<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14714</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14714</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Idealisme en technocratie</article-title>
<subtitle>Naar aanleiding van: Erwin Dekker, Jan Tinbergen. Een econoom op zoek naar vrede</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Knotter</surname>
<given-names>Ad</given-names>
</name>
<email>ad.knotter@iisg.nl</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>109</fpage>
<lpage>120</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Ad Knotter</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Ad Knotter</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>In zijn jongste boek <italic>Capital et id&#x00E9;ologie</italic> schreef Thomas Piketty:</p>
<disp-quote xml:lang="fr">
<p>Ceux qui attendent que l&#x2019;on puisse un jour d&#x00E9;l&#x00E9;guer &#x00E0; une formule math&#x00E9;matique, un algorithme ou un mod&#x00E8;le &#x00E9;conom&#x00E9;trique le soin de choisir le niveau &#x2018;socialement optimal&#x2019; d&#x2019;in&#x00E9;galit&#x00E9; et les institutions permettant d&#x2019;y conduire en seront pour leurs frais. Cela ne se produira jamais, et c&#x2019;est tant mieux.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref></p>
<p>[Wie verwacht dat men het ooit aan een wiskundige formule, een algoritme of een econometrisch model zou kunnen overlaten om te bepalen wat het optimale niveau is van de sociale ongelijkheid en welke instellingen daarvoor nodig zijn, zal van een koude kermis thuiskomen. Dat zal nooit lukken, en gelukkig maar.]</p>
</disp-quote>
<p>Toch is het precies deze illusie waar Nederlands beroemdste econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen (1903-1994) voor stond en waaraan hij zijn leven heeft gewijd. Tinbergen was een idealistische technocraat, bij wie een specifieke, uit de jaren 1930 daterende &#x2018;plansocialistische&#x2019; invulling van het sociaaldemocratische programma samenging met een na&#x00EF;ef geloof in de objectiviteit van de economische wetenschap en de voorspellende waarde van econometrische modellen.</p>
<p>Tinbergen heeft zowel in de wetenschappelijke als in de beleidssfeer enorme invloed gehad. Nog in de jaren 1990 bleek een meerderheid van de Nederlandse economen zich als &#x2018;telgen van Tinbergen&#x2019; te beschouwen.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> In de jaren 1930 werkte hij mee aan het Plan van de Arbeid van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP, een voorloper van de PvdA). Na de Tweede Wereldoorlog werd Tinbergen de eerste directeur van het nieuw opgerichte Centraal Planbureau (CPB) en vooraanstaand kroonlid van de Sociaal Economische Raad (SER). In die hoedanigheden kan hij als de voornaamste architect van de naoorlogse geleide loonpolitiek worden beschouwd. Daarvoor kreeg hij ook steun van het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV, voorloper van de FNV). In een terugblik op de beginjaren van de SER herinnerde Tinbergen zich dat het NVV in die tijd</p>
<disp-quote>
<p>in zijn bestuur enige mensen had die zelf economie gestudeerd hadden en die toch [<italic>sic</italic>] het vertrouwen hadden van de leden. Dat was in de eerste plaats Dirk Roemers en in de tweede plaats Ad Vermeulen. Die zaten dus ook voor de vakbeweging in de SER. Met mensen als Holtrop van de Nederlandsche Bank en mij konden wij als economen onder elkaar, en ik trouwens ook als partijgenoot, het eens worden dat ze de loonsverlagingen moesten aanvaarden.<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref></p>
</disp-quote>
<p>In een vergelijkende studie naar de naoorlogse inkomenspolitiek in West-Europa werd over de rol van Tinbergen in de Nederlandse loonpolitiek in de jaren 1950 geschreven:</p>
<disp-quote xml:lang="en">
<p>&#x2026; there occurred what some regard as one of the finest hours in the checkered history of incomes policy anywhere: the unions&#x2019; agreement to a &#x2018;wage stop&#x2019; in 1951-1953, which implied a 5 per cent cut in real wages. They did so on the personal urging of an eminent economic planner, who was himself a Socialist and an influential figure in the incumbent regime.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref></p>
</disp-quote>
<p>Tinbergen speelde een belangrijke rol in onderbouwing van de bestedingsbeperking (door het niet compenseren van de prijsstijgingen in de lonen) in 1956-1958, aldus zijn medestander in de PvdA (en eerder in de SDAP) Hein Vos (1903-1972):</p>
<disp-quote>
