<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 365 0</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.12998</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.12998</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Arnaud-Dominique Houte, <italic>Propri&#x00E9;t&#x00E9; d&#x00E9;fendue. La soci&#x00E9;t&#x00E9; fran&#x00E7;aise &#x00E0; l&#x2019;&#x00E9;preuve du vol, XIVe-XXe si&#x00E8;cle</italic> (Parijs: Galimard, 2021). 377 p. ISBN 9872072880667.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Julia Zurn&#x00E9;</surname>
<given-names>Jan</given-names>
</name>
<aff>Radboud Universiteit Nijmegen</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>19</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>164</fpage>
<lpage>166</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Jan Julia Zurn&#x00E9;</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<copyright-holder>Jan Julia Zurn&#x00E9;</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Op 4 maart 1898 brengt rechter Paul Magnaud in heel Frankrijk een schok teweeg als hij weigert een 23-jarige dievegge een straf op te leggen. Louise M&#x00E9;nard heeft uit geldgebrek een brood gestolen omdat ze haar kinderen niet kon voeden. Volgens de rechter zou dat niet mogelijk moeten zijn in een goed georganiseerde samenleving. Het vonnis lokt een debat uit over noodtoestand en overmacht. Onder welke omstandigheden is diefstal geoorloofd, en hoe ver moet de staat gaan om priv&#x00E9;-eigendom te beschermen? Deze vragen raken aan de kern van Arnaud-Dominique Houtes ambitieuze en fascinerende boek <italic>Propri&#x00E9;t&#x00E9; d&#x00E9;fendue</italic>, waarvoor hij in 2021 de <italic>Prix du S&#x00E9;nat du livre d&#x2019;histoire</italic> won.</p>
<p>Doel van dit boek is om te begrijpen hoe in het negentiende- en twintigste-eeuwse Frankrijk een <italic>civilisation du vol</italic> werd gevestigd en langzaam weer begon af te brokkelen. In de negentiende eeuw werden langzaam maar zeker kapitalistisch-liberale idee&#x00EB;n over eigendom verankerd in de wet en in heersende moraliteitsopvattingen. Massamedia verspreidden die normen verder. In de twintigste eeuw bleven de gedeelde waarden lang standhouden, ondanks de impact van de wereldoorlogen. In de jaren zestig was de <italic>morale propri&#x00E9;taire</italic> in crisis. Een spectaculaire toename van het aantal diefstallen luidde het einde in van het oude repressieve model.</p>
<p>Als definitie van diefstal draait de auteur Proudhons bekende stelling &#x2018;eigendom is diefstal&#x2019; om: een geschiedenis van diefstal is tegelijkertijd een geschiedenis van eigendom &#x2013; en van de vraag hoe daarover in een samenleving gedacht wordt. Houte richt zich in dit boek niet zozeer op degenen die diefstal pleegden, maar op het institutionele (hoe reageerde de staat op diefstal?) en het emotionele perspectief (hoe gingen burgers om met de angst voor diefstal?).</p>
<p>De gebruikte bronnen zijn divers en van een overweldigende kwantiteit. De nadruk ligt op gerechtelijke bronnen uit een tiental departementen, waarbij Houte zich bewust is van de beperkingen ervan: er is alleen informatie over gerapporteerde criminaliteit en veel materiaal is vernietigd, want &#x2018;onbelangrijk&#x2019;. Door te focussen op de lange termijn en zich niet blind te staren op kwantitatieve analyse, slaagt Houte erin om een mooie indruk te geven van bij staatsinstellingen levende normen over diefstal. Daarnaast gebruikt hij (vooral regionale) journalistieke, literaire en cinematografische bronnen om de representatie van diefstal te bestuderen en diefstal als sociaal fenomeen te duiden.</p>
<p>Het boek is opgedeeld in drie delen, waarvan de eerste twee zich richten op de negentiende eeuw en de eerste drie decennia van de twintigste eeuw. In het eerste deel beschrijft Houte de <italic>civilisation de la propri&#x00E9;t&#x00E9;</italic> en de grenzen ervan. Terwijl diefstal in de loop van de negentiende eeuw meer en meer een alledaagse zaak werd, hechtte de samenleving in toenemende mate waarde aan eigendom &#x2013; of werd diefstal een alledaagse zaak <italic>als gevolg van</italic> de nadruk op priv&#x00E9;bezit? Op het platteland werd de traditionele praktijk van behoeftige personen die niet-geoogste gewassen bij elkaar mochten scharrelen steeds verder gereglementeerd. In de stad gold hetzelfde voor degenen die lompen en oud ijzer verzamelden.</p>
<p>In het tweede deel onderzoekt de auteur hoe eigendommen beschermd werden door de staat, door de priv&#x00E9;sector en door burgers zelf. Houte is gespecialiseerd in de geschiedenis van de politie en <italic>gendarmerie</italic>, wier rol in het voorkomen van diefstal en het opsporen van dieven hij uitgebreid behandelt. Burgers hadden zelf ook een grote verantwoordelijkheid in diefstalpreventie: zij werden geacht om met behulp van hekken, sloten, waakhonden, conci&#x00EB;rges en kluizen hun eigendommen te beschermen. De priv&#x00E9;markt speelde hierop in door technische hulpmiddelen en diefstalverzekeringen aan te bieden, al waren die maar voor een klein deel van de bevolking betaalbaar.</p>
<p>In het derde deel van het boek behandelt de auteur de jaren veertig tot en met zeventig van de twintigste eeuw. De Duitse inval in 1940 was het startschot van een <italic>cong&#x00E9; de la l&#x00E9;galit&#x00E9;</italic>: er werd massaal geplunderd en gestolen, ook door voorheen &#x2018;respectabele&#x2019; burgers. Voor de autoriteiten was het onmogelijk hiertegen op te treden, al bleef eigendomsrecht een centraal uitgangspunt dat zo veel mogelijk gerespecteerd diende te worden. In de jaren zestig nam het aantal reguliere diefstallen opnieuw sterk toe en steeg het gevoel van onveiligheid minstens even sterk. De staat probeerde hierop te reageren en zette daarbij in op voorlichtingscampagnes die burgers bewust moesten maken van manieren waarop ze zelf hun eigendommen konden beschermen. Daarmee werd ook de rol van commerci&#x00EB;le bedrijven weer groter.</p>
<p>Houte slaagt erin om op indrukwekkende wijze twee eeuwen denken over diefstal te vatten. De vergezichten hebben onvermijdelijk tot gevolg dat zijn focus ligt op grote lijnen en geleidelijke ontwikkelingen. Daardoor is de impact van breukmomenten voor de lezer niet altijd duidelijk. Zo omschrijft Houte enerzijds beide wereldoorlogen als &#x2018;uitzonderingstoestanden&#x2019; en begint hij anderzijds het derde deel van zijn boek met de &#x2018;schok&#x2019; van 1940, wat impliceert dat dit het begin van een nieuw tijdperk inluidde. Al met al is <italic>Propri&#x00E9;t&#x00E9; d&#x00E9;fendue</italic> echter een magistraal boek en hopelijk een inspiratiebron voor meer onderzoek naar diefstal in de contemporaine geschiedenis, ook in Nederland en Belgi&#x00EB;.</p>
</body>
</article>