<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 399 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.17836</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.17836</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Waterbeheer en ideologische belangen in de premoderne Nederlanden</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van der Meulen</surname>
<given-names>Jim</given-names>
</name>
<email>jim.vandermeulen@ugent.be</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>11</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>131</fpage>
<lpage>144</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Jim van der Meulen</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Jim van der Meulen</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Met <italic>Consensus en conflict</italic> levert Milja van Tielhof een belangrijke bijdrage aan de sociale geschiedenis van de premoderne Nederlanden. Op basis van nieuwe inzichten ontleend aan recent onderzoek, produceert zij een noodzakelijk up-to-date standaardwerk over zes eeuwen Nederlandse waterstaatgeschiedenis, dat de komende decennia ongetwijfeld bovenaan de leeslijst van studenten zal prijken. Maar het boek gaat over meer dan waterbeheer alleen. Dat thema kent immers een onontkoombare associatie met de laat-twintigste-eeuwse politiek van het &#x2018;poldermodel&#x2019; en de Nederlandse burgerparticipatie; een vermeende nationale traditie met wortels in de &#x2018;proto-democratische&#x2019; middeleeuwse waterstaat. Van Tielhof rekent grotendeels af met dit beeld: democratisch was het premoderne waterbeheer zeker niet, daarvoor was de ongelijkheid te groot. Evenwel waren er &#x2018;sterke mechanismen [&#x2026;] die de diepgewortelde ongelijkheid in de maatschappij doorkruisten of verzwakten&#x2019; (p. 255). Dit hing nauw samen met de cultuur van financi&#x00EB;le verantwoording, waardoor plaatselijke belanghebbenden betrokken waren bij de gedeelde uitgaven ten behoeve van de waterstaat. Ondanks de institutionele fragmentatie en mede dankzij de niet-hi&#x00EB;rarchische verbinding tussen lokaal, regionaal en bovenregionaal waterbeheer, ontstond zo, aldus Van Tielhof, een functioneel verband tussen de verschillende politieke niveaus. Daarin was dikwijls ook een stem weggelegd voor kleine grondbezitters en -pachters op het platteland, al werden zij in de vroegmoderne periode meer en meer overstemd door regionale elites. Zo toont het boek op genuanceerde wijze aan hoe de strijd tegen het water evenzeer een potenti&#x00EB;le basis was voor inclusiviteit en verbintenis als voor hi&#x00EB;rarchie&#x00EB;n en institutionele blokkades (respectievelijk de <italic>consensus</italic> en <italic>conflict</italic> uit de titel). De waterstaat was op dit vlak een spiegel van bredere ontwikkelingen in het politieke systeem van de Nederlanden.</p>
<p>Een element dat daarin nog onderbelicht blijft, is de ontwikkeling van de politieke cultuur die het Nederlandse waterbeheer met het overkoepelende staatsbestel verbond. Meer bepaald besteedt Van Tielhof niet veel aandacht aan de verhouding tussen de zogenaamde participatiecultuur of &#x2018;participatieve bestuurscultuur&#x2019; en cultureelbepaalde idee&#x00EB;n over belangen die het eigenbelang of dat van het lokale waterschap overstegen. Op dit punt bevat het boek vooral een uitgebreide bespreking van de reeds genoemde cultuur van verantwoording, met bijvoorbeeld ook aandacht voor de gezamenlijke maaltijd op de &#x2018;rekendag&#x2019;, de dag waarop belanghebbenden samenkwamen om de gedeelde kosten van het waterbeheer te controleren. Maar de analyse van de bijkomende ritualen en de idee&#x00EB;n daaromtrent blijft uiteindelijk aan de oppervlakte. Zoals Van Tielhof zelf aangeeft is de reden hiervoor dat er eenvoudigweg nog geen &#x2018;systematisch onderzoek&#x2019; naar is gedaan (p. 193).</p>
<p>Dat een solide politiek-culturele pijler ontbreekt, vestigt dan ook eerder de aandacht op een lacune binnen de historiografie in het algemeen. Tegelijkertijd wekt ook <italic>Consensus en conflict</italic> de indruk dat idee&#x00EB;n over participatie en gedeelde belangen niet alleen van secundair belang waren in de lange termijnontwikkeling van het Nederlandse waterbeheer &#x2013; wat overigens een verdedigbaar standpunt zou zijn &#x2013; maar lijkt het soms alsof die culturele component onveranderlijk zou zijn geweest, een variabele die constant bleef over een periode van zes eeuwen. Dat tweede punt, hoewel het dus eerder impliciet aanwezig is, is problematischer en verdient enige uitdieping. Het doel van deze bijdrage is om te beargumenteren waarom het juist wenselijk is dat verder onderzoek naar de premoderne participatie-<italic>cultuur</italic> ook het tweede deel van die samenstelling benadrukt, om vervolgens een blik te geven in welke inzichten dat kan opleveren. Daarbij zal ik me richten op veranderende idee&#x00EB;n rondom het &#x2018;algemeen belang&#x2019; en de rol van politieke elites in die verandering.</p>
