<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 365 0</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.13004</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.13004</article-id>
<article-categories>
<subj-group>
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Elles Bulder, Marijn Molema en Vincent Tassenaar (red.), <italic>Spitten in de economische, sociale en regionale geschiedenis. Essays opgedragen aan prof. dr. Maarten Duijvendak bij zijn emeritaat</italic> (Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2021). 276 p. ISBN 9789087049737.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Bijsterveld</surname>
<given-names>Arnoud-Jan</given-names>
</name>
<aff>Tilburg University</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>12</month>
<year>2022</year>
</pub-date>
<volume>19</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>171</fpage>
<lpage>174</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Arnoud-Jan Bijsterveld</copyright-statement>
<copyright-year>2022</copyright-year>
<copyright-holder>Arnoud-Jan Bijsterveld</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Na zijn studie en promotie in Utrecht (1990) bekleedde Maarten Duijvendak tussen 2001 en 2012 aan de Rijksuniversiteit Groningen de bijzondere leerstoel &#x2018;Regionale geschiedenis in het bijzonder van de veranderingsprocessen in de agrarische samenleving van noordelijk Nederland&#x2019;. In het laatste jaar werd die omgezet in een gewone leerstoel Economische, sociale en regionale geschiedenis. Zijn proefschrift over elitevorming en machtsverhoudingen in oostelijk Noord-Brabant in de lange negentiende eeuw was een proeve van integrale geschiedenis, die beoogt economische, sociale, demografische en politieke processen in een bepaalde regio in samenhang te bestuderen. Deze benadering is Duijvendak ook in Groningen trouw gebleven, nu toegepast op het Groninger kleigebied in de periode 1760-1940. Zijn kunnen bewees Duijvendak vooral als mederedacteur van de <italic>Geschiedenis van Assen</italic> (2000) en de stadsgeschiedenis van Groningen (2003) en als hoofdredacteur van de <italic>Geschiedenis van Groningen</italic> (3 delen; 2008-2009).</p>
<p>Bij zijn emeritaat in 2021 ontving hij de hier besproken bundel met zestien artikelen met zeer uiteenlopende vraagstellingen en reikwijdte, verdeeld over drie thema&#x2019;s: economische ontwikkeling en sociale stratificatie; regionale en rurale vraagstukken; en de geschiedenis van Noord-Nederland. De artikelen beslaan de periode tussen de negentiende en de eenentwintigste eeuw, met &#x00E9;&#x00E9;n uitzondering: Willem M. Jongman toont in een reviewartikel dat op basis van tijdreeksen, ontwikkeld vanuit grote hoeveelheden archeologische data, gesteld kan worden dat er in het Romeinse Rijk sprake was van economische, demografische en technologische groei en vooruitgang. Herman de Jong en Joost Veenstra laten zien dat de economische ontwikkeling in Nederland ten tijde van de industrialisatie (1860-1930) uniek was omdat ze aanving in een samenleving met een ongekend hoog inkomensniveau, een hoge urbanisatiegraad en een groot aandeel van de beroepsbevolking in de nijverheid en de dienstensector. Maar de regionale verschillen waren groot: waar in het westen van het land de industrialisatie leidde tot een verschuiving van de agrarische naar de dienstensector, was in de landprovincies sprake van een &#x2018;klassieke&#x2019; verschuiving in de beroepsstructuur van de primaire naar de secundaire sector. Daniel W. Franken belicht aan de hand van militaire personeelsdossiers regionale patronen in de ontwikkeling van lichaamslengte in Brazili&#x00EB; tussen 1850 en 1950. Minghui Li beschrijft de vooruitgang van de vroedvrouwenzorg in verband met de sociaaleconomische ontwikkelingen in de centraal-Chinese stad Hankow in de jaren 1931-1949. Het artikel van Lex Heerma van Voss keert terug naar de overgang van de agrarische sector naar fabrieksmatige nijverheid en vervolgens de dienstensector. Hij stelt de vraag of aan de hand van het concept bestaansstrategie&#x00EB;n valt uit te maken of die rond 1920 dezelfde waren voor actieve vakbondsleden en doorsnee textielarbeiders in de Twentse textielindustrie. Hij vergelijkt de levenslopen van 58 arbeiders in Enschede en Lonneker die vakbondslid waren met die van een uit de HSN getrokken steekproef van 58 &#x2018;gewone&#x2019; textielarbeiders. Heerma van Voss analyseert de verschillen in mate van sociale stijging door onder meer onderwijs, trouwen met dochters uit een iets beter milieu en het laten werken van vrouwen en kinderen. Een opvallende constatering is dat de overgang van landbouw naar fabrieksarbeid niet altijd eenrichtingsverkeer blijkt te zijn geweest: Heerma van Voss ontwaart in de tweede groep 10 procent boerenzoons die waarschijnlijk naast hun werk in de fabriek meewerkten op hun vaders boerderij.</p>
