<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14448</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14448</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Julie M. Powell, <italic>Bodies of Work. The First World War and the Transnational Making of Rehabilitation</italic> (Cambridge: Cambridge University Press, 2022). 257 p. ISBN 9781009230285.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Dijkstra</surname>
<given-names>Nathanje</given-names>
</name>
<aff>Universiteit Utrecht</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>189</fpage>
<lpage>191</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Nathanje Dijkstra</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Nathanje Dijkstra</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De loopgravenstrijd van de Eerste Wereldoorlog liet meer dan 7 miljoen mannen verwond huiswaarts keren. Deze veelal jonge mensen moesten hun leven weer opbouwen en de geallieerde staten hielpen daarbij door het aanbieden van chirurgie, prothesen en arbeidstherapie. In het boek <italic>Bodies of Work. The First World War and the Transnational Making of Rehabilitation</italic> vestigt Julie Powell een transnationale blik op die hulp. De centrale these is dat revalidatie ten diepste gericht was op het behoud van de vooroorlogse sociale orde. Een stevige claim die voortkomt uit haar oordeel over de sociale motieven en culturele gevolgen van de revalidatieprogramma&#x2019;s.</p>
<p>Op basis van een bronnencorpus bestaande uit onder andere speeches, krantenberichten en publicaties van internationale hulporganisaties, brengt Powell de representatie van revalidatie in kaart. Ze toont aan dat officieren, artsen en sociaal hervormers, revalidatie zagen als een wederdienst aan gehandicapte soldaten voor hun inzet voor het vaderland. Het herstel was er tegelijkertijd op gericht om ze autonoom en zelfredzaam te maken. Dit stond op gespannen voet met de opvatting dat deze groep actief bijgestuurd diende te worden, waardoor ze in revalidatiecentra gecontroleerd werden &#x2018;(&#x2026;) as if they were schoolboys&#x2019; (p. 34). De hoofdstukken staan vol met beschrijvingen van schurende idealen. In de inleiding schrijft Powell dat ze er niet op uit is om deze frictie op te lossen. Integendeel, ze wil de veelvoud aan motieven voor het voetlicht brengen. De revalidatiecultuur, zo stelt ze, is immers niet ontstaan door &#x00E9;&#x00E9;n impuls of ideologie.</p>
<p>Op een aantal plekken komt deze ambitie goed tot zijn recht, bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 over de inzet van prothesen. Powell beschrijft op beeldende wijze hoe Franse orthopeden &#x2013; enkel ervaren met het maken van korsetten &#x2013; nu van staatswege, geamputeerde armen en benen moesten vervangen. De kennis over de productie en de functionaliteit van prothesen werd opgedaan in de Verenigde Staten, waar tijdens de burgeroorlog in de jaren 1860 al een levendige handel in kunstledematen was ontstaan. Deze &#x2018;Yankee legs&#x2019; werden niet ge&#x00EF;mporteerd maar lokaal in Frankrijk geproduceerd, omdat ze anders niet zouden voldoen aan de eisen die het Franse lichaam eraan stelde. Met de suggestie van heelheid, gecombineerd met uitgebreide training voor &#x2018;correct gebruik&#x2019; van prothesen, moesten gehandicapte veteranen weer sociale en ook romantische relaties aan kunnen gaan. De auteur laat zo zien hoe internationale kennis, en nationalistische opvattingen over wat lichamen wel en niet geacht werden te doen, vervlochten raakten met idee&#x00EB;n over gender, klasse en burgerschap.</p>
<p>Toch wordt Powell&#x2019;s belofte om de verschillende motieven voor revalidatie naast elkaar te laten bestaan niet volledig ingelost. In haar conclusie schrijft ze dat beleidsmakers, artsen en sociaal hervormers ten diepste bang waren voor de organisatiekracht van de arbeidersklasse, en dat revalidatie gebruikt werd om veteranen te disciplineren zodat de sociale orde en bijbehorende masculiene norm in stand werd gehouden. &#x2018;(&#x2026;) [They] had essentially the same goal; they subscribed to the same &#x2018;gospel of rehabilitation&#x2019; and imagined remaking and refashioning the working-class ex-serviceman in essentially the same mould&#x2019;, zo schrijft ze (p. 223). Hier lijkt de auteur gezwicht te zijn voor de verleiding om alsnog &#x00E9;&#x00E9;n drijfveer als het uiteindelijke ware onderliggende motief aan te wijzen. Ze doet daarmee minder recht aan de frictie en variatie aan idee&#x00EB;n waar ze in de hoofdstukken juist zo mooi de schijnwerper op legt. Ik vermoed dat de weing theoretische inbedding het boek hier parten speelt. Juist omdat Powell ook aandacht heeft voor objecten (zoals prothesen), is het jammer dat ze eenzijdig gebruik maakt van discoursanalyse, waardoor de beschreven praktijken en artefacten slechts functioneren als context voor haar uiteindelijke betoog. Het maakt de beschreven revalidatiecultuur erg &#x00E9;&#x00E9;ndimensionaal.</p>
<p>De analyse zou bovendien meer urgentie hebben gekregen wanneer Powell ook gehandicapte oorlogsveteranen aan het woord had gelaten. Wellicht is de keuze gemotiveerd door een bronnenprobleem, maar de veteranen spreken enkel bij monde van artsen en belangenorganisaties. Het laat mij als lezer achter met een aangewakkerde nieuwsgierigheid naar de manieren waarop gehandicapte veteranen zich bewogen in die revalidatiecultuur. Welke wensen hadden zij? Hoe en waar werden die prothesen gebruikt? En vooral: welke rol speelden zij in de constructie van revalidatie? Door gehandicapte veteranen als actoren weg te laten, is het boek teveel een <italic>top-down</italic> geschiedenis geworden, waarbij oorlogsveteranen tot de ontvangende partij zijn gereduceerd. <italic>Disability</italic> historici als David Turner en Coreen McGuire hebben laten zien dat wanneer je onderzoekt wat gehandicapte mensen zelf deden, dit hardnekkige slachtofferbeeld al snel bijgesteld moet worden.</p>
<p>Dat neemt niet weg dat <italic>Bodies of Work</italic> een gedetailleerd en een uniek transnationaal overzicht biedt van de manier waarop revalidatie in geallieerde landen werd georganiseerd. Powell toont bovendien overtuigend aan hoe idee&#x00EB;n over gender, klasse, burgerschap, nationalisme en internationale samenwerking hun cumulatie vonden in dat grote revalidatieproject. Het is een informatief en goed geschreven deel van een complex verhaal, dat nog de nodige aanvulling verdient.</p>
</body>
</article>