<p>In dit stuk vat ik politieke cultuur breed op als de verzameling van wereldbeelden, normen en waarden en de daaraan verbonden praktijken die kenmerkend zijn voor een politiek systeem. Zoals Wim Blockmans aangeeft in zijn recente monografie over volksvertegenwoordiging in premodern Europa, evolueren zulke waardenpatronen en denkwijzen &#x2018;volgens hun eigen ritme&#x2019; en slaat hun ontwikkeling bijvoorbeeld weinig acht op veranderende regelgeving.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref> Toch heeft Leslie Price ooit aangevoerd dat de gedeelde ideologische belangen van de Nederlandse politieke elite een belangrijke bouwsteen was van eenheid binnen het verder sterk gefragmenteerde bestuurssysteem van de vroegmoderne Republiek.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> Hiermee legt Price de vinger op een zere plek. Politieke cultuur mag dan een eigen cadans hebben, toch spelen idee&#x00EB;n een niet te verwaarlozen rol in het reilen en zeilen van staat en samenleving (die moeilijk van elkaar te scheiden waren in premodern Europa, waar de waterstaat een goed voorbeeld van is).<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref> Tegelijkertijd dient ideologie vaak het eigenbelang. Variaties op, en ontleningen aan morele concepten zoals &#x2018;algemeen belang&#x2019; zijn er berucht om dat ze plastisch zijn en dus enigszins naar believen kunnen worden ingevuld, en niet alleen door politieke elites.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref></p>
<p>Niettemin toont ook Van Tielhof dat bestuurlijke elites consequent een sleutelrol hebben gespeeld in de Nederlandse waterstaatsgeschiedenis. Waarin ze zich onderscheidt, is dat ze op genuanceerde wijze laat zien hoe de meeste ontwikkelingen in feite vorm kregen door het samenspel van uiteenlopende belangen: die van kleine grondbezitters, stedelijke elites, heren op het platteland, maar ook het &#x2018;staatsbelang&#x2019; van landsheren en centrale overheden. Ondertussen bevestigt ze enerzijds het autonome beloop van politieke cultuur doordat ze erkent hoe extreem de gewoonten en regels met betrekking tot de Nederlandse waterstaat bleven vari&#x00EB;ren op lokaal niveau (resulterend in &#x2018;een lappendeken van regelingen&#x2019;, p. 249). Anderzijds ging de vroegmoderne opwaardering van het Nederlandse waterschap van toezichthoudend orgaan naar bestuursorgaan gepaard met een toenemende oligarchisering en exclusiviteit. Dat zien we onder andere terug in de materi&#x00EB;le cultuur. Zo stammen meeste afbeeldingen van materi&#x00EB;le sporen die <italic>Consensus en conflict</italic> verfraaien uit de periode van na 1600, en deze bevestigen het beeld van exclusiviteit. Neem de kussens die bestuurders zoals Theodorus Bisdom, hoogheemraad van de Krimpenerwaard, van hun waterschap kregen om hun functie uit te oefenen (1747): dit waren kostbare voorwerpen, gepersonaliseerd met het wapenschild van de bestuurder in kwestie die deze letterlijk als steuntje in de rug gebruikte (pp. 148-149). En de kussens waren op dat vlak niet uitzonderlijk, want &#x2018;[i]n de zeventiende- en achttiende eeuw vinden we de wapens in de marge van wandkaarten van waterschappen, op hensbekers en glazen, maar ook op gevels van waterschapskantoren, sluizen, archiefkisten en eigenlijk overal waar plaats was&#x2019; (p. 196). Ondanks mogelijke vertekeningen vanwege de sociale <italic>bias</italic> van dit soort materiaal, drukte de vroegmoderne elite dus zijn stempel op de politieke cultuur van het waterbeheer.</p>
<p>De vraag is welke invloed deze bestuurlijke en culturele oligarchisering had op het &#x2018;ideologisch lexicon&#x2019; rondom waterbeheer in de overgang van late middeleeuwen naar vroegmoderne tijd. Deze kwestie is van ruimer belang, zowel voor de discussie rondom de inclusieve aard van de premoderne Nederlandse samenleving in het algemeen, als in het debat over de moeizame interacties (of het &#x2018;institutioneel onvermogen&#x2019;) binnen het decentrale systeem van de vroegmoderne Republiek. Op de achtergrond bij beide spelen ideologische kwesties, met name de vraag of er zich in de loop van tijd zoiets ontwikkelde als regionale en &#x2018;nationale&#x2019; Nederlandse identiteiten (p. 231).<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref> Culturele normen en waarden houden namelijk een nauw verband met de institutionele factoren die veelal centraal staan in studies naar premoderne politieke systemen &#x2013; <italic>Consensus en conflict</italic> incluis. In de ruime nieuw-institutionele definitie van instituties als &#x2018;spelregels&#x2019; van sociale interacties, zijn gecodificeerde regels en wetten trouwens onlosmakelijk verbonden met (deels ongeschreven) idee&#x00EB;n en omgangsvormen. Veranderingen in die culturele component zijn alleen een ondergeschoven kind in nieuw-institutionele studies omdat ze te traag zouden zijn om een meetbare invloed te hebben.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref> Dat dit ook zou opgaan voor zes eeuwen waterstaatsgeschiedenis, is niet overtuigend. In wat volgt zal ik dan ook de hypothese verkennen dat institutionele verschuivingen binnen de Nederlandse bestuurlijke elite hand in hand gingen met veranderende opvattingen rondom (boven)regionale belangen, zowel in het waterbeheer als in de politieke cultuur in het algemeen.</p>