<p>Onder de noemer regionale en rurale vraagstukken opent Hilde Bras met een artikel over regionale verschillen in de samenhang tussen culturele overtuigingen en vruchtbaarheid in Nederland. Zij doet dat aan de hand van een volkskundevragenlijst van het Meertens Instituut uit 1947 waarin gevraagd werd naar (semi)religieuze praktijken en overtuigingen rond geboorte en bevalling in ruim duizend plattelandsgemeenten. Hieruit komen gegevens naar voren over de afzondering van pas bevallen moeders, de eerste kerkgang in zowel katholieke als protestantse kring, en geloof in betovering en bescherming van het pasgeboren kind. Behalve een kwantitatief overzicht levert dat vooral een inzicht in regionale verschillen op. Hierbij valt de grote mate van overeenkomst op tussen gemeenten op de <italic>Biblebelt</italic> en de katholieke delen van Oost- en Zuid-Nederland. Bras legt hierbij een gedurfde link met de brandhaarden van de COVID-19-pandemie en suggereert hechte gemeenschapsbanden en grote honkvastheid als mogelijke oorzaken. Anton Schuurman gaat in zijn artikel uit van de stelling dat de vervlochtenheid van landbouw en platteland vooral iets was van de periode 1870-1970: ervoor en erna was en is er meer sprake van wederzijdse be&#x00EF;nvloeding en afhankelijkheid tussen rurale en stedelijke economische, culturele en politieke belangen. Hij laat zien dat tussen 1870 en 1950 de nadruk lag op de modernisering van de landbouw en daarna die van het platteland, ook in ruimtelijke zin. Na 1970 verminderde het belang van de landbouw voor de identiteit en ontwikkeling van het platteland. In het licht van hedendaagse opgaven als klimaatverandering, energietransitie en natuurherstel zou het volgens hem goed zijn om af te stappen van de claim dat het platteland exclusief boerenland is.</p>
<p>Marijn Molema, in 2021 aangetreden als bijzonder hoogleraar Regionale vitaliteit en dynamiek, bepleit in zijn essay een grensoverschrijdende benadering van regionale geschiedenis. Een insteek is de bestudering van grensregio&#x2019;s: gebieden met een of meer nationale grenzen. Hij verkent wat zo&#x2019;n aanpak betekent voor de Eems Dollard Regio vanuit invalshoeken als economie, infrastructuur en arbeidsmarkt, en voor het ruimere grensgebied van Noord-Nederland en Noordwest-Duitsland. Hij verbindt dit perspectief met de Europese Unie, die het nationale paradigma betwist en grensregio&#x2019;s nadrukkelijk in de spotlights zet. Het Europa van de Regio&#x2019;s staat ook centraal in de bijdrage van Bart Hoogeboom. Hij analyseert de ontwikkeling van ontwikkelings- en subsidiebeleid en instituties voor regionale ontwikkeling tussen 1975 en 2000 aan de hand van de casus Waldviertel (nabij Wenen) en Noordoost-Friesland. Elles Bulder en Korrie Melis beschrijven de inzet van vrijwilligers in plattelandsgebieden ten behoeve van de lokale leefbaarheid in Noord- en Midden-Nederland in de jaren 2015-2021.</p>
<p>De derde sectie bevat een zestal voorbeelden van microgeschiedenis: van Richard Paping over de ontwikkeling van het stedelijke karakter van Appingedam in economische en demografische zin in de achttiende en negentiende eeuw; van Kees Kuiken en Anne Boomsma over dimensies van ongelijkheid in de Friese polder het Bildt in de negentiende eeuw; van Dani&#x00EB;l Broersma over het houden door stedelingen van konijnen in relatie tot de Groninger stadswallen en hun militaire bewaking; van Peter Groote over de geografische herkomst van studenten en hoogleraren van de Groningse universiteit tussen 1870 en 1940; van Dirk Jan Wolffram over de plaats van de provincie in het Nederlandse staatsbestel aan de hand van de casus Groningen; en van Geurt Collenteur over zeventig jaar ontwikkelingsbeleid in de Veenkoloni&#x00EB;n.</p>
<p>Geheel in lijn met Duijvendaks ijveren voor een microhistorische benadering, de geschiedenis van (regionale) netwerken en relaties, onderzoek naar de plaats van de regio in globaliseringsprocessen en comparatieve sociale geschiedenis, is deze bundel een mooi uithangbord voor de beoefening van regionale geschiedenis die relevant is voor hedendaagse vraagstukken. Wat me na het lezen van enkele artikelen wel opvalt, is dat er wellicht iets meer werk gemaakt had kunnen worden van interregionale vergelijking. Ontwikkelingen die zich in Noord- en Oost-Nederland afspeelden, laten zich immers goed vergelijken met die in andere delen van Nederland. Dat schiet er in sommige artikelen enigszins bij in.</p>
</body>
</article>