<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 386 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.14868</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.14868</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Jan Tinbergen, een econoom op zoek naar vrede: Een discussie</article-title>
<subtitle>Respons van de auteur</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Dekker</surname>
<given-names>Erwin</given-names>
</name>
<email>edekker@mercatus.gmu.edu</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>08</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>2</issue>
<fpage>149</fpage>
<lpage>160</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Erwin Dekker</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Erwin Dekker</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Inleiding</title>
<p>Ad Knotter betoogt geheel terecht dat mijn boek over Jan Tinbergen niet hoofdzakelijk gaat over de idealen van Tinbergen (&#x2018;vrede en rechtvaardigheid&#x2019;), maar vooral over de verankering van de economische expertise in het Nederlandse staatsbestel en de internationale politiekeconomisch orde. De Engelstalige editie van het boek is dan ook uitgekomen onder de titel <italic>Jan Tinbergen and the Rise of Economic Expertise</italic>.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref> De belangrijkste nalatenschap van Tinbergen zijn expertiseinstituten zoals het Centraal Planbureau, haar zusterorganisaties in bijvoorbeeld Turkije en Indonesi&#x00EB;, en zoals ik in mijn boek laat zien ook binnen internationale organisaties zoals de Verenigde Naties (VN) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Dit wil niet zeggen dat socialistische idealen niet leidend waren voor Jan Tinbergen, maar wel dat zijn invloed op het institutionele vlak een stuk groter is geweest.</p>
<p>Sinds de jaren tachtig hebben experts in deze organisaties bijgedragen aan wat nu vaak het neoliberalisme wordt genoemd: de (gedeeltelijke) privatisering van sectoren zoals de energiemarkt, de luchtvaart en de zorg; de deregulering van de arbeidsmarkt en de financi&#x00EB;le sector; en in Nederland een op loonmatiging gestoelde politiek om de internationale concurrentiepositie te verbeteren. Deze ontwikkeling kan het best worden gezien als een onbedoeld gevolg van het opzetten van deze infrastructuur van expertise. De opkomst van het keynesiaanse macro-management in de naoorlogse decennia ging gepaard met een steeds grotere rol van economische adviseurs op het kabinetsbeleid.</p>
<p>Binnen Nederland kunnen we naast het Centraal Plan Bureau (CPB) ook wijzen naar de Centrale Economische Commissie, de Nederlandse Bank waar economen de juristen verdrongen, alsook de Sociaal Economische Raad (SER) waar Tinbergen zelf, zijn telgen en zijn modellen een belangrijke rol speelden.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> Met uitzondering van het CPB was Tinbergen in geen van deze organisaties dominant. En zoals elke expert was ook de directeur van het CPB, die nog zo&#x2019;n twintig andere advies- en bestuursfuncties bekleedde in het Nederlands beleidslandschap van de jaren vijftig, regelmatig gefrustreerd dat de politiek zijn adviezen niet direct overnam. Maar het grote verhaal van deze jaren was dat economische expertise een invloedrijke en ge&#x00EF;nstitutionaliseerde plek kreeg binnen de Nederlandse politiek en haar belangrijkste adviesorganen.</p>
<p>Die invloed is nog altijd zichtbaar en kenmerkt het Nederlandse bestel waar een prominente plek is voor wetenschappelijke adviezen en technocraten, wat de recente coronacrisis nog maar eens duidelijk maakte. Maar ook experts veranderen wel eens van mening. Zoals welbekend, vond er een belangrijke omslag plaats in de professionele consensus binnen de economische wetenschap. De stagflatie in de jaren zeventig zorgde voor diepe deuken in het keynesiaanse recept van een stabiliserend overheidsbeleid door middel van monetair-en begrotingsbeleid in tijden van economische teruggang. In beleidsadviezen kwam, vanaf 1980, de nadruk te liggen op structurele factoren en de aanbodkant van de economie. Daarbij hoorde ook de poging om de inflatie onder controle te krijgen en de lonen te matigen om de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren. Dit was in ons land des te noodzakelijker door de Hollandse ziekte; de hoge relatieve waarde van de gulden, grotendeels veroorzaakt door de gasexporten.</p>