<p>Tinbergen en ik waren beiden lid [van de SER] en de samenwerking bijv. bij het tot stand komen van de noodzakelijke bestedingsbeperking in 1956 was perfect. Nadat de te volgen politiek kwantitatief was uitgewerkt en de gevolgen waren geschetst voor werknemers, werkgevers en de nationale economie, werd op de aangegeven basis overeenstemming bereikt in de SER. De regering nam het advies voor een groot deel over. Ik vermeld dit als voorbeeld van de invloed van Tinbergen op de directe economische politiek.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref></p>
</disp-quote>
<p>Ook in latere jaren bleef Tinbergen vasthouden aan het idee van een centrale beheersing van de lonen.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref> Nadat de door hem gepropageerde geleide loonpolitiek als gevolg van de overspannen arbeidsmarkt en &#x2018;wilde&#x2019; loonacties in 1963 omver was gekegeld in de loonexplosie van 1964,<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref> werd de draad tien jaar later weer opgepakt door het kabinet-Den Uyl. De door dit kabinet voor 1974 afgekondigde loonmaatregel opende een doos van Pandora van opeenvolgende looningrepen tot aan het Akkoord van Wassenaar in 1982. Dat akkoord was bedoeld om zo&#x2019;n maatregel te voorkomen door &#x2018;vrijwillige&#x2019; centrale afspraken over loonmatiging. In hun standaardwerk over de geschiedenis van de arbeidsverhoudingen in Nederland schreven Windmuller c.s. dat &#x0060;de geleide loonvorming [na de loonmaatregel van Den Uyl] volledig was teruggekeerd&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref> Hoogleraar arbeidsverhoudingen Wil Albeda (1925-2014), als CDA-minister zelf verantwoordelijk voor de laatste drie looningrepen, zag die als een erfenis van &#x2018;het etatisme van de geleide loonpolitiek. Als je kijkt naar de periode tot 1980, dan zie je permanent een overheid die ooit ontdekt heeft: &#x201C;Je kunt de lonen beheersen als je dat wilt&#x201D;&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref></p>
<p>Anders dan in het vertoog over het &#x2018;poldermodel&#x2019; wordt gesuggereerd kwam de overeenstemming tussen de &#x2018;sociale partners&#x2019; in Nederland volgens Albeda vooral tot stand door staatsdwang: &#x2018;kenmerkend voor Nederland is dat onze overlegeconomie bij uitstek &#x2018;etatistisch&#x2019; is; [&#x2026;] het initiatief tot overleg gaat hier heel vaak, veel vaker dan in andere landen het geval is, uit van de overheid&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> De jaren van de geleide loonpolitiek omschreef hij als &#x2018;een periode met uitzonderlijk grote overheidsmacht op sociaaleconomisch terrein, met goedvinden van werkgevers en werknemers. Een dergelijk centralistisch en perfectionistisch tripartiete besturing kende zijn weerga in Europa niet&#x2019;. Ook daarna bleef dit &#x2018;etatisme&#x2019;, aldus Albeda, nog aanwezig in de wet op de loonvorming van 1970 en de looningrepen in de jaren 1974-1982.</p>
<p>Tinbergen speelde toen geen rol meer in de beleidsvorming, maar zijn opvattingen werkten door in die van zijn economische &#x2018;telgen&#x2019;. Dat bleek in de jaren 1970 onder meer in het door het CPB ontwikkelde VINTAF-model, waarin de economische problemen werden toegeschreven aan de door de loonexplosie van 1964 ingezette loonstijgingen.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref> Het model was volledig aanbodgeori&#x00EB;nteerd: de loonsverhogingen sinds 1964 hadden tot versnelde investeringen in arbeidsbesparende machines en apparaten geleid, met als gevolg structurele werkloosheid. Vanwege de daardoor toegenomen kapitaalintensiteit moest er om deze werkloosheid te bestrijden meer investeringsruimte worden gecre&#x00EB;erd door loonmatiging. Deze moest tevens bevorderen dat de concurrentiepositie van de bedrijven op de exportmarkten zou worden versterkt. Een verwante redenering was al in de jaren 1930 te vinden bij de jonge Tinbergen, maar dan herleid tot de loonexplosie in de jaren na de Eerste Wereldoorlog.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> De redeneringen achter dit VINTAF-model droegen veel bij aan het ontstaan van een zekere consensus over de noodzaak van loonmatiging in de jaren 1970 en 1980.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref></p>
<p>In het onderzoek voor mijn doctoraalscriptie (in 1980 gepubliceerd in een voorloper van dit tijdschrift, het <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic>), was ik erachter gekomen dat deze Tinbergiaanse invulling van de loonpolitiek zijn oorsprong vond in de jaren 1930.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Die week sterk af van traditionele sociaaldemocratische opvattingen, waarin vakbondsactie juist positief werd gewaardeerd. Al in 1930 (hij was toen pas 27 jaar oud) ging Tinbergen over dit onderwerp in debat met &#x2018;oude rotten&#x2019; in het partijbestuur als J.W. Mathijssen (1879-1949) en Jan Oudegeest (1870-1950). Daarin presenteerde hij zich als vertegenwoordiger van een rechtse stroming in de SDAP en keerde hij zich tegen het verzet van de SDAP tegen loonsverlaging.</p>