<p>Zoals Van Tielhof aangeeft was &#x2018;democratie&#x2019; eerder een vies woord dan een groot goed in de opvatting van premoderne Nederlanders (p. 128). Een sleutelconcept dat eerder een centrale positie had in het ideologisch lexicon van de premoderne Nederlandse politieke cultuur was het &#x2018;algemeen belang&#x2019; (<italic>gemeyn oirbair </italic> of <italic>bonum commune</italic>), dat ook voortdurend voorkomt als normatief anker in relatie tot de waterstaat. Een kanttekening daarbij is dat het daar vooral figureert in connectie met de negatieve kant van participatie, dat wil zeggen wangedrag of nalatigheid om bij te dragen aan onderhoudskosten. Van Tielhof verwijst slechts eenmalig naar <italic>gemeyn oirbair</italic>, in connectie met de morele controle op financi&#x00EB;le aanbestedingen rond waterbeheer, maar het is duidelijk dat ze er een ruimer belang aan toekent (p. 190). Maarten Prak en andere historici beschouwen variaties op dit concept dan ook als hoeksteen van de opkomende Nederlandse burgermaatschappij, met wortels in de zeventiende-eeuwse steden, al voert het gebruik van <italic>bonum commune</italic> terug tot de vroege twaalfde eeuw.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref> Als &#x2018;cluster concept&#x2019; herbergde het verschillende ideologische overwegingen rondom participatie: stedelijke middengroepen gebruikten het als basis voor politieke inspraak, met name om hun rechten en privileges veilig te stellen, terwijl de Nederlandse landsheren het vanaf de vijftiende eeuw deels toe-eigenden om hun eigen beleid te rechtvaardigen. In deze periode komt <italic>bonum commune</italic> daarnaast voor in literaire werken zoals rederijkersstukken, die dan weer een intertekstuele affiniteit vertonen met discussies rondom (on)gelijkheid in vroegmoderne ambachtskeuren.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref> In de periode die <italic>Consensus en conflict</italic> beslaat, was dit alomtegenwoordige concept dus even divers als het grillige Nederlandse landschap.</p>
<p>Maar de invulling veranderde ook naar verloop van tijd Ontwikkelingen in het Nederlandse waterbeheer zijn een interessant prisma om deze ontwikkeling bloot te leggen, en <italic>vice versa</italic>. Hoewel het idee van &#x2018;algemeen belang&#x2019; zich namelijk bewoog van stad naar platteland, was het juist in relatie tot de waterstaat dat het concept voor het eerst een territoriale component kreeg. Terwijl <italic>bonum commune</italic> een gewillige dienaar bleef van uiteenlopende belangen, werd het in de loop van de late middeleeuwen steeds vaker aangewend ten behoeve van het &#x2018;land&#x2019;. Dat heeft implicaties voor verschuivingen in de praktische invulling, want de definitie van landsbelang maakte tussen 1200 en 1800 een ontwikkeling door, onder andere door de groeiende rol van regionale waterschappen en (boven)regionale politieke instellingen zoals de Nederlandse Statenvergaderingen.<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref> Let wel: de dynamiek en richting van deze ontwikkeling was verre van eenduidig. Juist ten tijde van de vroege Republiek zien we bijvoorbeeld de opkomst van &#x2018;nationale&#x2019; geschiedenissen van afzonderlijke provincies.<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref> Zoals Van Tielhof bovendien laat zien in hoofdstuk 6 van <italic>Consensus en conflict</italic>, zorgden de politieke institutionalisering en voortschrijdende commercialisering vanaf de late zestiende eeuw aan de ene kant voor meer botsingen tussen lokale, regionale en bovenregionale belangen. Dat uitte zich onder andere in parochialisme en een onevenredige vertegenwoordiging van grootgrondbezitters. Aan de andere kant waren juist die regionale elites vaak verantwoordelijk voor verbeteringen en innovaties in het waterbeheer. Dit spanningsveld tussen plaatselijk conservatisme en investeringen ten behoeve van het algemeen belang, kreeg volgens mij een andere invulling onder invloed van de bovenregionale elitenetwerken die ten tijde van de Republiek een grotere rol kwamen te vervullen, zowel in het waterbeheer als in het landelijke bestuur.</p>