<p>Voor velen, inclusief de historici van het neoliberalisme in Nederland en daarbuiten, voelt het alsof we sinds 1980, honderdtachtig graden gedraaid zijn. Dit heeft in recent historisch onderzoek geleid tot een fascinerende, hoewel vaak wat eenzijdige, zoektocht naar de wortels van het neoliberale denken om te verklaren waar de revolutie van Reagan, Thatcher en Lubbers vandaan kwam. Daarbij wordt gewezen naar de invloed van de idee&#x00EB;n van neoliberale denkers als Friedrich Hayek en Milton Friedman.<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref> Maar een deel van de historische puzzel verdwijnt als we ons realiseren dat er ook na de jaren tachtig een groot geloof bleef bestaan in de maakbaarheid van de economie. Het recept was niet meer keynesiaans, maar neoliberaal: gericht op flexibiliteit en innovatie, een stabiele munt, en een open wereldmarkt waarin industrieel beleid niet langer een plek had. Het recept was veranderd, maar dezelfde technocratische chefs stonden in de keuken.</p>
<p>De neoliberale omslag ging dus geenszins ten koste van de economische expertise en haar prestige. Net als in de keynesiaanse hoogtijdagen was de vraag naar economische adviseurs groot en werd het succes van een kabinetsbeleid vooral afgemeten aan de economische groeicijfers en het werkloosheidspercentage. Natuurlijk waren er nuanceverschillen en in het heetst van de politieke strijd werden dat ook echte conflicten, maar het was zelden dat iemand de wenselijkheid van de invloed van de economische adviseurs zelf bevroeg. Dat had wel gemoeten, maar daarover later meer. Het was natuurlijk nooit de directe bedoeling geweest van de generatie Tinbergen dat het CPB zou adviseren over de liberalisering van de economie en het afstoten van staatsbedrijven. In de jaren vijftig waren zij ervan overtuigd dat de economie meer planning en ordening nodig had, niet minder.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref> Maar het is een direct gevolg van de verankering van economische expertise uit de jaren vijftig, dat het neoliberalisme in Nederland, zonder veel democratische discussie of sociaal overleg tot stand is gekomen.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Economische expertise als alternatief voor de democratie</title>
<p>Leen Hoffman en Jan Pronk nemen ons in hun bijdrage mee terug naar de vormende jaren van Tinbergen, de grote depressie en het antwoord van de SDAP daarop: het Plan van de Arbeid. Dit plan was ge&#x00EF;nspireerd op het Plan de Man, van Hendrik de Man in Belgi&#x00EB;. Maar in Nederland was het veel technocratischer: De Man publiceerde een actieplan van een paar kantjes, terwijl een commissie binnen de SDAP met daarin de jonge beta&#x2019;s Hein Vos en Jan Tinbergen, een lijvig boekwerk publiceerde waarin de planning grondig financieel-economisch werd onderbouwd.</p>
<p>In mijn boek laat ik zien dat zowel in Belgi&#x00EB; als in Nederland een gevoel heerste dat het parlementaire stelsel van de vroege jaren dertig niet voldeed. Tinbergen uitte zijn frustratie over het ideologische karakter van het politiek-economische debat in de Tweede Kamer en de economische ongeletterdheid van de parlementari&#x00EB;rs. Een sterke (economische) leider was een oplossing voor die crisis en het was Hendrik de Man die zich ontwikkelde tot zo&#x2019;n leider en uiteindelijk in de Tweede Oorlog collaboreerde. Ed van Cleeff, een jonge SDAP-partijgenoot en net als Tinbergen vrijzinnig protestant, zag dit gevaar al in 1935 en drong er bij Tinbergen op aan dat het wetenschappelijke karakter en democratische gehalte van het Plan beschermd moest worden. Niet veel later zegde Van Cleeff zijn partijlidmaatschap op, uit onvrede over de in zijn ogen ideologische en ondemocratische strategie rondom het Plan. Zijn zorgen bleken onterecht, de SDAP koos niet voor een sterke leider, maar voor de expert. De twee vrienden Tinbergen en Van Cleeff werden herenigd bij het CPB dat werd opgericht op aandringen van minister Hein Vos.</p>
