<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14741</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14741</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Tinbergen en de theoretische armoede van de sociaaldemocratie</article-title>
<subtitle>Observaties bij de Tinbergen biografie van Erwin Dekker</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Kleinknecht</surname>
<given-names>Alfred</given-names>
</name>
<email>alfred.kleinknecht@gmail.com</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>121</fpage>
<lpage>130</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Alfred Kleinknecht</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Alfred Kleinknecht</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>De Tinbergen-biografie van Erwin Dekker laat zien dat de hoge werkloosheid van de jaren dertig van doorslaggevend belang was in Tinbergens denken. Tinbergen deelde met Keynes het wantrouwen jegens de ongebreidelde krachten van de &#x2018;vrije&#x2019; markt. Desondanks bleef hij op een aantal punten sceptisch tegenover het keynesianisme. Dit geld vooral voor zijn neoklassieke interpretatie van werkloosheid (te hoge lonen) en zijn terughoudendheid tegenover tekorten op de overheidsbegroting in tijden van crisis. Als eminent econoom had Tinbergen grote invloed op het naoorlogse economische denken. Zijn ambivalente houding tegenover het keynesianisme droeg er mede aan bij dat het keynesianisme bij de PvdA zwak verankerd was waardoor de partij te weinig weerstandsvermogen had tegen de anti-keynesiaanse contrarevolutie van de neoliberale aanbod economen vanaf de jaren zeventig, met alle gevolgen van dien.</p>
<sec id="s1">
<title>Inleiding: de lange schaduw van de jaren dertig</title>
<p>De crisis van de jaren dertig had op het denken van een hele generatie economen een haast traumatische uitwerking. Het heeft ook een diep wantrouwen tegen &#x2018;vrije&#x2019; markten geschapen. In de biografie van Erwin Dekker over Jan Tinbergen komt duidelijk naar voren hoezeer dit ook voor Tinbergen gold. Tinbergen was voorstander van een corporatistisch model met een zware rol voor experts, maar ook voor instituties van het maatschappelijke middenveld (bijvoorbeeld bedrijfschappen, de Sociaal Economische Raad en de Stichting van de Arbeid). Dit alles moest de marktkrachten dempen en voor stabiliteit zorgen, zodat het kapitalisme niet opnieuw zou ontsporen. Uit Dekkers biografie wordt vooral ook duidelijk dat de angst voor massawerkloosheid en opkomend fascisme voor Tinbergen een belangrijke drijfveer was om economisch onderzoek en beleidspraktijk dicht bij elkaar te brengen.</p>
<p>Zelf heb ik nog in 1972 voor een studie economie gekozen omdat ik graag wilde weten of een dergelijke crisis ooit weer terug kon komen. Het standaardantwoord van mijn leraren was eind jaren zestig: &#x2018;Neen, dit gebeurt niet meer. Wij hebben nu keynesiaanse sturingsinstrumenten.&#x2019; Maar het keynesianisme kwam in de jaren zeventig in een crisis terecht en werd daarna uit de economische faculteiten verdrongen.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Ambivalentie over de anti-keynesiaanse revolutie</title>
<p>De biografie van Dekker geeft geen aanwijzingen dat Tinbergen, tijdens de anti-keynesiaanse contrarevolutie van neoliberale aanbodeconomen vanaf het einde van de jaren zeventig, duidelijk stelling nam ten gunste van het keynesianisme. Dit kan twee oorzaken hebben. Ten eerste maakt Dekker keer op keer duidelijk dat Tinbergen geen straatvechter was. Hij bleef altijd beleefd en meed confrontaties. In plaats van te polariseren zocht hij altijd weer draagvlak en consensus. Ten tweede bevatte het <italic>Plan van de Arbeid</italic> weliswaar keynesiaanse elementen, maar uiteindelijk was Tinbergen geen keynesiaan. Dit blijkt uit tenminste twee dingen die ook uit Dekkers biografie helder naar voren komen.</p>
