<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 399 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.18018</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.18018</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Artikelen</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Tussen corporatisme en kapitalisme?</article-title>
<subtitle>Stedelijke nijverheid en arbeid in achttiende-eeuws Vlaanderen<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref></subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Ryckbosch</surname>
<given-names>Wouter</given-names>
</name>
<email>wouter.ryckbosch@vub.be</email>
</contrib>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>Winter</surname>
<given-names>Anne</given-names>
</name>
<email>anne.winter@vub.be</email>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>11</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>37</fpage>
<lpage>80</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Wouter Ryckbosch en Anne Winter</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Wouter Ryckbosch en Anne Winter</copyright-holder>
</permissions>
<abstract xml:lang="en">
<title>Abstract</title>
<p>This article uses returns by nineteen Flemish cities to an industrial survey undertaken by the central authorities in the Austrian Netherlands in 1738, to explore the state of urban industries in the County of Flanders on the eve of an economic revival that would lead into the first industrial revolution on the European continent. By focussing on three empirical questions &#x2013; the extent and nature of industrial activity, the importance of craft guild organization, and indications of capitalist labour relations &#x2013; the study aims to contribute to wider debates on the relationship between guilds and economic change in the run-up to industrialization. While the sundry nature of the data complicates their quantitative analysis, they provide valuable insight into the underlying diversity of both social realities and conceptions of &#x2018;industry&#x2019; and&#x2018;work&#x2019; in this period of transformation. The resulting image confirms a continued dominance of textile production in Flemish cities, in which mixed fabrics have replaced traditional woollens, while showing the tentative emergence of new consumption-culture oriented sectors (such as earthenware, tobacco, soap) and signalling the presence of varied organizational forms (workshops, manufactures, subcontracting, domestic workers, family labour). While the bulk of urban industrial activity was still craft-organized, this did not preclude the presence of highly proletarianized labour relations in both guild-based and non-guild-based activities.</p>
</abstract>
</article-meta>
</front>
<body>
<sec id="s1">
<title>Inleiding</title>
<p>De tweede helft van de achttiende eeuw werd in de Zuidelijke Nederlanden gekenmerkt door een economische heropleving die rond de eeuwwisseling zou uitmonden in de eerste industri&#x00EB;le revolutie op het Europese continent. Over de politieke, economische en sociale wortels van deze industri&#x00EB;le dynamiek vanaf het midden van de achttiende eeuw bestaan zeer verschillende visies. Volgens het liberale perspectief dominant in de negentiende en vroege twintigste eeuw, werd deze groei vooral gestuwd doordat de economie zich in toenemende mate wist te onttrekken aan het belemmerende keurslijf van corporatieve ambachtsorganisaties.<xref ref-type="fn" rid="fn2" specific-use="fn"><sup>2</sup></xref> Revisionistische perspectieven benadrukten recenter echter de potentieel positieve rol van ambachtsgilden voor economische ontwikkeling in deze periode.<xref ref-type="fn" rid="fn3" specific-use="fn"><sup>3</sup></xref> Andere historici legden dan weer de klemtoon op het belang van exportgerichte proto-industrie op het platteland, dichtten veranderende consumptiepatronen een belangrijke rol toe, of wezen vooral naar het stimulerende douane- en exportbeleid van de Oostenrijkse Habsburgers.<xref ref-type="fn" rid="fn4" specific-use="fn"><sup>4</sup></xref> Dit artikel levert een nieuwe bijdrage aan dit debat door aan de hand van de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 de staat op te maken van de stedelijke nijverheden in het Graafschap Vlaanderen, met een bijzondere aandacht voor de omvang en organisatie van tewerkstelling in corporatief en niet-corporatief georganiseerde nijverheden.</p>