<p>Dit instituut was in de ogen van Tinbergen en Van Cleeff het ideale alternatief voor het feitenvrije ideologische debat over de economische politiek van de jaren dertig. Zoals ik recent ook betoogd heb in de ESB, zag Tinbergen het CPB als alternatief voor de tekortkoming van democratische instituties.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref> Hij legde zich schoorvoetend neer bij het feit dat het CPB niet direct samen met de regering het economische beleid vormgaf, maar een adviserende rol kreeg. De economische expert werd daarbij voorgesteld als iemand die kon handelen in het algemeen belang, op basis van empirische kennis en de laatste wetenschappelijke technieken zoals de macro-economische modellen die Tinbergen had ontwikkeld.</p>
<p>Hoffman en Pronk wijzen er terecht op dat Tinbergen de grenzen van zijn modellen erkende. Hij stelde voor dat het parlement en de regering de normatieve doelen en prioriteiten zouden vaststellen, waarna de modellen ingezet konden worden om die doelen zo effectief mogelijk te bereiken. Dit was Tinbergens manier om ervoor te zorgen dat de modellen waardenvrij bleven en de experts hun objectiviteit konden waarborgen. Het zorgde er ook voor dat de modellen zich later prima leenden voor het nastreven van andere beleidsdoelen dan Tinbergen voor ogen had.</p>
<p>Binnen zo&#x2019;n technocratisch systeem ontleent het economisch beleid zijn legitimiteit aan de wetenschappelijke autoriteit en de objectiviteit van de modellen. In die pure vorm heeft het in Nederland, noch elders, zelden bestaan. De SER heeft in Nederland altijd een belangrijke legitimerende rol gehad, dat was zo in de vroege jaren vijftig toen op aanraden van Tinbergen een beleid van loonmatiging werd gevoerd, zodat er kapitaal vrijkwam voor de wederopbouw. Dat was wederom zo in de tijden van het Akkoord van Wassenaar, maar zoals recente studies laten zien was de sturende hand van overheid en experts in beide episodes van groot belang.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref></p>
<p>Het debat over loonmatiging in de jaren tachtig, dat Knotter heropent en dat Kleinknecht in historisch perspectief plaatst, laat vooral zien dat economische experts de grote constante factor zijn. Zij zijn het natuurlijk niet altijd met elkaar eens. Maar op de lange termijn weerspiegelen ze met enige vertraging de wetenschappelijke consensus onder Nederlandse economen, een consensus die op haar beurt vaak in belangrijke mate is gevormd door internationale ontwikkelingen in het vakgebied. Wat dat betreft is de geleide loonpolitiek van de naoorlogse jaren niet veel anders dan de derde weg van de jaren negentig, een uitkomst van wat de economische experts goed achten. Nederland is geen land geweest waar een afwijkende ideologie, of andersoortige beleidsexperimenten een grote rol hebben gespeeld in het economisch beleid. Zoals Hoffman en Pronk terecht opmerken, de beleidsmarges zijn in een kleine open economie, zoals de Nederlandse, niet heel groot.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>Tinbergen en het loondebat</title>
<p>Dit neemt niet weg dat Knotter geheel terecht opmerkt dat Tinbergen niet erg gesteld was op vraagstimulering en zich bijna altijd zorgen maakte dat de lonen teveel zouden stijgen. Zeker voor iemand die vaak de consensus zocht. Zo werd Tinbergen ingezet als bemiddelaar bij een hoog oplopend loonconflict bij de KLM eind jaren vijftig, is het opvallend dat hij regelmatig controversi&#x00EB;le standpunten innam in het loondebat.</p>
<p>Hij deed dat in 1930, net na zijn promotie in de natuurkunde, binnen de SDAP, door te stellen dat de hoge werkloosheid van het interbellum veroorzaakt was door te hoge lonen. Hij deed het opnieuw net nadat de wederopbouw was afgerond en de levensstandaard weer iets steeg, door zijn zorgen te uitten over het materialisme onder arbeiders en de loonexplosie van begin jaren zestig.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref></p>
<p>Ook in zijn theoretische werk over de rechtvaardige inkomensverdeling spreekt Tinbergen zich niet eenduidig uit voor nivellering. Zijn analyse is sterk gericht op de aanbodkant van de arbeidsmarkt, waarbij loonverschillen juist een prikkel moeten bieden voor scholing van arbeiders. Zijn voorstel voor een zogeheten talentbelasting, waarbij degenen met meer biologische aanleg, zeg maar een hoger IQ, meer belasting moeten betalen, is er niet primair op gericht om hoge inkomens tegen te gaan, maar vooral om marktconform in te grijpen.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref> Tinbergen heeft daarbij weinig op met keynesiaanse vraagstimulering en hij heeft eind jaren zestig veel sympathie voor Willem Drees Jr., die zich zorgen maakt over de stijgende overheidsuitgaven. In mijn boek speculeer ik dat het gedachtegoed van de door Drees Jr. geleidde DS&#x2019;70 Tinbergen beter paste, en dat enkel zijn loyaliteit aan de SDAP hem bij de PvdA hield.</p>
