Sandberg is van 1883 en is daarom niet in de tabel opgenomen.</p></fn>
<fn id="fn36" symbol="36"><p>H.K. Roessingh en A.H.G Schaars, <italic>De Gelderse landbouw beschreven omstreeks 1825</italic> (Wageningen 1996) 33-51; Piet van Cruyningen, <italic>J.D.C. van Heeckeren en de vernieuwing van land- en bosbouw</italic>. Ongepubliceerd manuscript, zp, zj; Van Zanden, <italic>Economische ontwikkeling</italic>, 145-200; Paul Brusse en Wijnand W. Mijnhardt, <italic>Towards a new template for Dutch history. De-urbanization and the balance between city and countryside</italic> (Zwolle 2011) 80-90; Aerts, <italic>Thorbecke</italic>, 478.</p></fn>
<fn id="fn37" symbol="37"><p>Franken, <italic>Willem Anne Schimmelpenninck van der Oije (1800-1872)</italic> 66-70.</p></fn>
<fn id="fn38" symbol="38"><p>AHT, inv. 1364, 1365; <italic>Staatscourant</italic> van 4 augustus 1865; J.A.P.G Boot, <italic>De Twentsche katoennijverheid 1830-1873</italic> (Amsterdam 1935) 270-273.</p></fn>
<fn id="fn39" symbol="39"><p>Bronnen: zie onder de tabellen.</p></fn>
<fn id="fn40" symbol="40"><p>Zie noot 24; P.J. van Cryningen, <italic>Landgoederen en landschap in de Graafschap</italic> (Utrecht 2005) 94.</p></fn>
<fn id="fn41" symbol="41"><p>Er waren ten minste twaalf textielondernemers die tussen 1813 en 1861 aantraden als bestuurder (Statenlid) van Overijssel. Bron: <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861">http://resources.huygens.knaw.nl/repertoriumambtsdragersambtenaren1428-1861</ext-link>; Moes, <italic>Onder aristocraten</italic>, bijlage 2.</p></fn>
<fn id="fn42" symbol="42"><p>Z.W. Sneller, &#x2018;Boedelinventarissen van Twentsche entrepreneursgeslachten uit het laatst der 18<sup>de</sup> eeuw&#x2019;, <italic>BMGN</italic> 55 (1934) 34-38, 79-91.</p></fn>
<fn id="fn43" symbol="43"><p>COZ, archnr. 0136.4, inv. 11, 20, 26, 79, 538; A.L van Schelven, <italic>Onderneming en familisme. Opkomst, bloei en neergang van de textielonderneming Van Heek &#x0026; Co te Enschede</italic> (Leiden 1984) 149-156.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>