</sec>
<sec id="s2">
<title>Van ongelukseeuw naar industri&#x00EB;le revolutie?</title>
<p>De periode voorafgaand aan de economische heropleving van de tweede helft van de achttiende eeuw staat in de Zuid-Nederlandse historiografie enigszins tendentieus geboekstaafd als de zogenaamde &#x2018;ongelukseeuw&#x2019; (1648-1748). Hoewel de omvang van de economische malaise tijdens deze periode in meer recente literatuur genuanceerd wordt, lijdt het geen twijfel dat stedelijke exportnijverheden in deze periode sterk achteruitgingen. In kerngewest Vlaanderen betekende dit met name een sterke krimp tot zelfs neergang van de stedelijke textielnijverheid, in het bijzonder de hoogkwalitatieve wolindustrie, die in de voorgaande eeuwen als voornaamste economische motor van verstedelijking fungeerde. De neergang van het Vlaamse laken kan ge&#x00EF;llustreerd worden aan de hand van het drastisch verminderend en uiteindelijk verdwijnend aantal wolwevers in de steden. In Ieper waren er in 1685 nog 71 meester-lakenwevers, in 1693 waren er nog 48, in 1699 slechts twaalf, en in 1740 bleven er amper acht over.<xref ref-type="fn" rid="fn5" specific-use="fn"><sup>5</sup></xref> In Brugge waren er in 1729 nog maar 21 weefgetouwen voor wol in werking.<xref ref-type="fn" rid="fn6" specific-use="fn"><sup>6</sup></xref> Ook de stedelijke linnenweverij ontsnapte niet aan de malaise: in Aalst waren er in 1738 nog 31 meester-linnenwevers gevestigd, maar in 1784 was het ambacht reeds opgedoekt.<xref ref-type="fn" rid="fn7" specific-use="fn"><sup>7</sup></xref> De achteruitgang van de voorheen zo dominante stedelijke textielnijverheid ging gepaard met een algemeen proces van stedelijke de-industrialisatie en de-urbanisatie.<xref ref-type="fn" rid="fn8" specific-use="fn"><sup>8</sup></xref> Gent en Brugge - de twee grootste steden van het Graafschap - zagen hun bevolkingsaantal gevoelig slinken in de &#x2018;ongelukseeuw&#x2019;, en de globale verstedelijkingsgraad in Vlaanderen nam af terwijl de plattelandsbevolking groeide. Het dieptepunt werd in de meeste steden en sectoren rond 1730 bereikt, maar een duidelijke heropbloei van de stedelijke dynamiek en industri&#x00EB;le slagkracht liet nog tot het midden van de eeuw op zich wachten.</p>
<fig id="fg001">
<label>Illustratie 1</label>
<caption><title>Stielen en ambachten</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.18018_fig1.jpg"/>
<attrib>(bron: Philippus Jacobus Brepols (uitgever), Turnhout (ca. 1800). Rijksmuseum Amsterdam.)</attrib>
</fig>
<p>Over de chronologie van deze neer- en opgaande fasen van economische ontwikkeling mag dan weinig discussie bestaan, over de oorzaken des te meer. Centraal in het debat staat de aard van de economische groei vanaf het midden van de achttiende eeuw, en hoe deze zich verhield tot de economische structuren van het <italic>ancien r&#x00E9;gime</italic>: kwam ze eruit voort, of ontsnapte ze er net aan?<xref ref-type="fn" rid="fn9" specific-use="fn"><sup>9</sup></xref> Een cruciale plaats in dit debat wordt ingenomen door de ambachten. Het brede internationale debat over de relatie tussen corporatieve organisatie en vroegmoderne economische ontwikkeling, en met name de vraag in welke mate ambachtsstructuren een belemmering vormden voor industri&#x00EB;le dynamiek, krijgt binnen de context van de Oostenrijkse Nederlanden een heel concrete invulling.<xref ref-type="fn" rid="fn10" specific-use="fn"><sup>10</sup></xref></p>