<p>De enigszins conservatieve opvatting van Tinbergen over de overheidsbegroting en de lonen is wat historici wel &#x2018;overgedetermineerd&#x2019; noemen. Die opvatting is zowel te verklaren vanuit zijn persoonlijke zeer sobere levensstijl, als vanuit zijn visie op de verantwoordelijke expert, of vanuit zijn wens om zijn nieuwe vorm van economie legitimiteit te verschaffen. Het Plan van de Arbeid was een goed voorbeeld hoe zelfs op het dieptepunt van de crisis, mede onder druk van de partijleiding, de voorstellen niet mochten leiden tot een begrotingstekort. Dat zou het Plan al voor haar lancering politiek onhaalbaar maken. Er zijn ook economisch-theoretische verklaringen te geven, maar geen van allen voldoen echt als verklaring waarom Tinbergen juist op het gebied van de lonen zo &#x2018;rechts&#x2019; was.</p>
<p>Dit is alleen te verklaren als we inzien dat zijn pleidooi voor loonmatiging helemaal niet &#x2018;rechts&#x2019; of zuinig was, maar gestoeld op zijn overtuiging dat hij moest opkomen voor de belangen van economische buitenstaanders. De economische buitenstaander bij uitstek is de werkloze, degene die vaak voor langere tijd uitgesloten is van het economische proces. De allergrootste tragedie van de jaren dertig was de massale werkloosheid en het was deze werkloosheid die sterk had bijgedragen aan de politieke instabiliteit van die periode.</p>
<p>Het opkomen voor de economische buitenstaander was een rode draad in het werk van Tinbergen. In zijn werk over de internationale orde maakte hij zich hard voor een volwaardige integratie van de ontwikkelingseconomie&#x00EB;n, vaak voormalige koloni&#x00EB;n, in het economische systeem. Hij sprak daarbij over een optimale internationale arbeidsverdeling. Dat waren geen loze woorden, hij gebruikte het om kritiek te leveren op Europese economische integratie, die ten koste zou gaan van &#x2018;derde landen&#x2019;, zoals Brazili&#x00EB; en India.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref> Die opkomende economie&#x00EB;n zouden worden geconfronteerd met wat later Fort Europa is gaan heten: een interne open markt met hoge handelsbarri&#x00E8;res naar buiten, vooral voor landbouwproducten, en een restrictief immigratiebeleid.</p>
<p>De instituties die tot stand kwamen bij de onderhandelingen rondom Bretton-Woods, waaronder het monetaire systeem waarin de dollar centraal stond en dat vooral gericht was op het Westen bekritiseerde hij om dezelfde redenen. Tinbergen had niets op met de NAVO, in plaats daarvan propageerde hij inclusieve instituties zoals de Verenigde Naties en een daadwerkelijk globalistisch vrijhandelsregime.<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> Hij maakte zich hard voor initiatieven zoals de G-77, een groep ontwikkelingslanden die een onderhandelingsblok probeerde te vormen, zodat de belangen van het mondiale &#x2018;Zuiden&#x2019; ook gehoord zouden worden. Tinbergen vergeleek hun strijd met die van de arbeiders in het Westen, die ook hadden moeten knokken en zich hadden moeten verenigen om hun belangen gehoord te krijgen. Zoals de Zweedse econoom Bent Hansen stelde in een artikel ter ere van Tinbergens Nobelprijs: &#x2018;Hij is zeer gerespecteerd in het rijke deel van de wereld, en geliefd in het arme deel van de wereld, door de underdogs&#x2019;.</p>
<p>Het laat ook zien dat Tinbergen wel degelijk doorhad dat representatie van de belangen van ondergeschoven sociale groepen of landen nodig was om het beleid te veranderen. Hij was zeer trots op wat hij bereikt had bij de SER, omdat de arbeiders een permanente plek hadden veroverd in de Nederlandse politiek-economische orde.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref> Hij hoopte dat dit de ontwikkelingslanden ook zou lukken binnen de internationale economische orde en deed praktische voorstellen in die richting.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> Maar dit streven stond wel op gespannen voet met de visie van Tinbergen als economische expert. Binnen de SER hoopte hij vooral draagkracht te genereren voor zijn wetenschappelijke adviezen. Ook op internationaal vlak erkende hij het belang van vertegenwoordiging, maar verzette hij zich sterk tegen voorstellen van sommige ontwikkelingslanden om zich af te sluiten van internationale markten en het conflict op te zoeken door middel van bijvoorbeeld economische boycots.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Public Choice en de underdogs</title>