<p>Neem ter illustratie het volgende voorbeeld. In 1549 behandelde het Hof van Gelre en Zutphen &#x2013; op dat moment het Gelderse hoge gerechtshof &#x2013; een conflict tussen de dijkgraaf en heemraden van Nijmegen en de heer en onderdanen van de bannerheerlijkheid Batenburg. Het twistpunt: een financi&#x00EB;le bijdrage aan de installatie van een &#x2018;schutlaken&#x2019;, een afsluitbaar luik in een plaatselijke wetering. Zoals de dijkgraaf had verkondigd in de Batenburgse parochiekerk (en die locatie is niet irrelevant vanuit moreel oogpunt) waren de Batenburgse grondbezitters hier medeverantwoordelijk voor. Maar de ge&#x00EB;rfden van de heerlijkheid weigerden om mee te betalen aan deze vernieuwing aan het regionale afwateringssysteem, waardoor het werk stil was blijven liggen.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref> Vooral de dijkgraaf van Nijmegen putte in 1549 gretig uit het lexicon van het algemeen belang: een bijdrage van de Batenburgers zou noodzakelijk zijn geweest ter behoud van &#x2018;<italic>s lantz orber</italic>&#x2019;, &#x2018;<italic>den gemeijnen bestenn nutticheit ende profijt</italic> &#x2019; en meer van gelijke strekking. De Batenburgse partij daarentegen, ontkende aansprakelijkheid op grond van een andere opvatting over de betekenis van dat landsbelang. De kern van het argument was dat Batenburg niet leenroerig was aan het hertogdom Gelre en dat de lokale onderdanen daarmee gevrijwaard waren van contributie. Aangezien de heerlijkheid een Rijksonmiddellijk leen was met hoge rechtsmacht, zou het belasten van de plaatselijke bevolking vooral afbreuk doen aan de onafhankelijke positie van de baanderheer.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> Hoewel hier dus met name de belangen van een machtige edelman doorklonken, trad de heer ook op als spreekbuis van de plaatselijke grondbezitters. Via zijn vertegenwoordiger, de ambtman Jacob van Riemsdijk, speelden de ge&#x00EB;rfden hun heerlijkheid uit als troef om niet te hoeven meebetalen aan het schutlaken. Dit is een strategie die we vaker terugzien: zoals de landsheer de privileges van stedelijke gemeenschappen moest waarborgen in ruil voor hun gehoorzaamheid, dienden heren op het platteland de rechten van hun onderdanen te verdedigen om te kunnen voldoen aan het idee van de &#x2018;goede heerser&#x2019; (wederom gekoppeld aan het clusterconcept <italic>bonum commune</italic>). Sterker nog: de nalatigheid van Filips II om zich te houden aan deze morele verplichting was &#x00E9;&#x00E9;n van de verwijten die de noordelijke provincies in 1581opwierpen tegen hun landsheer in de Acte van Verlatinghe.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref></p>
<p>De Batenburgse episode uit 1549 is tekenend om twee redenen. Ten eerste fungeerde de rechtsonafhankelijkheid van de heerlijkheid &#x2013; een instelling die verbonden was aan de adellijke elite, maar die ook werd uitgebaat ten behoeve van de plaatselijke grondbezitters &#x2013; als blokkade voor een regionaal beter ge&#x00EF;ntegreerde waterstaat. Ten tweede waren de argumenten die de partijen aandroegen zowel institutioneel als ideologisch. Zo produceerde de dijkgraaf van Nij en een kopie van een &#x2018;landbrief&#x2019; die de graaf van Gelre in 1321 aan de inwoners van het Land van Maas en Waal had gegeven, waarin hij Batenburg en andere heerlijkheden &#x2018;<italic>dair de weteringhe</italic> van orber des lantz <italic>doer worde geleyt</italic>&#x2019; expliciet had genoemd als medeverantwoordelijk voor het onderhoud (mijn nadruk). De heer van Batenburg pareerde dat deze brief niet rechtsgeldig was omdat zijn voorganger hem nooit had bezegeld. Daarop kwam de Nijmeegse dijkgraaf met een kopie van een andere landbrief, ditmaal uit 1482, die w&#x00E9;l bezegeld zou zijn geweest door de toenmalige heer. Dat document is nog explicieter over de morele verantwoordelijkheid van de Batenburgers. Zo koppelt het de gezamenlijke financi&#x00EB;le plicht aan de gedeelde belangen van &#x2018;<italic>alle die gheene die der sluijss ende weterijngen genieten</italic>&#x2019;. Daarnaast rept de brief over hun morele verplichting om bij te dragen &#x2018;<italic>van gonsten ende van</italic> naebuerschappenwegen <italic>ende nijet van rechtzwegen</italic>&#x2019; (mijn nadruk). Een juridisch zwaktebod dus, maar nabuurschap was een belangrijk onderdeel van de christelijke ideologie en komt als zulks bijvoorbeeld prominent voor in de Nederlandse literaire cultuur van deze periode.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Toch stelde het Hof de Batenburgers in het gelijk. De voornaamste reden was institutioneel: de juridische onafhankelijkheid van de heerlijkheid. Maar de kanselier en raden van het Hof voegden daaraan toe dat de zij de Batenburgse partij ook vrijstelden &#x2018;<italic>angesien der heeren van Batenburch ind die geerffden der selver herlicheit die leggynge des vurg. schuytlaekens nywarldt begert, noch enychsyns dair inne g&#x2019;consenteert off enyg geloeffden gedaen ytwes dair toe to willen geven</italic>&#x2019;. Met andere woorden: hun eigen invulling van hun morele verplichting had hier het verschil kunnen maken. Zo zou de landsheer van het minstens even onafhankelijke hertogdom Kleef, aldus de Nijmeegse dijkgraaf, geen enkel bezwaar hebben aangetekend bij een financi&#x00EB;le bijdrage van de dijkgenoten in het naburige Mook.<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref></p>