<p>Ten eerste laat Dekker zien dat Tinbergen nooit voor begrotingstekorten pleitte (p. 219). Ook de effecten van maatregelen in het kader van de <italic>Plan van de Arbeid</italic> waren (omwille van politieke haalbaarheid) zo doorgerekend dat er geen begrotingstekorten zouden ontstaan (p. 120). In een keynesiaans perspectief zijn in tijden van crisis begrotingstekorten daarentegen juist hard nodig. Want als de private sector te veel spaart, dan moet de publieke sector het tegendeel doen, dat wil zeggen: schulden maken teneinde de spaaroverschotten van de private sector (enigszins) te compenseren en daarmee de groei van de werkloosheid te beperken.</p>
<p>In calvinistische kringen heeft men echter de neiging om het maken van schulden als iets zondigs te ervaren. Dit laatste woog voor Tinbergen kennelijk zwaar en het houdt vermoedelijk verband met zijn uitermate zuinige en ascetische leefstijl waar Dekker herhaaldelijk naar verwijst (&#x2018;geen drank, geen tabak, geen auto&#x2026;&#x2019;, p. 370). Zelf viel me in mijn briefwisselingen met Tinbergen op, dat hij aan het einde van zijn brieven het nog onbeschreven stukje papier altijd afknipte. Dit kon nog voor andere doeleinden worden gebruikt. En, wie weet, scheelde het in de portokosten.</p>
<p>Ten tweede blijkt uit meerdere passages van Dekkers biografie dat Tinbergen een resoluut aanhanger was van de geleide loonpolitiek (met andere woorden: loonmatiging) in de jaren vijftig, terwijl een beetje keynesiaan toch zou bepleiten dat de lonen minimaal inflatie plus productiviteitsgroei moeten bijhouden, teneinde koopkrachtuitval en werkloosheid te voorkomen. Bij zijn pleidooi voor loonmatiging had Tinbergen uiteraard de micro-economische dalende vraagcurve naar arbeid in het achterhoofd. Maar er blijkt uit Dekkers biografie ook een obsessie met sparen: het streven naar hoge spaarquotes was voor Tinbergen altijd &#x2018;goed&#x2019;, terwijl uit keynesiaans oogpunt sparen tijdens recessies juist een euvel is.</p>
<p>Dekker maakt ons er tevens op attent, dat Tinbergen ook bang was voor &#x2018;rationalisatie&#x2019;: werkloosheid door een (te) snelle stijging van de arbeidsproductiviteit als gevolg van loonstijgingen (p. 130). Op pagina 131 blijkt bovendien dat Tinbergen een deel van de hoge werkloosheid van de jaren dertig aan &#x2018;te hoge lonen&#x2019; toeschreef, terwijl de keynesiaanse diagnose luidt dat lonen de belangrijkste component zijn van de effectieve vraag die bepalend is voor de economische groei. Te lage lonen kunnen dus via vraaguitval de werkloosheid vergroten. Volgens Dekker geloofde Tinbergen zelfs niet in de keynesiaanse inkomens vermenigvuldiger waarvan de boodschap luidt: financieringstekorten van de overheid verdienen zichzelf terug via expansieve effecten op de economische groei.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Sympathie voor technocratisch beleid</title>
<p>Dekker maakt duidelijk dat Tinbergen het werkloosheidsvraagstuk overwegend neoklassiek interpreteerde. Dit kan mede verklaren dat hij ondanks zijn socialistische opvattingen ook veel waardering had voor het werk van de Duitse econoom Wilhelm R&#x00F6;pke &#x2013; een man van het eerste uur achter de Mont Pelerin Society van Hayek.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref> Wat Tinbergen met de neoliberale heren (geen dames) achter de Mont Pelerin Society verder nog gemeenschappelijk had, was zijn neiging om economische besluitvorming zo veel mogelijk op afstand te plaatsen van de &#x2018;wispelturigheid&#x2019; van de politiek en de parlementen.</p>