<p>Het scherpe oog van Tinbergen voor buitenstaanders is in essentie niet veel anders dan wat de public-choice-kritiek van James Buchanan ook voor ogen had. Dat zou men niet denken als men het recente artikel van Tom Kayzel over de opkomst van het public-choice-denken binnen de PvdA zou lezen.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Niet gestoord door enige kennis van deze traditie, hij citeert geen enkel primair werk en baseert zich volledig op de zeer eenzijdige en in het geval van Nancy MacLean, deels gefabriceerde,<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref> secundaire literatuur, concludeert Kayzel dat public-choice niet meer was dan een argument voor een sterke maar kleine staat. Helaas gaan Hoffman en Pronk kritiekloos mee in deze lezing. Ik schrijf dit artikel in het Center for Public Choice aan George Mason University en durf te stellen dat de interpretatie van Kayzel de plank behoorlijk misslaat.</p>
<p>James Buchanan en zijn intellectuele public-choice-broeders wilden allereerst de groei van de naoorlogse staat begrijpen.<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> Bill Niskanen analyseerde hoe het in het belang van de bureaucratie is geweest om te streven naar groei van het staatsapparaat.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref> Anthony Downs liet zien hoe een op herverkiezing gerichte politicus zich richting het politieke midden begeeft, met een niet al te ideologisch profiel.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref> Gordon Tullocks analyse liet zien hoe relatief kleine groepen zich konden organiseren tot lobbygroepen die erop uit waren om het beleid zodanig te be&#x00EF;nvloeden dat hun beroepsgroep erop vooruitging ten koste van de meeste burgers. Omdat de voordelen geconcentreerd waren bij een kleine groep, die zich makkelijk kon organiseren, en de kosten verspreid waren over grote groepen in de vorm van iets hogere belastingen of prijzen, was het niet te verwachten dat zulke ingrepen veel verzet opwekten.<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref> Buchanan zelf was sterk gericht op de overheidsfinanci&#x00EB;n. In een van zijn klassieke werken laat hij zien hoe het wijdverbreide keynesianisme had geleid tot een systeem waarin politici wel extra investeerden in tijden van economische neergang, maar zelden tot nooit bezuinigden in tijden van economische voorspoed. Daardoor was er een systeem tot stand gekomen dat leidde tot oplopende inflatie en een gestaag groeiende staatsschuld.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref></p>
<p>Alle public-choice-analyses hadden gemeen dat ze lieten zien hoe het nastreven van eigenbelang door verschillende groepen in de samenleving grote kosten met zich meebracht voor de samenleving als geheel. Maar belangrijker nog, ze lieten zien, dat wat Marx altijd al geweten had, dat de moderne staat vooral werkt voor de machtige economische groepen. De insiders hadden het goed in een dergelijk systeem, maar de outsiders profiteerden nauwelijks van het sociaal-economische beleid, of erger nog, ze draaiden op voor de kosten. Het klassieke voorbeeld is de kunstmatige hoge lonen waarvan vakbondsleden profiteren, maar die zorgen voor werkloosheid onder een ander deel van de bevolking. Maar het kunnen ook kunstmatige hoge diploma-eisen zijn, die ervoor zorgen dat de gediplomeerden een hogere prijs voor hun diensten kunnen vragen. Of zoals de dokters het in Nederland nog altijd doen, door eenvoudigweg het aantal studenten te maximeren. Tinbergens favoriete voorbeeld van dergelijk beleid was de importtarieven, die niet alleen leiden tot hogere prijzen voor Nederlandse consumenten, maar er ook voor zorgden dat buitenlandse boeren niet konden concurreren met hun Nederlandse vakbroeders.</p>