<fig id="fg001">
<label>Illustraties 1 en 2</label>
<caption><p>Waterstaatkundige kaart van het Land van Maas en Waal (1545) met het noorden boven. Linksmidden op de kaart, onder Wamel, staat waarschijnlijk een schutlaken afgebeeld (detailkaart). Batenburg is ook aangegeven, maar nog zonder schutlaken. Bron: Arnhem, Gelders Archief 0124: Hof van Gelre en Zutphen, inv. nr. 4909/20. Public Domain Mark 1.0 licentie.</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.17836_fig1.jpg"/>
</fig>
<p>Van Tielhof bespreekt in <italic>Consensus en conflict</italic> verschillende gelijkaardige voorbeelden, waaronder een heropleving van precies dit Batenburgse conflict in 1751 (pp. 230-231). Het is dus te simpel om te zeggen dat de morele verplichting om bij te dragen aan waterbeheer ten behoeve van het algemeen belang eenduidig was toegenomen ten tijde van de Republiek. Ook lijken ideologische factoren hier ondergeschikt te zijn geweest aan institutionele. Maar instituties ontlenen hun invulling aan de interacties binnen en tussen de belangengroepen die hen vormgeven en daarin spelen culturele normen ontegenzeggelijk een rol. Veranderende opvattingen over &#x2018;landsbelang&#x2019; zijn hier een goed voorbeeld van. Onder invloed van de Nederlandse Opstand werd de Republiek der Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw een &#x2018;soevereine&#x2019; staat, maar de invulling van die soevereiniteit bleef problematisch vanwege de grote autonomie op provinciaal niveau. Zoals Van Tielhof aangeeft, is het daarbij nog onduidelijk welke rol de gezamenlijke strijd tegen het water speelde, bijvoorbeeld door het smeden van idee&#x00EB;n over gedeelde belangen en identiteit. Water was dan ook evenzeer een bedreiging als een letterlijke bron van de Nederlandse welvaart en bij wijlen zelfs een militaire bondgenoot (denk aan de Hollandse Waterlinie in 1672).<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> Desondanks is het aannemelijk dat de institutionele verschuivingen en de oligarchisering binnen zowel het waterbeheer als het staatsbestel, gepaard gingen met een veranderende invulling die de landelijke elite gaf aan dergelijke idee&#x00EB;n.</p>
<p>Neem het voorbeeld van de Gelderse jonker Alexander van der Capellen (ca. 1595-1656). Tijdens zijn leven werd deze edelman zowel heer van de heerlijkheid Boedelhof, lid van de Zutphense ridderschap en Gelderse provinciale volksvergadering (de &#x2018;Landdag&#x2019;), als gedeputeerde van de Staten-Generaal. Daarnaast had hij wortels in de stedelijke elite van Zutphen en was hij opgeleid aan de Universiteit van Leiden.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref> Zijn opleiding en verwevenheid met verschillende politieke niveaus maken Van der Capellen een toonbeeld van de nieuwe landelijke elite die de Republiek kwam te bestieren. In het persoonlijke dagboek dat hij tussen 1622 en 1654 bijhield, kunnen we zien welke gevolgen dit had voor zijn conceptualisering van het algemeen- of landsbelang. Zo zag Van der Capellen met lede ogen aan hoe de belastingvoet ten behoeve van de Generaliteit op provinciaal niveau in 1622 zodanig werd herzien, dat het Gelderse platteland een buitenproportioneel aandeel kreeg te verduren ten opzichte van de steden. Hij weet dit aan &#x2018;<italic>d&#x2019;effecten van de leden der Provintie, die meer faveurs ende</italic> advancements <italic>soeken buyten, als binnen de Provintie</italic>&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref> Het dagboek staat vol met vergelijkbare passages waarin doorklinkt dat provinciale belangen van het &#x2018;<italic>Landschap&#x2019;</italic> wat Van der Capellen betrof ten alle koste verdedigd moesten worden. Dergelijke regionale belangen namen wellicht toe vanwege druk vanuit de Generaliteit. Terzelfdertijd is het duidelijk dat Van der Capellen zich onder invloed van de voortschrijdende Nederlandse Opstand ook sterk maakte voor de &#x2018;<italic>gemeene sake</italic>&#x2019; van de Republiek. Bovendien zag hij, in de geest van de door Van Tielhof aangehaalde zestiende-eeuwse waterbouwkundige Andries Vierlingh (p. 230), een connectie tussen de Opstand en het weerbarstige Nederlandse water. Zo beklaagde de edelman zich er in 1625 over hoe &#x2018;[<italic>d</italic>]<italic>e nature scynt te conspireeren, ende tegens de desseins van den Prints van Orangien te wapenende wint ende &#x2019;t weer, met stormen, hooghe vloeden, onmatighe regens&#x2026;</italic>&#x2019; Hij volgde dit sentiment direct op met de aantekening dat het hoge water in Holland, Friesland, Overijssel en elders voor dijkbreuken zorgde, met zware financi&#x00EB;le schade als gevolg. Daar voegde hij nog aan toe dat de vloed &#x2018;<italic>9 duymen hoger soude gevloeyt hebben, als op Aller Heyliger Ann. 1570</italic>&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref></p>
