<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14447</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14447</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Paul de Beer, <italic>De mythe van de arbeidsmarkt</italic> (Brussel: VUBPRESS, 2022). 216 p. ISBN 9789461173201.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van Veldhoven</surname>
<given-names>Jeroen</given-names>
</name>
<aff>Huygens Instituut voor Nederlandsche Geschiedenis en Cultuur</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>187</fpage>
<lpage>189</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Jeroen van Veldhoven</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Jeroen van Veldhoven</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De marktmetafoor is alomtegenwoordig in ons denken over werk en inkomen. In <italic>De mythe van de arbeidsmarkt</italic> reflecteert Paul de Beer kritisch op het arbeidsmarktconcept. De benadering is, aldus De Beer, vooral een theoretische exercitie die weinig toevoegt aan ons begrip van werk en het oplossen van gerelateerde maatschappelijke problemen: &#x2018;De interessantste en belangrijkste aspecten &#x2026; kun je niet goed begrijpen als je de arbeidsrelatie primair als de uitkomst van de arbeidsmarkt ziet.&#x2019; (p.195) Desondanks speelt het perspectief een dominante rol in overheidsbeleid. Onderzoekers, politici en beleidsmakers identificeren maatschappelijke problemen rond werk en inkomen veelal door de praktijk te vergelijken met de ideaaltypische arbeidsmarkt. Het gevolg is dat zij de oplossing meestal zoeken in een verdere benadering van het ideaaltype: meer marktwerking, minder &#x2018;verstorende&#x2019; instituties.</p>
<p>De Beer zet de kern van zijn kritiek uiteen in de eerste hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is gebaseerd op zijn inaugurele rede voor de Calewaert-leerstoel aan de Vrije Universiteit Brussel. Vervolgens gebruikt hij het tweede hoofdstuk om de fundamenten van neoklassieke arbeidsmarkttheorie in meer detail te bekritiseren. De Beers lange staat van dienst als arbeidseconoom is hierbij bijzonder waardevol. Op toegankelijke wijze laat hij de beperkingen van het arbeidsmarktmodel zien met behulp van economische literatuur. Daarnaast put hij uit sociologische en psychologische inzichten om zijn kritiek een meer holistisch karakter te geven. Door deze aanpak is het boek aantrekkelijk voor een breed publiek. Historische veranderingen krijgen helaas maar weinig aandacht. Dit was dan ook niet de insteek van het boek. Toch is het boek relevant voor historici die onderzoek doen naar werk en inkomen. Zo start De Beer het boek door te verwijzen naar de Preambule van de Internationale Arbeidsorganisatie: &#x2018;Arbeid is geen handelswaar.&#x2019; (p.9) Gedurende een groot deel van de twintigste eeuw, gaf dit principe aanleiding tot brede maatschappelijke oppositie tegen commerci&#x00EB;le intermediairs. Desalniettemin waren het de uitzendbureaus die uiteindelijk de dominante tussenpartij werden. De rechtvaardiging voor de positie van uitzendbureaus was dat zij als geen ander in staat waren vraag en aanbod op elkaar af te stemmen op de arbeidsmarkt.</p>
<p>Over het algemeen is De Beers kritiek op de mythe van de arbeidsmarkt overtuigend. Hij maakt effectief gebruik van internationale vergelijkingen om verklaringen ter discussie te stellen. Neem de relatie tussen ontslagbescherming en het gebruik van flexwerk. Door middel van een spreidingsdiagram van Europese landen laat De Beer zien dat de relatie tussen beiden complexer in elkaar zit dan vaak wordt gesuggereerd. Tegelijkertijd is het wel erg scherp om te stellen dat &#x2018;er is dus helemaal geen aanwijzing dat de ontslagbescherming bepaalt hoeveel bedrijven gebruikmaken van flexibele arbeidsrelaties.&#x2019; (p.26) Hoewel De Beers analyse geen causale relatie laat zien, valt het goed te betogen dat er wel degelijk indicaties zijn dat ontslagbescherming van belang is voor het gebruik van flexwerk door werkgevers, uiteraard naast veel andere factoren. Een voorbeeld is de versoepeling van de ontslagbescherming van verlengde tijdelijke contracten met de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (1999). In de nasleep van de hervorming, gingen werkgevers veel vaker gebruikmaken van tijdelijke arbeidscontracten dan vooraf was ingeschat. Tijdens de bespreking van de arbeidsmarktmythe, blijft de lezer daarnaast soms achter met het gevoel dat er meer uit een kritiekpunt te halen valt. Zo stipt De Beer aan dat arbeidsmarkttheorie moeilijk in overeenstemming te brengen is met het aanbieden van onbetaalde arbeid. De implicaties van deze vaststelling komen echter maar beperkt aan bod, terwijl het een belangrijke kritiek is op het arbeidsmarktconcept.</p>
<p>Hoofdstukken drie tot en met vijf behandelen achtereenvolgens verschillende maatschappelijke thema&#x2019;s rond werk en inkomen: loonongelijkheid, inactiviteit en mobiliteit. Het mooie van deze hoofdstukken is dat zij de kritiek op de arbeidsmarktmythe ontstijgen. Naast het reflecteren op de inzichten van arbeidsmarkttheorie, maakt De Beer van de gelegenheid gebruik om uitgebreid in te gaan op alternatieve theorie&#x00EB;n die meer verklaringskracht kunnen bieden. Zo weet hij de interesse van de lezer vast te houden. Het overzicht dat De Beer in deze hoofdstukken van de literatuur geeft is indrukwekkend, maar door de snelle opeenvolging van complexe subthema&#x2019;s ook enigszins overweldigend te noemen. Bovendien is het niet altijd duidelijk hoe deze specifiekere onderwerpen zich verhouden tot <italic>De mythe van de arbeidsmarkt</italic> zoals uiteengezet in de eerste twee hoofdstukken. Het laatste hoofdstuk geeft een synthese van het boek en bevat een visie op beleid waarin marktdenken een minder grote rol speelt. Het hoofdstuk vormt een mooi slotstuk van een boek dat ons dwingt ons denken over werk en inkomen bij te stellen.</p>
</body>
</article>