<p>Ik herinner mij nog goed hoe ik rond 2004, als jonge idealist bij de SP geconfronteerd werd met het verzet van de partij tegen het recht van Poolse arbeiders om in Nederland te komen werken. De socialistische partij wilden de insiders, de Nederlandse bouwvakkers, beschermen tegen de buitenstaanders, de Poolse arbeidsmigranten. In een goede public-choice-analyse is niemand heilig, het is zoals Buchanan omschreef &#x2018;politiek zonder romantiek&#x2019;. Grote bedrijven zijn dol op regelgeving die toetreding tot de markt lastiger maakt om zo hun monopoliewinsten veilig te stellen. Of het schrijnende feit dat de banken in staat zijn om in goede tijden torenhoge winsten te maken en hun managers met ruimhartige bonussen te belonen, maar in slechte tijden door de staat worden bijgestaan, omdat deze financi&#x00EB;le reuzen te groot zijn om te falen.</p>
<p>Het was de hoop, of beter gesteld de na&#x00EF;viteit, van Tinbergen dat hij dacht dat experts zich boven dit krachtenveld konden stellen en beleid konden opstellen in het algemeen belang, of met de buitenstaander voor ogen. Dit overschatte niet alleen de intellectuele capaciteit van de experts en de precisie van de beroemde economische modellen, maar ook de mate waarin experts in tegenstelling tot politici boven het krachtenveld van de belangengroepen konden opereren. Dit lukte zelfs Tinbergen, door zijn tijdgenoot Paul Samuelson toch omschreven als &#x2018;heilige&#x2019;, niet altijd. De les van de public-choice-theorie is juist dat we het staatsbestel zo moesten inrichten dat ook mindere goden er niet te veel kwaad konden doen.</p>
<p>Het was niet gek dat dit gedachtengoed bij de PvdA rond 1970 een ingang vond. Nieuw Links had weinig op met de paternalistische overheid en geloofde meer in de kracht van vrije associaties dan in de georganiseerde macht van de staat. De generatie van 1968 zag in dat de overheid steeds vaker een conservatieve rol vervulde in de maatschappij, in plaats van de emanciperende rol die haar lang was toegedicht. Het waren juist de buitenstaanders die dit het scherpst zagen, de vrouwen die nog altijd geen volledige economische rechten hadden, de homo&#x2019;s en lesbiennes die in de openbaarheid hun leven wilden leiden en de snelgroeiende subculturen, die ruimte eisten voor allerlei sociale en geestverruimende experimenten.</p>
<p>Hans van der Doel, die promoveerde bij Tinbergen en een van de initiatiefnemers was van Nieuw Links, omarmde belangrijke delen van de public-choice-kritiek, en schreef na zijn vertrek uit de politiek een standaardwerk <italic>Democratie en Welvaartstheorie</italic>.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> Het boek werd viermaal herdrukt (de laatste keer in 1998) en ook in het Engels goed ontvangen. Tinbergen zelf kon weinig met de eisen van de 1968-generatie en reageerde defensief. Hij wilde terug naar een expliciete paternalistische overheid die ook op het gebied van de cultuur vaker zou ingrijpen, uiteraard op basis van culturele experts, zijn vrouw werkte enige jaren bij de Filmkeuring.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref></p>
<p>Knotter ziet geheel juist dat de centraal geleide loonpolitiek een &#x2018;repressieve en ondemocratische inmenging [is] van de staat in de arbeidsverhoudingen&#x2019;. Als we experts macht en invloed geven dan zal dat het logische gevolg zijn. In zijn conclusie pleit hij voor een herijking van de verhouding tussen idealisme en technocratie. Voor een daadwerkelijke nieuwe manier van denken zullen we daar de democratie en de vrijheid van het individu aan toe moeten voegen. Het verhaal van Tinbergen en de verankering van de economische expertise in het Nederlandse staatsbestel laat zien hoe het economisch beleid in de naoorlogse decennia centraal kwam te staan en hoe technocratische planners daarin de overhand namen. Het verhaal zou men kunnen vervolgen door te laten zien hoe technocratische hervormers dat beleid een meer neoliberale kant opstuurden na 1980.</p>
<p>Een herijking vereist een kritiek op de rol van experts, zeker als deze een bijna monopoliepositie bezitten, zoals dat het geval is bij de nationale kennisinstituten, het CPB en het RIVM. Het red team, dat wilde zorgen voor een tegengeluid tijdens de coronacrisis, was een aardige aanzet dat uiteindelijk in de kiem werd gesmoord. Ik bespreek in mijn boek uitgebreid de zogeheten Lucas-kritiek, die stamt uit de cruciale jaren zeventig, en laat zien dat een volwassen burger heel wat minder voorspelbaar reageert op overheidsbeleid dan de oude Tinbergenmodellen veronderstellen.</p>