<p>De traditionele visie op vroegmoderne ambachtsgilden als gefossiliseerde, protectionistische instituten meent dat hun rigide regels rond onder meer arbeidsorganisatie en productiewijze een rem vormden op innovatie en schaalvergroting, en bijgevolg op industri&#x00EB;le ontwikkeling en economische groei. Onder invloed van het liberalisme was dit in de negentiende eeuw een invloedrijke historische stroming, die benadrukte hoe de kapitalistische, industri&#x00EB;le groei vanaf de late achttiende eeuw het resultaat was van een bevrijding van het corporatieve kader.<xref ref-type="fn" rid="fn11" specific-use="fn"><sup>11</sup></xref> In dit perspectief werd het omzeilen van corporatieve beperkingen gezien als een belangrijke drijfreden voor de groei van rurale exportnijverheden, waarin historici een belangrijke industri&#x00EB;le dynamiek of &#x2019;proto-industrialisering&#x2019; ontwaarden.<xref ref-type="fn" rid="fn12" specific-use="fn"><sup>12</sup></xref> Ook in meer recente geschiedschrijving wordt de economische opbloei in de Oostenrijkse Nederlanden aan het einde van het ancien r&#x00E9;gime vaak toegeschreven aan een dynamiek &#x2018;van onderuit&#x2019;: op het platteland en in verzorgende en &#x2018;nieuwe&#x2019; nijverheden.<xref ref-type="fn" rid="fn13" specific-use="fn"><sup>13</sup></xref> Deze &#x2018;nieuwe nijverheden&#x2019;, voornamelijk gericht op populaire consumptie, vonden in toenemende mate buiten ambachtelijke kaders plaats, zoals de productie van gemengde katoenen stoffen, tabak en steenwerk. Deze vonden soms plaats in zogenaamde &#x2018;manufacturen&#x2019; en maakten doorgaans op grote schaal gebruik van vrouwen- en kinderarbeid. In de Engelse historiografie ligt de nadruk traditioneel op de opgang van dergelijke niet-corporatief georganiseerde nijverheden die vanaf de zeventiende eeuw de transitie naar een industrieel kapitalisme mogelijk maakten.<xref ref-type="fn" rid="fn14" specific-use="fn"><sup>14</sup></xref> Het feit dat deze industri&#x00EB;le dynamiek van de latere achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden gedeeltelijk of zelfs grotendeels zou plaatsgevonden hebben buiten ambachtsstructuren, wordt dikwijls gezien als een bewijs dat de wortels van &#x2018;moderne&#x2019; industri&#x00EB;le ontwikkeling - en zeker de aanloop naar de industri&#x00EB;le revolutie - buiten de ambachtsgilden moeten gezocht worden.</p>
<p>Ambachtsgilden zijn evenwel sinds enige tijd voorwerp van een zekere rehabilitatie, tenminste wat betreft hun flexibiliteit in organisatievorm en bijdrage aan economische ontwikkeling. Onder meer Catharina Lis en Hugo Soly vestigden de aandacht op de wijze waarop onder bepaalde voorwaarden - zoals politieke en commerci&#x00EB;le manoeuvreerruimte voor ambachtsmeesters - ook ambachtelijk georganiseerde nijverheden blijk konden geven van innovatie en schaalvergroting. In hun visie kon ontwikkeling naar kapitalistische productiewijzen zelfs plaatsvinden <italic>dankzij</italic> en niet <italic>ondanks</italic> ambachtelijke regulering. In deze context worden onder meer onderaannemingsnetwerken en afhankelijkheidsrelaties binnen ambachtelijke milieus gezien als flexibele <italic>assets</italic> voor ambachtsluiondernemers in het omgaan met volatiele markten. Dergelijke intraambachtelijke ontwikkelingen lieten vormen van schaalvergroting, specialisering en quasi-proletarisering toe terwijl ambachtsregulering ingeschakeld kon worden om zowel arbeidsdiscipline als outputkwaliteit te garanderen.<xref ref-type="fn" rid="fn15" specific-use="fn"><sup>15</sup></xref> Dit bracht deze auteurs zelfs tot de suggestie dat net de grotere veerkracht van ambachtsgilden in de Zuidelijke Nederlanden een verklaring vormde voor de vroege industrialisering in deze gebieden - in tegenstelling tot met name de Noordelijke Nederlanden waar ambachtelijke machtsgroepen het reeds vroeg moesten afleggen tegen koopmansbelangen.<xref ref-type="fn" rid="fn16" specific-use="fn"><sup>16</sup></xref> De mate waarin een kapitalistische industri&#x00EB;le organisatie en ambachten onverzoenbaar waren, hangt voor een groot deel af van de manier waarop die ambachten intern georganiseerd waren. Waren het groeperingen van onafhankelijke meester-ambachtslieden die actief bedrijfs - en arbeidsconcentratie trachtten te beperken - of waren ook binnen ambachten complexe vormen van horizontale en verticale integratie mogelijk? Het antwoord op die vraag kan niet anders dan complex zijn, aangezien het van sector tot sector, en van plaats tot plaats verschilt.</p>