<p>Toen ik dit artikel publiceerde leefde Tinbergen nog en hij verschafte mij als pas afgestudeerde historicus de eer om erop te reageren.<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref> In zijn reactie ging hij voorbij aan de portee van mijn artikel dat zijn opvattingen <italic>afweken</italic> van het tot dan toe in de SDAP aangehangen klassieke reformisme, zoals theoretisch uitgewerkt door de Duitse revisionistische marxist Eduard Bernstein (1850-1932).<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> Hij presenteerde zijn opvattingen als &#x2018;echt reformistisch&#x2019; in de zin dat hij vond dat de kapitalistische samenleving steeds meer socialistische elementen bevatte, die door overheidsbeleid zouden kunnen worden versterkt (en waar de geleide loonpolitiek in zijn ogen blijkbaar onderdeel van was, maar dat is mijn eigen toevoeging). &#x2018;Ordening&#x2019; heette dat in het plansocialistische jargon van de jaren 1930 en die zou &#x2018;onontkoombaar [leiden] tot ordening van arbeidsvoorwaarden en lonen&#x2019; aldus de toenmalige NVV-medewerker, later minister en PvdA-voorzitter J.G. Suurhoff (1905-1967): &#x2018;een geordend bedrijfsleven verdraagt [zich niet] met loonbepaling, welke slechts afhankelijk is van de machtsstrijd tusschen arbeiders en ondernemers&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref> Ook na de oorlog toonde Suurhoff zich voorstander van een &#x2018;centraal geleide, alomvattende loonpolitiek voor het gehele bedrijfsleven&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref></p>
<p>Ik was mij er toen nog onvoldoende van bewust dat Tinbergens pleidooi voor &#x2018;ordening&#x2019; van de lonen onderdeel was van een veel bredere omwenteling in het sociaaldemocratische gedachtengoed in de jaren 1930 onder de benaming &#x2018;planisme&#x2019; en &#x2018;neo-socialisme&#x2019;. De idee&#x00EB;n van de Belgische socialist Hendrik de Man (1885-1953) speelden hierin een cruciale rol.<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref> Met De Man had Tinbergen de technocratische verheerlijking van economische expertise gemeen, die De Man zelfs tot collaboratie met de Duitse bezetter bracht. Tinbergen had een heilig geloof in de objectiviteit van (zijn eigen) economische opvattingen en vond dat het parlement niet alleen uit verkozen vertegenwoordigers van politieke partijen zou moeten bestaan, maar ook uit &#x2018;deskundigen (leden van een elite), als in onze SER&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref> Elders noemde hij de SER &#x2018;een economisch parlement&#x2019;: &#x2018;De SER heeft een meer solide grondslag dan het algemeen parlement, waar veel meer de gevoelens bepalen wat er wordt gedaan. Daar worden toch dingen gedaan die tegen het belang van het land zijn [&#x2026;]&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> In zijn biografie haalt Dekker publicaties aan, waarin Tinbergen &#x2018;democratie bovenal een obstakel voor goed beleid&#x2019; noemde.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref> De geleide loonpolitiek &#x2012; in mijn ogen een repressieve en ondemocratische inmenging van de staat in de arbeidsverhoudingen &#x2012; kan als een uitvloeisel van dit technocratische gedachtengoed worden beschouwd.</p>
<p>De gedachte dat economisch beleid gestoeld kon worden op de modelmatige, gemathematiseerde economie, waar Tinbergen een pionier van was en waarvoor hij in 1969 (samen met de Noor Ragnar Frisch) de Nobelprijs kreeg, heeft in Nederland haar weerslag gekregen in het Centraal Planbureau. Het geloof in de voorspellingen van het CPB, die keer op keer worden gelogenstraft, maar waar beleidsmakers toch steeds weer op terugvallen, is een van de technocratische erfenissen van Tinbergen. Maar zijn economische opvattingen waren niet zo neutraal als hij wilde doen geloven. Het door hem gepropageerde restrictieve loonbeleid berustte op een bewuste keuze om de nationale consumptie laag te houden en de export zo hoog mogelijk te laten zijn, in de hoop dat daardoor zoveel mogelijk middelen bij de bedrijven vrijgemaakt konden worden ten behoeve van investeringen.<xref ref-type="fn" rid="fn23" specific-use="fn"><sup>23</sup></xref> De winstinkomens werden niet aan enige controle onderworpen.