<p>Van der Capellens gelaagde houding ten opzichte van het landsbelang suggereert een ideologische verschuiving onder de Nederlandse politieke elite tussen de late middeleeuwen en de vroegmoderne periode. Die verschuiving is vooral te wijten aan het engagement met de verschillende politieke niveaus van de Republiek. Daarnaast speelden zaken als opleiding hier een rol, want Van der Capellen toont zich niet alleen bekend met politiek-filosofische concepten als &#x2018;<italic>la raison d&#x2019;Estat</italic>&#x2019;, maar ook met de Nederlandse waterstaatsgeschiedenis.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref> Die samenvloeiing van idee&#x00EB;n over algemene belangen, over land en over water, bestond volgens mij niet in deze vorm tijdens de landsheerlijke periode. Bij gebrek aan institutionele en ideologische dwarsverbanden waren plaatselijke bestuurders en grondbezitters zoals de heer en ge&#x00EB;rfden van Batenburg in 1549 weinig gemotiveerd om hun lokale belangen te overstijgen. Van der Capellen is misschien een extreem voorbeeld, maar die institutioneel-ideologische verstrengeling lijkt wel degelijk op te gaan voor de bestuurlijke elite ten tijde van de Republiek. De Nederlandse Staten-Generaal werd dan ook bemand door gedeputeerden van provinciale Statenvergaderingen, die op hun beurt bestonden uit de afgezanten van lokale stadsbesturen en landadel.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> Lokale belangen mogen voor hen nog altijd het zwaarst gewogen hebben, tegelijkertijd waren zij een menselijke schakel tussen de verschillende niveaus.</p>
<p>Dat had zijn weerslag in verbeteringen aan de waterhuishouding, onder andere doordat innovaties en nieuwe technieken vrijelijker konden bewegen van plek naar plek. Ten dele was dit een (institutionele) kwestie van politieke integratie: de Staten-Generaal kreeg de verantwoordelijkheid over het uitgeven van octrooien, waarover de provinciale Staten vervolgens waakten. Zo beschrijft Van der Capellen hoe in 1623 de gedeputeerde Hendrik van Eck en de heer van Doddendaal van de Gelderse Landdag toestemming kregen &#x2018;<italic>om een molen te leggen in de veenen</italic>&#x2019; volgens &#x2018;<italic>seker Privilegie van de molen&#x2019;</italic>.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref> Een later, sprekender voorbeeld vinden we terug in het dagboek van de Zeeuwse gedeputeerde Bonifacius van Vrijberghe. Van Vrijberghe beschrijft hoe hij in 1685 als gedeputeerde van Zeeland samen met vertegenwoordigers &#x2018;<italic>uijt ijeder van de andere Provincien neevens nog twee Heeren uijt den Raad van Staate</italic>&#x2019;, naar het Gelderse Schenckenschans kwam om daar &#x2018;<italic>preuve te neemen van een nieuw geinventierde molenwerk, &#x2018;twelck gebruijckt zoude werden tot het verdiepen van de rivieren den Neederrhijn en den IJssel</italic>&#x2019;. De machine bleek &#x2018;<italic>niet practicabel&#x2019;</italic>, maar de collectieve interesse in deze uitvinding staat in schril contrast met de Batenburgse barri&#x00E8;re tegen het aanleggen van een eenvoudig schutlaken in 1549.<xref ref-type="fn" rid="fn23" specific-use="fn"><sup>23</sup></xref> Ook die nieuwe belangstelling in technologische innovaties is onderdeel van een ideologische verschuiving, die zich weliswaar moeilijk laat veralgemeniseren maar vermoedelijk pas opkwam vanaf de late zestiende eeuw.<xref ref-type="fn" rid="fn24" specific-use="fn"><sup>24</sup></xref></p>
<p>Uiteraard is systematisch onderzoek nodig om de lange termijnontwikkelingen in het Nederlandse waterbeheer verder te staven aan verschuivingen in de premoderne politieke ideologie. Wat deze bijdrage op zijn minst aantoont, is het verloop van culturele factoren in de Nederlandse participatiecultuur &#x2013; een dynamisch verloop weliswaar, maar wel een waarin een richting te ontwaren valt. Enerzijds was er zeker continu&#x00EF;teit, onder meer in de voorrang van lokale belangen en de vooraanstaande rol van politieke elites; anderzijds zien we dat institutionele veranderingen hand in hand gingen met verschuivingen in de invulling van normen en waarden. Institutionele en ideologische factoren kunnen daarom het best gezien worden als &#x00E9;&#x00E9;n spectrum. Uiteindelijk zijn het de wisselwerking en botsingen binnen dat spectrum die, als bij <italic>Brownian motion</italic> van deeltjes in een vloeistof, gestalte geven aan historische ontwikkelingen op lange termijn.</p>
<sec id="s1">
<title>Over de auteur</title>
<p><bold>Jim van der Meulen</bold> (1987) heeft een brede interesse in de geschiedenis van de Lage Landen in de periode tussen 1300 en 1700. In 2017 verdedigde hij aan de Universiteit Antwerpen zijn proefschrift over textielnijverheid en verstedelijking in laatmiddeleeuws Vlaanderen, waarvan in 2022 een handelseditie verscheen bij Brepols. Als postdoctoraal onderzoeker werkte hij aan de Universiteit Gent (2017-2022) op een team project over staatsvorming in laatmiddeleeuws Europa, gevolgd door een samenwerkingsproject bij de Universiteit van Oxford over de transnationale cultuur van volksvertegenwoordiging in vroegmodern Europa (1500-1700). Momenteel leidt hij samen met drie collega&#x2019;s een project aan de Universiteit Gent over de invloed van plattelandselites op economische ontwikkeling in de Lage Landen (1350-1650).</p>