<p>Met dit artikel willen we een bescheiden bijdrage leveren aan het vraagstuk over industri&#x00EB;le dynamiek in achttiende-eeuws Vlaanderen aan de hand van een studie van de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738.<xref ref-type="fn" rid="fn17" specific-use="fn"><sup>17</sup></xref> Drie empirische vragen staan daarbij centraal. Een eerste vraag is hoeveel en welke industri&#x00EB;le activiteit aan het einde van de &#x2018;ongelukseeuw&#x2019; (nog) aanwezig was in het stedelijk weefsel. Welke sectoren hadden het zwaarst onder de achteruitgang te lijden gehad, en welke hadden hun positie daarentegen relatief goed weten te handhaven? Wat was daarbij het relatieve belang van luxenijverheden, verzorgende nijverheden en &#x2018;nieuwe nijverheden&#x2019;? Een tweede vraag gaat naar de kern van de onenigheid over de rol van het corporatief systeem in de achttiende eeuw. Heel wat historici gingen er in navolging van onder meer Pirenne vanuit dat de ambachten aan het einde van het <italic>ancien r&#x00E9;gime</italic> op sterven na dood waren.<xref ref-type="fn" rid="fn18" specific-use="fn"><sup>18</sup></xref> Anderen beargumenteerden echter dat de achttiende-eeuwse corporaties in de Oostenrijkse Nederlanden in beter doen waren dan tijdens voorgaande eeuwen, en dat de niet-corporatieve sector nauwelijks van betekenis was.<xref ref-type="fn" rid="fn19" specific-use="fn"><sup>19</sup></xref> Door het bestuderen van de relatieve omvang van zowel de ambachtelijk als de niet-ambachtelijk georganiseerde nijverheden in 1738, trachten we het belang, de sectori&#x00EB;le en organisatorische verschillen tussen beide vormen te verkennen. De derde vraag, tot slot, verdiept zich in de indicaties die we hebben wat betreft arbeidsorganisatie als een maatstaf voor de mate van kapitalistische bedrijfsvoering in verschillende sectoren, en dit zowel in corporatief als niet-corporatief georganiseerde nijverheden. Vooraleer we ons in deze drie empirische vragen verdiepen, staan we in de volgende paragrafen eerst nog even stil bij respectievelijk de ontstaanscontext van de bron en de interpretatieproblemen die zich stellen als het gaat over de begrippen &#x2018;nijverheid&#x2019; en &#x2018;tewerkstelling&#x2019;.</p>
</sec>
<sec id="s3">
<title>De nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738</title>
<p>In 1738 werd in grote delen van de Oostenrijkse Nederlanden een bevraging rondgestuurd over de aanwezige nijverheden. De archiefbronnen die naar aanleiding van deze bevraging geproduceerd werden, vormen de basis voor deze studie. Het initiatief voor de nijverheidsenqu&#x00EA;te werd door de centrale overheid van de Oostenrijkse Nederlanden genomen in het kader van de onderhandelingen met vertegenwoordigers van Engeland en de Republiek rond een mogelijke herziening van douanetarieven zoals vastgelegd door het Barri&#x00E8;retractaat van 1715. De aanleiding was een Conferentie in Antwerpen, geopend in 1737, tussen afgevaardigden van het Oostenrijks bestuur in de Zuidelijke Nederlanden, Engeland en de Republiek. Reeds in 1735 werd vanuit de Hoge Raad in Wenen het initiatief genomen om informatie te vergaren bij ondergeschikte besturen met betrekking tot het onderhandelen van nieuwe douanetarieven. Hoewel de antwoorden op deze vragen reeds in 1736 verzameld waren en de basis vormden voor de onderhandelingspositie, werd in maart 1738 alsnog beslist om een nieuwe, meer uitgebreide, enqu&#x00EA;te af te nemen.<xref ref-type="fn" rid="fn20" specific-use="fn"><sup>20</sup></xref> De Conferentie van Antwerpen zou uiteindelijk op niets uitdraaien. Enerzijds hadden de Anglo-Bataafse belangen niets te winnen bij een mogelijke herziening van het voor hen voordelige Barri&#x00E8;retractaat, dat de mogelijkheden tot het voeren van een autonome douanepolitiek door de Oostenrijkse Nederlanden de facto hypothekeerde. Anderzijds mondden de antwoorden op de bevraging van 1736 allesbehalve uit in een eenduidige agenda op basis waarvan onderhandeld kon worden. De tegengestelde belangen van producenten en consumenten (bijvoorbeeld in verband met steenkool en vlas), handelaars en industri&#x00EB;len (bijvoorbeeld wanneer het ging over hop en bier), en regio&#x2019;s met uiteenlopende economische specialisaties, sorteerden een verlammend effect.