<p>Er moest zo veel mogelijk besluitvorming worden voorgekookt in &#x2018;neutrale&#x2019; technocratische organen, zoals in Nederland bijvoorbeeld de <italic>Centrale Economische Commissie</italic>, een club hoge ambtenaren zonder direct democratisch mandaat. En de aanbevelingen van dit soort organen werden vervolgens als een <italic>fait accompli</italic> ter besluitvorming aan de politiek voorgelegd; om daar bij voorkeur als hamerstuk te worden goedgekeurd: dit is nu eenmaal wat het economische <italic>Sachverstand</italic> ervan vindt.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> Je moet dan als Kamerlid wel stevig in je schoenen staan om daar nog aan te morrelen. Het verklaart wellicht ook &#x2013; en dat lees ik bij Dekker tussen de regels &#x2013; dat Tinbergen zich tijdens de neoliberale revolutie tegen het keynesianisme enigszins op de vlakte hield. Hij zou veel van de (veelal impliciete) normatieve keuzes van de neoliberale aanbodtheoretici niet gedeeld hebben, maar had kennelijk ook te weinig affiniteit met het keynesianisme om met resolute tegenspraak te komen.</p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Hollands exportisme: eigen werklozen eerst!</title>
<p>Dekker laat zien dat Tinbergen worstelde met de vraag of loonmatiging wel zo goed was voor de werkgelegenheid. Enerzijds zag hij uiteraard de positieve koopkracht- en werkgelegenheidseffecten van hogere lonen; anderzijds gaf hij meer gewicht aan het argument dat hogere lonen de concurrentiepositie zou schaden en via deze weg weer de werkgelegenheid zou reduceren. Bij zijn pleidooi voor meer export was Tinbergen zich kennelijk niet bewust van het keynesiaanse <italic>&#x2018;beggar-thy-neighbour&#x2019;</italic> argument: maak je buurman arm. Het exportoverschot van een land is per definitie het importoverschot van een ander. Landen met langdurige importoverschotten worden inderdaad armer. Ze ondergaan een proces van sluipende de-industrialisatie, gevolgd door een structureel hogere werkloosheid en kennen als vervolg daarvan ook problemen met de overheidsfinanci&#x00EB;n. Het Nederlandse &#x2018;exportisme&#x2019; schept dus werkgelegenheid in Nederland ten koste van buurlanden: &#x2018;eigen werklozen eerst&#x2019;. Bovendien is er de neiging, importoverschotten vooral met krediet te financieren en dit heeft bijvoorbeeld bijgedragen aan de groeiende schuldenberg in Zuid-Europa die in 2010 in de Eurocrisis resulteerde. <xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref> Het blijft na het lezen van Dekkers biografie wat vreemd dat een man als Tinbergen, die zo begaan was met harmonieuze internationale relaties, dit argument kennelijk niet heeft waargenomen, of in ieder geval niet heeft meegewogen.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>De ellende met loonmatiging</title>
<p>Uit het huidige zicht (en nog niet bekend in de tijd van Tinbergen) kan nog een tweede kritische noot tegen loonmatiging toegevoegd worden. Loonmatiging leidt tot een stelselmatige vertraging van de productiviteitsgroei. Empirische schattingen geven aan dat 1 procentpunt minder loonstijging de groei van de arbeidsproductiviteit (bruto binnenlands product per arbeidsuur) op middellange termijn met ca. 0.3 &#x2013; 0.5 procentpunten verlaagt.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref> Aangezien de voor de internationale concurrentiepositie relevante loonkosten (per eenheid product) bepaald worden door het samenspel van loongroei &#x00E9;n productiviteitsgroei betekent dit dat het verwachte positieve effect van loonmatiging op loonkosten en concurrentiepositie een stuk bescheidener uitvalt dan verwacht.</p>
<p>Een voordeel van langzame productiviteitsgroei is wel dat de economische groei meer arbeidsintensief wordt. Want wie langzamer moderniseert heeft meer extra handen nodig. Voor wie nog in de fixatie op <italic>werk, werk en nogmaals werk</italic> gevangen zit, ligt hier juist een voordeel van loonmatiging. Het nadeel is dat door de geringe productiviteitsgroei ook de koek die men jaarlijks kan verdelen tussen kapitaal, arbeid en overheid langzamer groeit. Het kan geen toeval zijn dat in de periodes van loonmatiging (en lage productiviteitsgroei) juist in Nederland heel hard bezuinigd moest worden, nog afgezien van een vergaande stagnatie van vooral lage en middeninkomens.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref> Er was domweg minder om te verdelen. Vermoedelijk heeft dit ook de electorale basis van middenpartijen &#x2013; en daarmee ook de basis van Tinbergiaans beleid &#x2013; aangetast.</p>