<xref ref-type="fn" rid="fn24" specific-use="fn"><sup>24</sup></xref> Of de door loonmatiging opgevoerde winsten in de exporterende bedrijven daadwerkelijk werden omgezet in investeringen en werkgelegenheid in eigen land werd aan de ondernemers zelf overgelaten. Daarbij werden de negatieve effecten van loonmatiging niet verdisconteerd, met name verstoring van de handelsrelaties met derde landen door loondumping,<xref ref-type="fn" rid="fn25" specific-use="fn"><sup>25</sup></xref> vermindering van de <italic>incentives</italic> voor ondernemers om arbeidsbesparende en productiviteitsverhogende investeringen te doen,<xref ref-type="fn" rid="fn26" specific-use="fn"><sup>26</sup></xref> en achterblijven van de koopkracht ten nadele van voor de binnenlandse markt werkende bedrijven. Uit de loonexplosie van 1964, die indirect als een reactie op de mede door Tinbergen gepropageerde bestedingsbeperking in de jaren 1956-1958 kan worden beschouwd, bleek bovendien dat de geleide loonpolitiek op den duur niet werkte.<xref ref-type="fn" rid="fn27" specific-use="fn"><sup>27</sup></xref></p>
<fig id="fg001">
<label>Illustratie 1</label>
<caption><title>Staking van het winkelpersoneel van de Bijenkorf, oktober 2022 (&#x00A9; Michiel Wijnbergh.)</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.14714_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>In aansluiting op zijn politiek-economische beleidsopvattingen werd de noodzaak van loonmatiging door Tinbergens opvolgers in het CPB uit en treure herhaald. De Amsterdamse politicoloog Uwe Becker (1951-2014) noemde het geloof in de objectiviteit van de modellen van het CPB een belangrijke oorzaak van de dominantie van het loonmatigingsparadigma in Nederland. Ondanks de volgens Becker zwakke empirische basis voor het recept van loonmatiging als panacee voor alle economische kwalen, werd dit paradigma volgens hem in stand gehouden en gepropageerd door een <italic>epistemic community</italic>, een onderling verbonden vertoogcoalitie van economen, bestuurders, journalisten en opinieleiders.<xref ref-type="fn" rid="fn28" specific-use="fn"><sup>28</sup></xref> Pas sinds kort is er een bredere kritiek op de &#x2018;loonmatigingsverslaving&#x2019;, omdat die heeft geleid tot een onaanvaardbare verlaging van het aandeel van lonen en salarissen in het nationaal inkomen, een massale afhankelijkheid van inkomenstoeslagen en schulden, een ongebreidelde bevoordeling van het speculatieve financierskapitaal, en een sterke toename van de sociale ongelijkheid.<xref ref-type="fn" rid="fn29" specific-use="fn"><sup>29</sup></xref></p>
<p>Deze desastreuze uitkomst van het loonmatigingsbeleid (die zich overigens in alle &#x2018;rijke&#x2019; landen heeft voorgedaan, zie Piketty) kan natuurlijk niet op het persoonlijk conto van Tinbergen worden geschreven. Maar in zijn technocratische visie op het loonbeleid ging hij eraan voorbij dat loonverhoudingen uiteindelijk machtsverhoudingen zijn en kon hij een overheidsbeleid verdedigen waarmee die machtsverhoudingen in het nadeel van de loontrekkenden werden versterkt. Ik refereer hieraan omdat het de keerzijde is van het door Tinbergen zelf en zijn vereerders zorgvuldig gekoesterde, maar nogal zalvende imago van een ethisch bewogen, idealistische econoom, die er onder meer naar streefde normen op te stellen voor een &#x2018;rechtvaardige inkomensverdeling&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn30" specific-use="fn"><sup>30</sup></xref> Voor een goed begrip moet worden bedacht dat Tinbergen het daarbij niet had over de verhouding tussen kapitaal en arbeid. Kapitaal was voor hem een neutraal investeringsmiddel, geen bron van (ongelijke) vermogens- en machtsvorming. Nivellering van lonen en salarissen kon in die opvatting heel goed samengaan met vergroting van het winstaandeel door verlaging van het gemiddelde loonpeil. Zijn ideologische bondgenoot, econoom en publicist Jan Pen (1921-2010) formuleerde dat zo:</p>
<disp-quote>
<p>[Tinbergen] ziet geen kapitalistische machtsconcentratie die de wetten maakt, de staat beheerst en de inkomensverdeling naar haar hand zet [&#x2026;]. Tinbergen ziet nog wel uitbuiting, maar dan eerder uitbuiting van het ene type arbeid door het andere: een heel stuk van de inkomensongelijkheid bestaat in ongelijkheid tussen arbeidsinkomen. Zijn theorie is er op gericht dat verschijnsel te begrijpen en daardoor te verminderen.<xref ref-type="fn" rid="fn31" specific-use="fn"><sup>31</sup></xref></p>
</disp-quote>