<xref ref-type="fn" rid="fn21" specific-use="fn"><sup>21</sup></xref> Het is niet ondenkbaar dat de heterogeniteit van standpunten de aanleiding vormde om meer systematische informatie te vergaren. Hoe dan ook illustreert de context van de Conferentie van Antwerpen de ruimere ambitie van de centrale overheid in de Oostenrijkse Nederlanden om een beter zicht te krijgen op de industri&#x00EB;le activiteiten in haar gewesten. Voor historici levert het een uitgebreide collectie aan gegevens op die niettemin met de nodige interpretatieproblemen gepaard gaan.</p>
<p>Op 31 maart 1738 werd voor het eerst opdracht gegeven om gegevens te verzamelen over <italic>&#x2018;tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques de quelle esp&#x00E8;ce qu&#x2019;ils puissent &#x00EA;tre&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn22" specific-use="fn"><sup>22</sup></xref></italic> In haar rondzendbrief formuleerde de landvoogdes Maria-Elisabeth de belangrijkste motivatie voor de enqu&#x00EA;te als het inwinnen van informatie om ondersteunend beleid te kunnen vormgeven - <italic>&#x2018;que nous so&#x00EF;ons inform&#x00E9;e de l&#x2019;&#x00E9;tat des manufactures, fabriques et m&#x00E9;tiers (&#x2026;) afin que nous puissions avec d&#x2019;autant plus de connoissance de cause songer aux mo&#x00EF;ens requis pour leur r&#x00E9;tablissement, conservation et augmentation&#x2019;</italic> - en verwees in dat verband meer specifiek naar de lopende onderhandelingen rond de douanepolitiek: <italic>&#x2018;comme le tems des pr&#x00E9;sentes conf&#x00E9;rences d&#x2019;Anvers et de celles qui doivent &#x00EA;tre entam&#x00E9;es au mois de juin prochain &#x00E0; Lille (&#x2026;) est la plus propre pour favoriser les manufactures et le commerce de ce pa&#x00EF;s et (&#x2026;) que nous so&#x00EF;ons pour cet effet exactement inform&#x00E9;e de l&#x2019;&#x00E9;tat dans lequel elles se trouvent actuellement&#x2019;.</italic></p>
<p>Het initiatief, dat waarschijnlijk rechtstreeks in de omgeving van landvoogdes ontstaan was, past in een bredere tendens vanaf het einde van de zeventiende eeuw om steeds meer (proto-)statistische gegevens te verzamelen.<xref ref-type="fn" rid="fn23" specific-use="fn"><sup>23</sup></xref> De opkomst van nieuwe mercantilistische idee&#x00EB;n in Frankrijk zette overheden ertoe aan om de kennis over onderdanen en hun economische activiteiten te vergroten. De bevraging van 1738 vormt de eerste industri&#x00EB;le inventarisatie in de Oostenrijkse Nederlanden. De manier waarop de bevraging georganiseerd werd, illustreert echter hoe beperkt de centrale bureaucratische organisatie ervan nog was. Het verzoek van Maria-Elisabeth ging immers uit naar de subalterne besturen, en droeg hen op om de regering te Brussel te informeren over de staat van de nijverheden in hun ressort. De opdracht tot het inwinnen van deze informatie werd toevertrouwd aan de gewestelijke Staten, en aan de stedelijke magistraten voor gebieden die niet in de Staten vertegenwoordigd waren (geretrocedeerd Vlaanderen, Mechelen, Doornik en Doornikse).</p>
<p>De eerste antwoorden kwamen terug vanaf drie maanden na het rondzenden van de brief. Tegen januari bleken enkel nog de Staten van Brabant en de magistraten van Mechelen en Ieper in gebreke te zijn gebleven. Enkel de Staten van Brabant zou uiteindelijk nooit de gevraagde gegevens overmaken. Hoewel tegen midden 1740 het directe diplomatieke belang van de enqu&#x00EA;te reeds voorbijgestreefd was, werd de Raad van Financi&#x00EB;n door de landvoogdes opgedragen om de gegevens te vervolledigen <italic>&#x2018;afin que l&#x2019;on puisse &#x00EA;tre une fois inform&#x00E9; de l&#x2019;&#x00E9;tat dans lequel se trouvent toutes les manufactures, fabriques et m&#x00E9;tiers de ce pa&#x00EF;s&#x2019;.</italic> Deze laatste stap - het samenbrengen van alle gegevens in een omvattend rapport - werd evenwel nooit gezet, wellicht wegens de politieke onzekerheid die volgde op de dood van keizer Karel VI (20 oktober 1740) en de landvoogdes (26 augustus 1741).</p>