<p>E-mail: Jim.vanderMeulen@UGent.be</p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>Wim Blockmans, <italic>Medezeggenschap. Politieke participatie in Europa v&#x00F3;&#x00F3;r 1800</italic> (Amsterdam 2020). Voor een vergelijkbare definitie van politieke cultuur: Keith Michael Baker, <italic>Inventing the French Revolution. Essays on French political culture in the eighteenth century</italic> (Cambridge 1990) 4 (&#x2018;the activity through which individuals and groups in any society articulate, negotiate, implement, and enforce the competing claims they make upon one another and upon the whole. Political culture is [&#x2026;] the set of discourses or symbolic practices by which these claims are made&#x2019;).</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Leslie Price, &#x2018;Regents, office-holders and the Unie&#x2019;, in: Ida Nijenhuis, Joke Roelevink en Ronald Sluijter (red.), <italic>De leeuw met de zeven pijlen. Het gewest in het landelijk bestuur</italic> (Den Haag 2010) 11-26 (vooral pp. 18-19).</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>Simon Szreter en Keith Breckenridge, &#x2018;Editors&#x2019; introduction. Recognition and registration: The infrastructure of personhood in world history&#x2019;, in: Simon Szreter en Keith Breckenridge (red.), <italic>Registration and recognition. Documenting the person in world history</italic> (Oxford 2012) 1-38.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Zie bijvoorbeeld: Michel Reinders, <italic>Printed pandemonium. Popular print and politics in the Netherlands, 1650-72</italic> (Leiden/ Boston 2013); Jan Dumolyn, &#x2018;Les &#x201C;plaints&#x201D; des villes flamandes &#x00E0; la fin du xiiie si&#x00E8;cle et les discours et pratiques politiques de la commune&#x2019;, <italic>Le Moyen Age</italic> 221:2 (2015) 383-407; Jelle Haemers, &#x2018;Governing and gathering about the common welfare of the town. The petitions of the craft guilds of Leuven, 1378&#x2019;, in: Olivia Herrer et al. (red.), <italic>La comunidad medieval como esfera publica</italic> (Sevilla 2014) 153-169. Ook Price besteedt elders juist aandacht aan de interacties tussen bestuurlijke elite en plaatselijke gemeenschappen: Leslie Price, <italic>Holland and the Dutch Republic in the seventeenth century. The politics of particularism</italic> (Oxford 1994) 125.</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>Van Tielhof noemt in deze context onder meer het lopende NWO-Vici project <italic>Dealing with disasters. The shaping of local and national identities in the Netherlands (1421-1890)</italic>, onder leiding van Lotte Jensen (Radboud Universiteit Nijmegen).</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>Een uitzondering is: Avner Greif, <italic>Institutions and the path to the modern economy. Lessons from medieval trade</italic> (Cambridge 2006). Zie vooral pp. 14-18.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Maarten Prak, &#x2018;The Dutch Republic as a bourgeois society&#x2019;, <italic>BMGN &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 125:2-3 (2010) 107-139; Robert Stein, Anita Boelen en Wim Blockmans, &#x2018;Whose community? The origin and development of the concept of <italic>bonum commune</italic> in Flanders, Brabant and Holland (twelfth &#x2013; fifteenth century)&#x2019;, in: &#x00C9;lodie Lecuppre-Desjardin en Anne-Laure Van Bruaene (red.), <italic>De bono communi. The discourse and practice of the Common Good in the European city (13th-16th c.)</italic> (Turnhout 2010) 149-169.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>Jim van der Meulen, &#x2018;Get rich and try dyeing. Cloth production and social inequality in town and countryside (sixteenth century)&#x2019;, in: Bruno Blond&#x00E9; et al. (red.), <italic>Inequality and the city in the Low Countries (1200-2020) </italic> (Turnhout 2020) 45-62.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Zie ook: N. van Sas (red.), <italic>Vaderland. Een geschiedenis van de vijftiende eeuw tot 1940</italic> (Amsterdam 1999); Willem Frijhoff, &#x2018;Vaderland en vrijheid: bewondering en twijfel (Review van: N.C.F. van Sas (2000) &#x201C;Vaderland. Een geschiedenis van de 15e eeuw tot 1940)&#x201D;&#x2019;, <italic>BMGN &#x2013; Low Countries Historical Review</italic> 115:2 (2000) 244-251.</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>Ute Heinen-Von Borries, &#x2018;Het Gelderlandgevoel in historieliederen en geschiedschrijving, zestiende en zeventiende eeuw&#x2019;, in: J. Stinner en T.H. Tekath (red.), <italic>Het hertogdom Gelre. Geschiedenis, kunst en cultuur tussen Maas, Rijn en IJssel</italic> (Utrecht 2003) 482-493.