<p>Dit uitgangspunt was al in de jaren 1930 bij de jonge Tinbergen te vinden.<xref ref-type="fn" rid="fn32" specific-use="fn"><sup>32</sup></xref> Economische machtsvorming door vakbonden zou volgens hem tot een onrechtvaardige inkomensverdeling leiden, omdat sommige vakbonden door specifieke marktomstandigheden hogere lonen konden afdwingen, die dan weer via hogere prijzen afgewenteld zouden worden op andere groepen arbeiders of door kostenstijgingen en het uit de markt prijzen van bedrijven tot werkloosheid zouden leiden.<xref ref-type="fn" rid="fn33" specific-use="fn"><sup>33</sup></xref> Met de uitbreiding van het georganiseerde, volgens Tinbergen socialistische element in het kapitalisme, zou de tegenstelling tussen kapitaalbezitters en arbeiders aan betekenis hebben ingeboet en die tussen groepen arbeiders onderling aan betekenis hebben gewonnen. Om die tegenover elkaar af te wegen en aan iedere groep een &#x2018;rechtvaardig&#x2019; loonaandeel te bezorgen, moesten er leidende principes komen, die niet meer gebaseerd konden worden op machtsvorming in de loonstrijd, maar op ethische uitgangspunten, zo schreef hij in 1932. De redenering maakt eens te meer duidelijk dat Tinbergens technocratische oplossingen ideologisch waren gefundeerd in een specifieke interpretatie van de aard van de kapitalistische economie en niet waren afgeleid van een &#x2018;objectief&#x2019; economisch model.</p>
<p>In zijn biografie heeft Dekker weinig oog voor deze aspecten van de erfenis van Tinbergen, net zo min trouwens als de vele vereerders die eerder over hem hebben geschreven. Een biograaf van een veelzijdige persoon als Tinbergen hoeft mijn preoccupatie met de loonpolitiek niet te delen, maar wat Dekker hierover schrijft is wel erg mager: hij verwijst kort naar het door Tinbergen ge&#x00EB;ntameerde loondebat in de jaren 1930 met de terechte opmerking dat zijn &#x2018;standpunten gelijk stonden aan ketterij binnen de SDAP van die jaren&#x2019; (p. 131, overigens zonder verwijzing naar mijn artikel daarover) en stipt aan dat Tinbergen vond dat &#x2018;vakbonden medeverantwoordelijk [waren] voor de hoge werkloosheid&#x2019; (p. 161), maar behandelt de uit deze visie voortvloeiende rol van Tinbergen in de naoorlogse geleide loonpolitiek slechts aan de hand van een advies van zijn hand over werkclassificatie (pp. 336-339). In het licht van mijn bovenstaande interpretatie van de Tinbergiaanse loonpolitiek komt het daarbij aan hem toegeschreven motto &#x2018;Van de verdeling komt de winst&#x2019; (aangehaald op p. 339) wel in een eigenaardig daglicht te staan &#x2026;</p>
<p>Toch had de paradox van Tinbergens streven naar een &#x2018;rechtvaardige inkomensverdeling&#x2019; versus zijn pleidooi voor overheidsingrijpen in de lonen om vergroting van het kapitaalsinkomen te bevorderen, goed gepast in een meer algemene beschouwing over de problematische verhouding tussen idealisme en technocratie bij de hoofdpersoon van deze biografie. Ook in wat Dekker wel beschrijft zijn daarvoor verschillende aanknopingspunten te vinden. In zijn conclusie wijst hij er bijvoorbeeld op dat Tinbergen &#x2018;een fel tegenstander [was] van het kolonialisme en gewelddadige regimes, maar als technische expert [wel] keer op keer advies [gaf] aan dergelijke regimes&#x2019; (p. 377). Dat heeft onder meer betrekking op zijn rol als adviseur van het Turkse militaire regime in de jaren 1960 (pp. 281-300). Tinbergen heeft zich met name in de tweede helft van zijn leven ingespannen voor een mondiaal ontwikkelingsbeleid, maar ook daarin zocht hij de oplossing vooral in nogal paternalistisch gekleurde ontwikkelingsmodellen die door experts in de ontwikkelingslanden zouden moeten worden ge&#x00EF;mplementeerd.</p>
<p>Gezien de ondertitel <italic>Een econoom op zoek naar vrede</italic> lijkt Dekker vooral geraakt te zijn door de idealistische kant van Tinbergen, maar toch is dat niet het hoofdthema van zijn boek. Hij verwijst wel naar de ethische motivatie (gevoed door een vrijzinnig protestantisme) en de vertaling daarvan in een streven naar morele politiek (in overeenstemming met de ethische fundering van het socialisme door De Man), maar in de kern gaat dit boek over Tinbergens essenti&#x00EB;le bijdrage aan de omvorming van de economische wetenschap tot beleidswetenschap. Dekker noemt zelf &#x2018;een van de grote thema&#x2019;s van dit boek [&#x2026;] hoe Tinbergen erin slaagde om een plek voor de economische expertise te veroveren&#x2019; (p. 220).</p>
<p>Al halverwege de jaren 1930, aldus Dekker, had Tinbergen bedacht &#x2018;dat de econometrie ingezet kon worden als een scheidsrechter in politiek-economische discussies&#x2019; (p. 152). Toen al had hij &#x2018;een rotsvast vertrouwen in zijn eigen aanpak en hoge verwachtingen over de rol van wetenschap in de maatschappij&#x2019; (p. 155). Zijn &#x2018;nieuwe economie&#x2019; was &#x2018;gericht op de staat en streef[de] ernaar het beleid van de overheid mede vorm te geven&#x2019; (p. 163). In zijn tijd als directeur van het CPB (1945-1954) werden zijn modellen &#x2018;een bijdrage aan de techniek van het beleid maken&#x2019; (p. 221). Deze &#x2018;transformatie&#x2019;, schrijft Dekker verder, &#x2018;heeft niet altijd veel aandacht gekregen, wellicht omdat de manier van denken van Tinbergen zo algemeen geaccepteerd raakte in Nederland&#x2019; (p. 232), maar, stelt hij even verder, &#x2018;Tinbergen was zich er zeer van bewust dat hij door de perspectiefverandering uitgekomen was op een fundamenteel ander soort economische wetenschap&#x2019; (p. 236).</p>