<p>Het loonmatigingsmodel heeft tevens de neiging zich in eigen start te bijten. De laagproductieve, maar (daardoor) arbeidsintensieve groei leidt vroeger of later tot een krappe arbeidsmarkt. Rond 1960 was, na een decennium van geleide loonpolitiek, de krapte dermate groot, dat er wel een loonexplosie moest plaatsvinden. Deze loonexplosie kwam dan via het massief zwart betalen door werkgevers, c.q. via het formeel loslaten van de geleide loonpolitiek in 1963 tot stand. Ook de meest overtuigde aanhangers van de geleide loonpolitiek konden toen een elementaire wet van de economie niet meer tegenhouden: schaarste vraagt om prijsverhogingen. Met de huidige krapte op de arbeidsmarkt kan zich een scenario als in de vroege jaren zestig herhalen. Na 1960 werd de loonexplosie overigens gevolgd door een langere periode van hoge productiviteitsgroei. Het zou niet verkeerd zijn, als dit de komende jaren ook weer zou gebeuren.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Averechtse schokken in de jaren zeventig</title>
<p>Becker en Hendriks beklemtonen in hun artikel uit 2008 dat de erfenis van de geleide loonpolitiek (te) ver is doorgedreven door een <italic>epistemic community,</italic> een onderling verbonden vertoogcoalitie van economen, bestuurders, journalisten en opinieleiders.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref> Dekker maakt duidelijk dat deze <italic>epistemic community</italic> ook door Jan Tinbergen is ondersteund. Het succes van deze <italic>community</italic> kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. In mijn visie is de terugkeer van de loonmatiging in de late jaren zeventig, maar ook de groeiende invloed van de neoliberale aanhangers van de Mont Pelerin Society alleen te begrijpen tegen de achtergrond van een aantal averechtse economische schokken die de economie tussen de vroege jaren zeventig en midden jaren tachtig teisterden. Hier dienen tenminste vier factoren te worden genoemd:</p>
<p>Ten eerste, de forse olieprijsverhogingen van het OPEC-kartel in 1973 en 1978 die niet alleen de kosten voor productie en consumptie verhoogden, maar vooral ook de inflatie.</p>
<p>Ten tweede de &#x2018;Hollandse Ziekte&#x2019;. In de nasleep van de genoemde prijsverhogingen voor olie stegen ook de gasprijzen. De hoge exportopbrengsten van het Groningse gas leidden tot een overwaardering van de Nederlandse gulden. De sterke gulden was een klap voor de export- en importgevoelige bedrijvigheid. Het bevorderde reorganisaties, bedrijfssluitingen en de-industrialisatie en verhoogde de structurele werkloosheid.</p>
<p>Ten derde kan men de jaren zeventig interpreteren als de periode waarin de lange expansieve Kondratieffgolf vanaf 1945/48 op haar einde liep. De technologisch leidende industrie&#x00EB;n die de naoorlogse expansie hadden gedragen, raakten toen verzadigd.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref> De aflopende Kondratieffexpansie ging wereldwijd gepaard met ruwweg een halvering van de groeivoeten van de toegevoegde waarde per arbeidsuur, hetgeen de speelruimte voor de inkomensverdeling gevoelig beperkte.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref></p>
<p>Een vierde factor was de wereldwijde negatieve doorwerking van de <italic>Volcker-shock</italic> uit 1979, de draconische renteverhogingen van de Amerikaanse Centrale Bank om de inflatie te beteugelen. De <italic>Volcker-shock</italic> heeft eerst de VS en vervolgens ook Europa en Azi&#x00EB; in een fikse recessie gestort en de werkloosheid structureel verhoogd.</p>
<p>Alle vier factoren tezamen zorgden voor problemen waar het keynesianisme in eerste instantie geen bevredigend antwoord op had. De rap oplopende werkloosheidscijfers brachten herinneringen terug aan de jaren dertig. Dit heeft alle remmen losgegooid om weer volop de geleide loonpolitiek van stal te halen. Maar het schepte ook ruimte voor een nieuw paradigma: de neoliberale aanbodeconomie (<italic>supply-side economics</italic>).</p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Herwaardering van het keynesianisme</title>