</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>&#x2018;[<italic>O</italic>]<italic>vermitz dat die</italic> [<italic>sluijsen ende</italic>] <italic>schutlaicken ende weteringhen in desen ampthen ende heerlicheiden vuerss boven ende beneden ongemaickt ende ongereckt sijn bleven liggenn</italic>&#x2019;. De zaak is online raadpleegbaar via de website van het Gelders Archief (<ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="http://www.geldersarchief.nl">www.geldersarchief.nl</ext-link>): Arnhem, Gelders Archief, 0124 Hof van Gelre en Zutphen, inv. 4918/30 (foto&#x2019;s 295-359). Het is slechts &#x00E9;&#x00E9;n voorbeeld uit honderden vergelijkbare die zich voor het Hof voltrokken tussen de inlijving van Gelre bij de Zeventien Provinci&#x00EB;n van Karel V in 1543 en de opheffing van de rechtbank (op dat moment &#x2018;Departementaal Gerechtshof&#x2019;) in 1811.</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>&#x2018;[<italic>N</italic>]<italic>yet en kan noch en mach an syn edele hoicheit ind gerechtichet prejudisieren, want syn edele herlicheit Batenburch in den fall der grafschap (nu hertochdom) van Gelre nyet annex noch underworpen is&#x2019;</italic>. Zie ook: Henny Denessen, &#x2018;De Gelderse bannerheren in de vijftiende eeuw&#x2019;, <italic>Virtus &#x2013; Journal of Nobility Studies</italic> 20 (2013) 11-37.</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>Voor een verdere bespreking en andere voorbeelden, zie: Jim van der Meulen, &#x2018;Bargaining river lords. Lordship and spatial politics in premodern Guelders (fifteenth-sixteenth centuries)&#x2019;, <italic>TSEG &#x2013; The Low Countries Journal of Social and Economic History</italic> 18:2 (2021); Idem, &#x2018;Seigneurial governance and the state in late medieval Guelders (14th-16th century)&#x2019;, <italic>Continuity and Change</italic> 36:1 (2021) 33-59, 44.</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>Jeroen Vandommele, <italic>Als in een spiegel. Vrede, kennis en gemeenschap op het Antwerpse Landjuweel van 1561</italic> (Hilversum 2011) 318-321.</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>&#x2018;[<italic>T</italic>]<italic>ot Mouwijck in den Furstendomb van Cleve, aen die gedickten die in der schouwen van Maize ende Wale gelegen zijn</italic> [&#x2026;] <italic>ende nijet gehoirt dat die Furst van Cleve off ijemandts anderss sulx becroent off bestuert hadde gerechtelick off anders</italic>&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>Leslie Price, &#x2018;Water and land&#x2019;, in: Helmer Helmers en Geert Janssen (red.), <italic>The Cambridge companion to the Dutch Golden Age</italic> (Cambridge 2018) 32-48.</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>Zie onder andere: Conrad Gietman, <italic>Republiek van adel. Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555-1702) </italic> (Utrecht 2010) 25-27.</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p><italic>Gedenkschriften van Jonkheer Alexander van der Capellen, Heere van Aartsbergen, Boedelhoff, en Mervelt, beginnende met den jaare 1621, en gaande tot 1654, by een gezameld en uitgegeven door Robert Jasper van der Capellen</italic>, 2 vols. (Utrecht 1777-1778) vol. 1, 138. Zie ook: Petr Mat&#x2019;a, &#x2018;Negotiating fiscalmilitary coordination. Provincial tax quotas for the Habsburg army 1648-1748&#x2019;, in: W.D. Godsey en P. Mat&#x2019;a (red.). <italic>The Habsburg monarchy as a fiscal-military state. Contours and perspectives 1648-1815</italic> (Oxford 2022) 181-208.</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p><italic>Gedenkschriften van Jonkheer Alexander van der Capellen</italic>, vol. 1, 339.</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p><italic>Ibid.,</italic> 249-250.</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Ida Nijenhuis, &#x2018;Representation by numbers. How attendance and experience helped Holland to control the Dutch States General (1626-1630)&#x2019;, in: Mario Damen, Jelle Haemers en Alastair J. Mann (red.), <italic>Political representation. Communities, ideas and institutions in Europe (c. 1200-c. 1690)</italic> (Leiden/ Boston 2018) 19-53.</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p><italic>Gedenkschriften van Jonkheer Alexander van der Capellen</italic>, vol. 1, 174. Voor de connectie tussen staatsintegratie en economische vooruitgang, zie: Stephan R. Epstein, <italic>Freedom and growth. The rise of states and markets in Europe, 1300-1750</italic> (Londen/ New York 2000).</p></fn>
<fn id="fn23" symbol="23"><p>Den Haag, Nationaal Archief, 2.21.005.39: Inventaris van het archief van I. A. Gogel (1752-1821), inv. 164, fols 243r-v.</p></fn>
<fn id="fn24" symbol="24"><p>Joel Mokyr, <italic>A culture of growth. The origins of the modern economy</italic> (Princeton 2018).</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>