<p>Ik denk dat het blijvende belang van Tinbergen vooral in deze &#x2018;perspectiefverandering&#x2019; moet worden gezocht, maar ook hierover ben ik niet onverdeeld positief. Op de keper beschouwd slaan beleidseconomen (in en buiten het CPB) in hun voorspellingen en adviezen de plank zo vaak mis, dat het geloof erin irrationeel wordt. Ook wat dit betreft wordt de in het openingscitaat aangehaalde scepsis van Piketty keer op keer bevestigd. Van het idealisme van Tinbergen was bij zijn &#x2018;telgen&#x2019; helaas weinig meer te merken, van zijn technocratische eigendunk des te meer. Het wordt tijd voor een nieuwe doordenking van de verhouding tussen idealisme en technocratie, en een nieuw beleidsparadigma waarin meer rekening wordt gehouden met de schadelijke effecten van het loonmatigings- en bezuinigingsbeleid van de afgelopen decennia.</p>
<sec id="s1">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Ad Knotter</bold>(1952) is honorair hoogleraar aan de Universiteit Maastricht en research fellow bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Na zijn pensionering als directeur van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg in 2018 is hij op het IISG begonnen aan een onderzoek naar de actiegeschiedenis van de vakbeweging in Nederland in de periode 1959-1982.</p>
<p>E-mail: <email>ad.knotter@iisg.nl</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>Thomas Piketty, <italic>Capital et id&#x00E9;ologie</italic> (Parijs 2019) 63.</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Arjo Klamer en Hendrik van Dalen, <italic>Telgen van Tinbergen. Het verhaal van de Nederlandse economen</italic> (Amsterdam 1996).</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>Geciteerd in Arjo Klamer, <italic>Verzuilde dromen. 40 jaar SER</italic> (Amsterdam 1990) 74.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Lloyd Ulman en Robert J. Flanagan, <italic>Wage restraint. A study of incomes policies in Western Europe</italic> (Berkeley etc. 1971) 56-57.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>H. Vos, &#x2018;De Nobelprijs voor Tinbergen&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie. Maandblad van de Partij van de Arbeid</italic> 26 (1969) 501-506, aldaar 505.</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>J. Tinbergen, &#x2018;Optimale loonpolitiek&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie. Maandblad van de Partij van de Arbeid</italic> 19 (1962) 352-357; J. van den Doel, C. de Galan en J. Tinbergen, &#x2018;Pleidooi voor een geleide loonpolitiek&#x2019;, <italic>Economisch-Statistische Berichten</italic> 17 maart en 1 september 1976.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Vgl. Ad Knotter, &#x2018;Geen makke schapen. Loonpolitiek, vakbonden en &#x201C;wilde&#x201D; stakingen in de aanloop naar de loonexplosie van 1964&#x2019;, <italic>TSEG</italic> 18:2 (2021) 73-108.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>J.P. Windmuller, C. de Galan en A.F. van Zweeden, <italic>Arbeidsverhoudingen in Nederland</italic> (Utrecht/Antwerpen1983) 232.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Geciteerd in Maarten van Bottenburg, <italic>&#x201C;Aan den Arbeid&#x201D;. In de wandelgangen van de Stichting van de Arbeid 1945-1995</italic> (Amsterdam 1995) 165.</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p><italic>NRC Handelsblad</italic> 12 januari 1992: &#x201C;Nederlands model onderscheidt zich door prominente rol overheid&#x201D;. Zie ook H. Slomp, &#x2018;Het Nederlands loonoverleg: veel overleg en heel veel overheid&#x2019;, in: N.A. Hofstra en P.W.M. Nobelen (red.), <italic>Toekomst van de overlegeconomie</italic> (Assen/Maastricht 1993) 72-83.</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>H. den Hartog en H.S. Tjan, <italic>Investeringen, lonen, prijzen en arbeidsplaatsen (Een jaargangenmodel met vaste co&#x00EB;ffici&#x00EB;nten voor Nederland)</italic> [Centraal Planbureau Occasional Papers 2-1974]. Voor kritische besprekingen (met daarbij ook een herziene beschrijving van het model zelf) zie onder meer W. Driehuis en A. van der Zwan (red.), <italic>De voorbereiding van het economisch beleid kritisch bezien</italic> (Leiden/Antwerpen 1978).</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>Vgl. Ad Knotter, &#x2018;Sociaaldemokratische opvattingen van loon en loonstrijd in Nederland (1918-1940)&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> 6 (1980) 3-44, aldaar 34-35 en 38-39.