<p>Maar het vereist bovenal een kritiek op een overheid die de samenleving wil sturen op basis van objectieve kennis, waarin de normatieve afwegingen over de kosten en de baten zelden centraal staan. Belangrijker nog, de verliezers van het beleid worden vaak in het geheel vergeten. Als we de idealen, in plaats van de technocratische aspiraties, van Tinbergen serieus willen nemen moeten we juist oog hebben voor de buitenstaanders, de groepen die niet verenigd zijn in machtige lobby- en belangenorganisaties. Of zij, zoals migranten en vluchtelingen, die minder rechten hebben dan de insiders, of wonen in landen die grotendeels buiten de enorme welvaartsstijging van de afgelopen decennia zijn gebleven. Mijn boek over Nederlands belangrijkste econoom schenkt minder aandacht aan de Nederlandse politiek na 1955, niet uit desinteresse, maar omdat Tinbergen er zelf, na een bezoek aan India, van overtuigd was geraakt dat grote winst voor buitenstaanders internationaal te behalen was.</p>
<p>In het boek staat een prachtige afbeelding waarin Tinbergen, al behoorlijk op leeftijd, een tariefmuur intrapt. Dit staat symbool voor zijn strijd voor de buitenstaander, de ontwikkelingslanden, die het meest gebaat waren bij zo min mogelijk muren en obstakels. Handelsbarri&#x00E8;res waren het belangrijkste obstakel voor Tinbergen, maar de werkelijke muur van onze tijd is ongetwijfeld de immigratiewetgeving. Die maakt het buitenstaanders onmogelijk om naar het Westen te komen en hun leven en dat van hun naasten te verbeteren. Het openen van de grenzen voor meer (arbeids)migranten zal op korte termijn ongetwijfeld geen positief effect hebben op de lonen en daarmee niet de steun vinden van alle linkse partijen. Maar het zou wel beleid zijn dat oprecht streeft naar het vergroten van de kansen van <italic>alle</italic> mensen, insiders en outsiders. Dat was Tinbergens ideaal.</p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Erwin Dekker (1984)</bold> is Senior Research Fellow bij het Mercatus Center aan de George Mason University in Fairfax, Virginia, daarvoor was hij werkzaam als post-doctoraal onderzoeker bij de Erasmus School of Economics. Hij heeft de eerste volledige biografie over Jan Tinbergen geschreven, <italic>Jan Tinbergen: Een econoom op zoek naar vrede</italic> (2021, Boom). Recent verscheen zijn boek <italic>Realizing the Values of Art</italic> (2023, Springer, co-auteur Valeria Morea). Zijn onderzoek in de geschiedenis van het economisch denken, de culturele economie en de institutionele economie is in internationale vakbladen verschenen.</p>
<p>E-mail: <email>edekker@mercatus.gmu.edu</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>Erwin Dekker, <italic>Jan Tinbergen (1903-1994) and the rise of economic expertise</italic> (Cambridge 2021).</p></fn>

<fn id="fn2" symbol="2"><p>Harry van Dalen en Arjo Klamer, <italic>Telgen van Tinbergen. Het verhaal van de Nederlandse economen</italic> (Amsterdam 1996); F.J.H. Don, &#x2018;The influence of Jan Tinbergen on Dutch economic policy&#x2019;, <italic>De Economist</italic> 167:3 (2019) 259-282.</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>Hans Achterhuis, <italic>De utopie van de vrije markt</italic> (Amsterdam 2010); Merijn Oudenampsen, <italic>De conservatieve revolte. Een idee&#x00EB;ngeschiedenis van de Fortuyn-opstand</italic> (Nijmegen 2018).</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Hoewel ik in mijn boek laat zien dat ook in de wederopbouwjaren de zaken niet zwart/wit waren. Op advies van Tinbergen vond er een belangrijke en pijnlijke liberalisatie van de huurwoningmarkt plaats. Tijdens de wederopbouw liet Tinbergen bovendien regelmatig horen dat investeringen niet door de staat maar door bedrijven moesten worden gedaan.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>Erwin Dekker, &#x2018;De polder en de expert gaan lang niet altijd goed samen&#x2019;, <italic>Economisch-Statistische Berichten</italic> 105:4786S (2020) 9-12.