<p>Tegen de zojuist geschetste achtergrond moeten we wellicht ook de merites van het keynesianisme anders interpreteren. De vijfentwintig gouden jaren van ca. 1948-1973 werden dikwijls toegeschreven aan succesvol keynesiaans beleid, terwijl men ook kan argumenteren dat de keynesianen domweg het geluk hadden dat de opgaande lange Kondratieffgolf tot begin jaren zeventig meezat. Andersom, het blijkbare falen van het keynesianisme gedurende de breukperiode 1973-1985 werd vermoedelijk door neoliberale critici over-ge&#x00EF;nterpreteerd. Er moet hoe dan ook de retorische vraag worden gesteld welk economisch beleidsparadigma kan standhouden in een <italic>uphill battle</italic> tegen de onheilige alliantie van een olieprijsshock, een omslag van een lange Kondratieffgolf, een <italic>Volcker-shock</italic> en daar bovenop nog een stevige &#x2018;Hollandse Zieke&#x2019;. Iedere economische theorie die de pech heeft om juist in zo&#x2019;n periode de wereldwijd dominante en beleidsbepalende theorie te zijn, krijgt dan (terecht of ten onrechte) de volle laag der kritiek.</p>
<p>Voor wat betreft de waardering voor het keynesianisme speelt ook nog een donker hoofdstuk. Het Duitse fascisme bedreef vanaf 1933 een soort &#x2018;keynesianisme-avant-la-lettre&#x2019;. Na Hitlers machtsgreep in januari 1933 (en dus nog ruim drie jaar voordat de <italic>General Theory</italic> van Keynes verscheen), begon het Duitse rijk met stevige <italic>deficit spending</italic> voor de wapenproductie, want er moest een Groot-Germaans Rijk worden veroverd. De financieringsmethode van dit militair-keynesiaanse programma mag dan wankel en roekeloos zijn geweest, het heeft wel gewerkt. Was 1932/33 nog bijna een derde van de Duitse beroepsbevolking werkloos, vanaf 1936 begonnen Duitse industri&#x00EB;len te klagen over een tekort aan arbeidskrachten en was Duitsland het enige land in de kapitalistische wereld met een florerende economie.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref> De nazipropaganda heeft het uiteraard niet verzuimd om dit succes breed uit te meten en dit heeft het fascisme in de jaren dertig veel politiek krediet verschaft.</p>
<p>Moeten we ons nog verwonderen om in Dekkers biografie te lezen dat zelfs iemand als de Belgische socialist De Man, de vader van het sociaaldemocratische plansocialisme, van collaboratie met de Duitse bezetters werd beticht? Het trauma van massale werkloosheid en het haast wonderlijke verdwijnen van de werkloosheid onder het fascisme heeft vermoedelijk de sympathie met het Hitler-regime en de bereidheid tot collaboratie in bezet gebied sterk bevorderd. Waarschijnlijk was de aantrekkingskracht van het Duitse model het sterkst in de periode 1935-1940, voordat de gruwelen van de oorlog en de concentratiekampen tot een groter publiek doordrongen. Zoals Dekker laat zien, had zelfs Tinbergen waarderende woorden voor het succes van het Duitse militair keynesianisme, terwijl hij echt niets moest hebben van het Nazisme. Verwonderlijk is wel dat deze waardering hem blijkens de biografie van Dekker niet lijkt te hebben aangezet om nogmaals over de merites van keynesiaans <italic>deficit spending</italic> na te denken. Tinbergen had als pacifist uiteraard geen waardering voor de Duitse bewapening, maar stel nou dat men al dit geld zou steken in nuttige investeringen die de aanbodkant van de economie versterken? Dit had Tinbergen toch wel moeten bekoren? We kunnen het hem helaas niet meer vragen.</p>
</sec>
<sec id="s8">
<title>Theoriearme middenpartijen</title>