</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>Vgl. F.A.G. den Butter, &#x2018;De onderbouwing van het loonmatigingsbeleid in Nederland&#x2019;, <italic>Economisch-Statistische Berichten</italic> 74 nr. 3716 (1989) 688-692 en Jarig van Sinderen, &#x2018;De ESB-discussie over het jaargangenmodel van Den Hartog en Tjan&#x2019;, <italic>Economisch-Statistische Berichten</italic> 101 nr. 4726 (2016) 48-50; Zie ook Munise Varisli, <italic>Grenzen aan de groei? Sociaaleconomische debatten in Nederland in de jaren 1971-1983</italic> (Masterscriptie Universiteit van Amsterdam 2018).</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>Knotter, &#x2018;Sociaaldemokratische opvattingen van loon en loonstrijd&#x2019;; Zie ook M. Boumans, &#x2018;De constructie van de samenleving. Tinbergen en de vroege planning&#x2019;, <italic>Beleid en Maatschappij</italic> 16 (1989) 230-245; Aad Blok, &#x2018;Jan Tinbergen en de Nederlandse sociaaldemokratische ideologie&#x2019;, in: G. Alberts en P. Weeder, <italic>Distantie en engagement: Jan Tinbergen autobiografisch</italic> (Eindhoven 1988) 9-36; <italic>idem</italic>, &#x2018;Jan Tinbergen en de Nederlandse sociaal-democratie&#x2019;, <italic>Het vijftiende jaarboek voor het democratische socialisme: Van Troelstra tot De Uyl</italic> (1994) 197-227. Overigens komt geen van deze artikelen voor in de literatuurlijst van de hier besproken biografie.</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>Jan Tinbergen, &#x2018;Het loondebat in de jaren dertig&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> 7 (1981) 43-47.</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>Zie ook Ad Knotter, &#x2018;Generational change and the reorientation of Dutch social-democratic economic policy in the early 1930s&#x2019;, in: Aad Blok e.a. (red.), <italic>Generations in labour history. Papers presented to the sixth British-Dutch conference on labour history Oxford 1988</italic> (Amsterdam 1989) 81-91 en meer recent: Ad Knotter, &#x00B4;Generational change and elite formation in the Dutch social democratic movement, or: Was there a &#x201C;Generation Ebert&#x201D; in the Netherlands?&#x00B4;, paper voor de conferentie &#x2018;Sozialisation und Socialistische Politik. Die &#x2018;1870er&#x2019; in international vergleichender Perspektive&#x2019; (Stiftung Reichpr&#x00E4;sident-Friedrich Ebert-Gedenkst&#x00E4;tte, 2021) (te verschijnen).</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>Geciteerd in Knotter, &#x2018;Sociaaldemokratische opvattingen van loon en loonstrijd&#x2019;, 28.</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p>J.G. Suurhoff, <italic>Loonpolitiek</italic> [Studie Organisatie Strijd. Een serie kleine geschriften over vakbondsproblemen. Uitgegeven door het N.V.V.] (Amsterdam [1947]) 3; <italic>idem</italic>, &#x2018;Op weg naar bestaanszekerheid&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie. Maandblad van de Partij van de Arbeid</italic> 9 (1952) 27-43, aldaar 40.</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p>Vgl. C.H. Wiedijk, <italic>Het &#x2018;nieuwe socialisme&#x2019; van de jaren dertig. Frans en Nederlands neo-socialisme gedurende de grote depressie</italic> [IISG research paper 38] (Amsterdam 2000); Jan Willem Stutje, <italic>Hendrik de Man. Een man met een plan</italic> (Kalmthout 2018)</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p>Jan Tinbergen, &#x2018;De toekomstige sociale orde en onze beweging&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie. Maandblad van de Partij van de Arbeid</italic> 22 (1965) 728-743, aldaar 737. Zie over het technocratische karakter van Tinbergens loonpolitieke opvattingen ook J.A.A. van Doorn, &#x2018;Corporatisme en technocratie. Een verwaarloosde polariteit in de Nederlandse politiek&#x2019;, <italic>Beleid en Maatschappij</italic> 8 (1981) 134-149, aldaar 143-144.</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Geciteerd door Klamer, <italic>Verzuilde dromen</italic>,78.</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p>Dekker, <italic>Jan Tinbergen</italic>, 318.</p></fn>
<fn id="fn23" symbol="23"><p>Vgl. Adrienne van den Boogard, &#x2018;Het CPB, wiskunde en praktijk in wording. Een eeuw wiskunde en werkelijkheid&#x2019;, <italic>Nieuw Archief voor Wiskunde</italic> 5 (2000) 294-300.</p></fn>
<fn id="fn24" symbol="24"><p>Zoals in 1962 werd vastgesteld door de jezu&#x00EF;et Harry Hoefnagels in een spraakmakende kritiek op de Tinbergiaanse geleide loonpolitiek: &#x2018;Nederland een sociaal paradijs? Poging tot een sociologisch verantwoorde beoordeling onzer sociale verhoudingen&#x2019;, <italic>Sociologische Gids</italic> 8 (1961) 274-289. Zie ook (met een explicietere verwijzing naar Tinbergen): <italic>idem</italic>, &#x2018;Loonpolitieke crisis in Nederland&#x2019;, <italic>Streven. Maandblad voor geestesleven en cultuur</italic> 17 (1963-1964) 221-229,</p></fn>