</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>Merijn Oudenampsen en Bram Mellink, &#x2018;Bureaucrats first. The leading role of policymakers in the Dutch neoliberal turn of the 1980s&#x2019;, <italic>TSEG &#x2013; The Low Countries Journal of Social and Economic History</italic> 18:1 (2021) 19-52.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Jan Tinbergen, &#x2018;De toekomstige sociale orde en onze beweging&#x2019;, <italic>Socialisme en Democratie</italic> 22:11 (1965) 728-743.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>Erwin Dekker, <italic>Jan Tinbergen. Een econoom op zoek naar vrede</italic> (Amsterdam 2021) hoofdstuk 7.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Jan Tinbergen, &#x2018;The impact of the European Economic Community on third countries&#x2019;, in: H. Brugmans, L. Cerych, en M.J. Lory (red.), <italic>Sciences humaines et int&#x00E9;gration Europ&#x00E9;ene</italic> (Leiden 1960) 386-398.</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>Jan Tinbergen, <italic>International economic integration</italic> (Amsterdam 1954); Erwin Dekker, &#x2018;The construction of an international order in the work of Jan Tinbergen&#x2019;, in: Alexandre M. Cunha en Carlos Eduardo Suprinyak (red.), <italic>Political economy and international order in Interwar Europe</italic> (Cham 2021) 117-137.</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>Arjo Klamer, <italic>Verzuilde dromen: 40 Jaar SER</italic> (Amsterdam 1990).</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>Jan Tinbergen, <italic>Reshaping the international order. A report to the Club of Rome</italic> (New York 1976).</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>Jan Tinbergen, <italic>Hoe kunnen wij machtsstructuren veranderen?</italic> (Zwolle, 1974).</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>Thomas Kayzel, &#x2018;Towards a politics of restraint. Public Choice theory in the Dutch Labour Party of the 1970s&#x2019;, <italic>TSEG &#x2013; The Low Countries Journal of Social and Economic History</italic> 18:1 (2021) 53-78.</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>Een goed overzicht van de vele problemen met het boek alsook de fabricaties van MacLean zijn te vinden in een aan het boek gewijd symposium in <italic>Research in the History of Economic Thought and Methodology</italic> (Bingley 2019).</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>James M. Buchanan en Gordon Tullock, <italic>The calculus of consent. Logical foundations of constitutional democracy</italic> (Ann Arbor 1965).</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>William A. Niskanen, <italic>Bureaucracy and representative government</italic> (Chicago 1971).</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p>Anthony Downs, <italic>An economic theory of democracy</italic> (New York 1957).</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p>Buchanan en Tullock, <italic>The calculus of consent</italic>; Anne O. Krueger, &#x2018;The political economy of the rent-seeking society&#x2019;, <italic>The American Economic Review</italic> 64:3 (1974) 291-303.</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p>James M. Buchanan en Richard E. Wagner, <italic>Democracy in deficit. The political legacy of Lord Keynes</italic> (New York 1977).</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Johannes van den Doel, <italic>Demokratie en welvaartstheorie. Een inleiding in nieuwe politieke ekonomie</italic> (Alphen aan den Rijn 1975).</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p>Dit neemt niet weg dat we in de respons van Tinbergen op een eerdere kritiek op Knotter uit 1981 allerlei elementen uit de public-choice-theorie terugvinden. Hij beschrijft hoe gematigde lonen een vorm van solidariteit zijn met werklozen die hierdoor een grotere kans op een baan krijgen. Hij analyseert de manier waarop de lonen kunstmatig hoog zijn in sectoren die worden beschermd door importheffingen, wat Tinbergen beschutte bedrijven noemt. Zijn pleidooi voor het &#x2018;organiseren van een opleving&#x2019; laat zien dat hij meer positieve effecten op de lonen verwacht van structurele factoren en economische groei dan van herverdeling. Jan Tinbergen, &#x2018;Het loondebat in de jaren dertig&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis</italic> 7 (1981) 44-47.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>