<p>Na de oorlog bleek dat het keynesianisme in Duitsland geen dominante positie kon verwerven. Dit kwam vooral door het antikeynesianisme van de Duitse variant van een aanbodeconomie: de ordoliberale <italic>Freiburger Schule</italic>. Ook in Nederland is de invloed van het keynesianisme op het economisch beleid bescheiden gebleven,<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> mede omdat Tinbergen en zijn volgelingen zich hier wat tweeslachtig opstelden. Resoluut keynesiaans beleid heeft dus in de jaren dertig een fout regime geholpen de economie uit het dal te trekken en daarmee veel politiek krediet te oogsten, terwijl het keynesianisme in het naoorlogse Duitsland en Nederland maar mondjesmaat voet aan de grond kreeg.</p>
<p>Het keynesianisme leverde na de Tweede Wereldoorlog wel wereldwijd de legitimatie voor een nivellerende verzorgingsstaat en een gepaste regulering van markten waar juist Tinbergen een leven lang voor had gewerkt. Maar met zijn nogal tweeslachtige houding ten aanzien van het keynesianisme heeft Tinbergen zelf eraan bijgedragen dat belangrijke delen van de Nederlandse middenpartijen (en ook van zijn eigen PvdA) bij gebrek aan een sterke theoretische fundering meer of minder meedeinden met de neoliberale golf. Zo schudde Kok zijn ideologische veren af en deed mee aan de &#x2018;Derde Weg&#x2019; van Schr&#x00F6;der, Blair en Clinton. Zo voerde Jeroen Dijsselbloem als voorzitter van de Eurogroep gewoon ordo-liberaal Duits beleid uit waarmee (onnodig) zware schade is toegevoegd aan de Griekse economie. Zo zijn de WAO, de sociale werkplaatsen en nog zo veel meer gesneuveld onder (soms schoorvoetende) medewerking van de PvdA. Zo heeft de typisch Hollandse zoektocht naar draagvlak en compromis &#x2013; <italic>zonder</italic> een heldere theoretische stip aan de horizon &#x2013; uiteindelijk de erfenis van Tinbergen ondermijnd.</p>
</sec>
<sec id="s9">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Alfred Kleinknecht</bold> is emeritus-hoogleraar economie van de Vrije Universiteit Amsterdam en de TU Delft, en gasthoogleraar aan Kwansei Gakuin University, Nishinomiya, Japan. Hij werkte bij het Wissenschaftszentrum Berlijn, bij verschillende universiteiten in Nederland en bij de Hans-Boeckler-Stichting in D&#x00FC;sseldorf.</p>
<p>E-mail: <email>alfred.kleinknecht@gmail.com</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>B. Mellink en M. Oudenampsen, <italic>Neoliberalisme. Een Nederlandse geschiedenis</italic> (Amsterdam 2022).</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Zie ook ibidem.</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>A. Kleinknecht, &#x2018;Een alternatieve verklaring van de Eurocrisis&#x2019;, <italic>Jaarboek van de Koninklijke Vereniging voor de Staatshuishoudkunde</italic> (2012) 29-37.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>A. Kleinknecht, &#x2018;The (negative) impact of supply-side labour market reforms on productivity. An overview of the evidence&#x2019;, <italic>Cambridge Journal of Economics</italic> 44:2 (2020) 445-464.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>M. Kremer, M. Bovens, E. Schrijvers, en R. Went, <italic>Hoe ongelijk is Nederland?</italic> (Amsterdam 2014).</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>U. Becker en C. Hendriks, &#x2018;As the Central Planning Bureau says. The Dutch wage restraint paradigm, its sustaining epistemic community and its relevance for comparative research&#x2019;, <italic>Review of International Political Economy</italic> 15 (2008) 826-850.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>A. Kleinknecht, <italic>Innovation patterns in crisis and prosperity. Schumpeter&#x2019;s long cycle reconsidered</italic> (met een voorwoord van Jan Tinbergen) (Londen 1987).</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>A. Kleinknecht, &#x2018;The (negative) impact of supply-side labour market reforms on productivity&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>A. Tooze, <italic>The wages of destruction. The making and breaking of the Nazi economy</italic> (Londen 2008).</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>Mellink, &#x0026; Oudenampsen, <italic>Neoliberalisme.</italic></p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>