<fn id="fn25" symbol="25"><p>Zo kwam de samenwerking in de Benelux in 1951/52 en 1958 onder druk te staan door de concurrentievoordelen in de handel met Belgi&#x00EB; als gevolg van de bestedingsbeperking in die jaren. Zie J.L. van Zanden, &#x2018;De economische ontwikkeling van Nederland en Belgi&#x00EB; en het &#x201C;succes&#x201D; van de Benelux&#x2019;, in: E.S.A. Bloemen (red.), <italic>Het Benelux-effect</italic> (Amsterdam 1992) 13-32.</p></fn>
<fn id="fn26" symbol="26"><p>Dit is het centrale thema in de kritiek op de loonmatiging van Alfred Kleinknecht, bijvoorbeeld in &#x2018;Heeft Nederland een loongolf nodig? Een neo-Schumpeteriaans verhaal over bedrijfswinsten, werkgelegenheid en export&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Politieke Ekonomie</italic> 17:2 (1994) 5-24 en het daarop volgende debat: Ton van Schaik, Henk Don, Kees van Paridon, Coen Teulings, Alfred Kleinknecht, &#x2018;Wel creatieve destructie en geen loongolf? In debat met Alfred Kleinknecht&#x2019;, <italic>ibidem</italic> 17:4 (1995) 30-68. Kleinknechts redenering vertoont veel verwantschap met de pre-Tinbergiaanse sociaaldemocratische opvattingen over loonstrijd. Zie daarover Ad Knotter, &#x2018;Pleiten voor hoge lonen is ook een kwestie van conjunctuur&#x2019;, <italic>NRC Handelsblad</italic> 5 oktober 1994.</p></fn>
<fn id="fn27" symbol="27"><p>Vgl. No&#x00E9; van Hulst, <italic>De effectiviteit van geleide loonpolitiek in theorie en praktijk</italic> (Groningen 1984).</p></fn>
<fn id="fn28" symbol="28"><p>Uwe Becker en Corina Hendriks, &#x2018;&#x201D;As the Central Planning Bureau says&#x201D;. The Dutch wage restraint paradigm, its sustaining epistemic community and its relevance for comparative research&#x2019;, <italic>Review of International Political Economy</italic> 15 (2008) 826-850.</p></fn>
<fn id="fn29" symbol="29"><p>Hans Stegeman en Ruth van de Belt, &#x2018;De loonmatigingsverslaving. Tijd om af te kicken?&#x2019; (RABO Kennis en Economisch Onderzoek juni 2012) (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://economie.rabobank.com/contentassets/46621499841f4bae8709ab502f66331a/sp1206hst_rvb_loonmatiging.pdf">https://economie.rabobank.com/contentassets/46621499841f4bae8709ab502f66331a/sp1206hst_rvb_loonmatiging.pdf</ext-link>); Martijn Badir, &#x2018;Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil&#x2019; (RABO Research 5 februari 2018) (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederlandstaat-vrijwel-stil/">https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederlandstaat-vrijwel-stil/</ext-link>); Menno Middeldorp, &#x2018;Arbeidsinkomensquote en ongelijkheid&#x2019; (RABO Research 14 mei 2018) (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/mei/arbeidsinkomensquote-enongelijkheid/">https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/mei/arbeidsinkomensquote-enongelijkheid/</ext-link>); Sander Heijne en Hendrik Noten, <italic>Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder</italic> (Amsterdam/Antwerpen 2020).</p></fn>
<fn id="fn30" symbol="30"><p>J. Tinbergen, <italic>Redelijke inkomensverdeling</italic> (Haarlem 1946); <italic>idem</italic>, &#x2018;Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie</italic> 10 (1953) 354-361; J. Pen en J. Tinbergen, <italic>Naar een rechtvaardiger inkomensverdeling</italic> (Amsterdam 1977); Vgl. Roel Bos en Gelijn Werner, &#x2018;Normatieve kant van Tinbergen heeft flinke stempel op beleid gedrukt&#x2019;, <italic>Economisch Statistische Berichten</italic> 105 (11 juni 2020) 20-23.</p></fn>
<fn id="fn31" symbol="31"><p>Jan Pen, &#x2018;Tussen elitisme en egalitarisme&#x2019;, in: Alberts en Weeder, <italic>Distantie en engagement</italic>, 55-63 (oorspr. in <italic>Economisch Statistische Berichten</italic> 68, 6 april 1983).</p></fn>
<fn id="fn32" symbol="32"><p>Knotter, &#x2018;Sociaaldemokratische opvattingen&#x2019;, 33.</p></fn>
<fn id="fn33" symbol="33"><p>De redenering vertoont enige verwantschap die van de Brits-Zuid-Afrikaanse econoom W.H. Hutt (1899-1988) wiens in 1930 verschenen <italic>The theory of collective bargaining</italic> een soort bijbel werd van de neoliberale <italic>revival</italic> in de jaren 1970 en mede ten grondslag lag aan de antivakbondspolitiek van Margaret Thatcher in Groot-Brittanni&#x00EB; in de jaren 1980. Het boek werd in 1975 herdrukt door het Thatcher-gezinde Institute of Economic Affairs: W.H. Hutt, <italic>The theory of collective bargaining</italic> (Londen 1975; oorspr. 1930). Zie: Ben Jackson, &#x2018;Hayek, Hutt and the trade unions&#x2019;, in: R. Leeson (red.), <italic>Hayek: A collaborative biography</italic>, deel V (Manchester 2014) 208-228.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>