<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14500</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14500</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>A.A.B. van Bemmel <italic>et al</italic>. (red.), <italic>De dam bij Wijk en het Kromme Rijngebied in de middeleeuwen</italic> (Hilversum: Uitgeverij Verloren,2022). 256 p. ISBN 9789464550191.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Mol</surname>
<given-names>Hans</given-names>
</name>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>199</fpage>
<lpage>201</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Hans Mol</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Hans Mol</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Braudelliaanse geschiedschrijving met aandacht voor het landschap mag in academische kring niet meer populair zijn, er verschijnen soms nog mooie studies op dit terrein, vaak van ervaren geleerden die hun sporen ruimschoots hebben verdiend. Het hier besproken boek is er zo een, als bundeling van vijf opstellen, uitgebracht in september 2022 bij de herdenking van 900 jaar afdamming van de Kromme Rijn. De aanleg van de dam, in het jaar ook dat Utrecht stadsrechten kreeg, was belangrijk als opmaat voor de versnelde ontsluiting, ontginning en rurale bloei van een centraal riviergebied. Dat was uiteraard al lang bekend, dankzij de in 2012 overleden Kees Dekker, voormalig rijksarchivaris van Utrecht, die in 1983 een dikke pil aan het Kromme Rijngebied wijdde met als ondertitel &#x2018;Een geografisch-institutionele studie&#x2019;. De auteurs van de jubileumbundel presenteren hun bijdragen nadrukkelijk als tribuut aan Dekker. Ze willen de hoofdlijnen van zijn werk breed toegankelijk maken, maar dan vanuit verschillende disciplines, waaronder de bodemkunde en de archeologie. Dat is zeker gelukt, niet in de laatste plaats dankzij het overvloedige gebruik van kleurige reconstructies in kaart. Als men ergens winst op Dekker heeft kunnen halen, dan is het hier. Tal van oude manuscriptkaarten van kerkelijke goederen laten het in combinatie met in GIS omgezette kadastrale minuutplans toe sleutelbezitscomplexen ten opzichte van elkaar retrospectief te ontleden.</p>
<p>De bundel heeft een chronologisch-thematische opzet: eerst komt het landschap tot 1000 aan bod, dan de machts- en bezitsverdeling, ook tot 1000, vervolgens de geografie van de ontginningen nadien, ten vierde de aanleg van de Vaartse Rijn als nieuwe handelsroute van Utrecht met het zuiden, en tot slot een ronde langs de dorpen, huizen en kastelen in tijd tot 1800. De fysisch geograaf Kim Cohen opent de reeks met een degelijke bijdrage over de geomorfologie van het gebied. Mede op basis van eerder (boor-) onderzoek van H.J.A. Berendsen legt hij uit hoe de dynamiek van de rivierlopen van de Rijn in de jongste millennia hier voor een driedelig landschap heeft gezorgd: vruchtbare oeverwallen langs de stroom, voormalige beddingen parallel daaraan, en venige komgronden ertussen, plus nog venen aan de noordkant, opkruipend tegen de Utrechtse heuvelrug. Interessant is de conclusie dat de Kromme Rijnbedding omstreeks 1100 normaal slechts nog een tiende van het totale Rijndebiet afvoerde maar bij hoog water ruim een derde moest verwerken. Geen wonder dat circa 1100 sterk de noodzaak tot afdamming werd gevoeld.</p>
<p>Medi&#x00EB;vist Jan Huiting en archeoloog Jan van Doesburg tonen in hun bijdrage over &#x2018;Macht, bezit en samenleving&#x2019; aan hoe dominant het op domaniale leest geschoeide grootgrondbezit van Kerk en Keizer in deze tijd was. Ze trekken de lijnen terug naar de Frankische overname van een bestaande, deels al uit de Romeinse tijd daterende infrastructuur. Het betrof daarbij echter wel alleen bezitseenheden op de oeverwallen. De uitgestrekte veengebieden kwamen eerst in de loop van de elfde eeuw aan snee, zoals duidelijk wordt in het derde opstel, over &#x2018;Bedijken, afdammen, verkavelen en ontginnen&#x2019; van de sociaal geograaf Ad van Bemmel. Deze trekt per deelgebied systematisch de ontwikkelingen na. Twee met elkaar verband houdende kwesties lijken me hier van belang. De eerste is of de venige komgronden, die het hele boek door als &#x2018;lage broeklanden&#x2019; worden aangeduid, oorspronkelijk wel echt laag waren. Natuurlijk, bij bovenmatig hoog water raakten ze overstroomd en bleef er een dunne laag klei achter die op den duur dikker werd en voor inklinking zorgde. Maar venen waren echter (hoge) kussens en van elders weten we dat de sterkste inklinking bij het ontginnen werd veroorzaakt door het systematisch onttrekken van water. De tweede vraag is daarom of al niet ruim v&#x00F3;&#x00F3;r 1122 van overlast sprake was door &#x2018;man made&#x2019; bodemdaling, juist als gevolg van reeds in gang gezette ontginningen. De dam bij Wijk was dan ad hoc niet zozeer bedoeld om nieuwe ontginningen mogelijk te maken als wel om reeds in cultuur gebrachte venen van zomp te vrijwaren. Van Bemmel is daar niet heel duidelijk over. Er blijken westelijk van Wijk en onder Schalkwijk al veenhoeven te zijn ge&#x00EB;xploiteerd voordat er (pre-1122) een dijk langs de Lek tot stand kwam. Elders in het boek wordt trouwens de start van de veenontginningen bij Jutphaas op 1060/1070 gedateerd.</p>
<p>De Utrechtse rijksarchivaris Kaj van Vliet neemt in zijn opstel de bemoeienis onder de loep van de stad Utrecht met de Vaartse Rijn, uitmondend in de Hollandse IJssel, en later de Nieuwe Vaart, richting de Lek. Omdat de weteringen in kwestie een groot aantal ontginningen en nieuwe woonkernen doorsneed, komen in zijn verhaal ook veel details vrij over de nederzettingsontwikkeling in het algemeen. Datzelfde geldt voor de laatste bijdrage, van de historisch geograaf Hans Renes en de bouwhistoricus Taco Hermans. Zij bespreken de dynamiek van alle dorpen, kerken, herenhuizen en kastelen in het gebied, van 1122 tot 1832, zijnde het jaar van de invoering van het kadaster. Dit alles met onderscheid naar vestiging op de stroomruggen of langs weteringen of dijken. Hun stuk is voorzien van een bijlage over de ruimtelijke ontwikkeling van Wijk bij Duurstede &#x00E9;n van een overzicht van alle kastelen en van grachten voorziene huizen.</p>
<p>Een index ontbreekt, maar gelukkig is niet bespaard op de annotatie en de bibliografie. De opstellen in deze mooie bundel kunnen daarom uitstekend dienen als vertrekpunt voor verder onderzoek. Dat lijkt me nog veel te kunnen opleveren bij een vergelijkende aanpak, bijvoorbeeld door de veenontginningen in het Nedersticht qua fasering scherper te plaatsen naast die in Overijssel of in Holland en Friesland.</p>
</body>
</article>