<p>De intentie om deze gegevens in te winnen in het zog van de rondzendbrief van 31 maart 1738 heeft sporen nagelaten in diverse archieven. Hoe hoger de instantie, hoe meer geaggregeerd de gegevens die er kunnen teruggevonden worden. De bron van de gegevens lag evenwel op het laagste niveau: dat van steden en in sommige regio&#x2019;s ook dorpen. In antwoord op de rondzendbrief droegen immers de Staten op aan de steden (en uitzonderlijk ook rurale districten) in hun ressorten om de gevraagde gegevens aan te leveren. De Staten van Vlaanderen blijkt bijvoorbeeld reeds op 2 april 1738 formeel een kopie van de rondzendbrief overgemaakt te hebben aan de Gentse Magistraat, die vervolgens op 9 april 1738 een ordonnantie uitvaardigde om deze gegevens te verzamelen.<xref ref-type="fn" rid="fn24" specific-use="fn"><sup>24</sup></xref></p>
<p>De rondzendbrief stipuleerde de gegevens die aangeleverd moesten worden en de vorm waarin dit moest gebeuren: <italic>&#x2018;une liste exacte et sp&#x00E9;cifique de tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques, de quelle esp&#x00E8;ce qu&#x2019;ils puissent &#x00EA;tre, sans exception&#x2019;</italic>, bestaande uit vijf kolommen: (1) de naam van het <italic>&#x2018;m&#x00E9;tier ou le fabrique&#x2019;</italic>, (2) het aantal <italic>&#x2018;ma&#x00EE;tres&#x2019;</italic>, (3) het aantal <italic>&#x2018;gar&#x00E7;ons&#x2019;</italic>, (4) het aantal <italic>&#x2018;apprentis&#x2019;</italic>, (5) het aantal <italic>&#x2018;manoeuvriers&#x2019;</italic>. In de teruggevonden Nederlandstalige enqu&#x00EA;tes werd dit vertaald als respectievelijk (2) meesters, (3) knechten, (4) leerjongens, (5) arbeiders. Zoals verderop zal blijken, gingen de lokale besturen echter heel divers om met de wijze waarop ze de gevraagde gegevens trachtten te vergaren, wie ze daarvoor aanspraken, en op welke manier ze hun antwoord structureerden. Het resultaat was dan ook geen eenvormige en systematische telling van nijverheden zoals deze in latere decennia en eeuwen vaker voor kwamen.<xref ref-type="fn" rid="fn25" specific-use="fn"><sup>25</sup></xref></p>
<p>Het spreekt voor zich dat de lokale gegevens van deze nijverheidstelling interessante informatie kunnen opleveren over de omvang, de samenstellende sectoren, en de arbeidsverhoudingen voor de verschillende stedelijke nijverheden. Naast kwantificeerbare gegevens, bevatten ze ook een rijkdom aan kwalitatieve beschouwingen. Heel wat lokale besturen maakten van de gelegenheid gebruik om lamentaties aan te heffen over de staat van bepaalde activiteiten, zoals wanneer de blauwververs te Antwerpen observeren: <italic>&#x2018;waren eertijts in een seer groodt getal, ende voornaemen stiel, het welck meesten paert is verloopen door het opcomen vande verwereijen ten platten Lande&#x2019;.<xref ref-type="fn" rid="fn26" specific-use="fn"><sup>26</sup></xref></italic> In het kader van het STREAM-dataverzamelingsproject werden de antwoorden op deze rondzendbrief voor verschillende lokaliteiten in Vlaanderen en Brabant getraceerd in verschillende Rijksarchieven en stadsarchieven en in een databank verzameld.<xref ref-type="fn" rid="fn27" specific-use="fn"><sup>27</sup></xref> In deze bijdrage richten we ons op een selectie van deze gegevens zoals die voor 19 steden in Vlaanderen verzameld konden worden: Aalst, Blankenberge, Brugge, Deinze, Dendermonde, Eeklo, Gent, Geraardsbergen, Ieper, Izegem, Kortrijk, Ninove, Oostende, Oudenaarde, Ronse, Tielt, Torhout, Wervik en Zottegem.<xref ref-type="fn" rid="fn28" specific-use="fn"><sup>28</sup></xref> Deze gegevens werden verzameld op basis van bescheiden in het Stadsarchief van Aalst (Aalst, Geraardsbergen, Ronse, Zottegem), in het Rijksarchief Kortrijk (Deinze, Tielt), en de Raad van Financi&#x00EB;n (alle overige steden). Dit betekent dat voor de meeste steden de gegevens enkel in hun meest geaggregeerde vorm - zoals verzameld door de Raad van Financi&#x00EB;n - overgenomen werden. Voor de stad Gent konden deze geconfronteerd worden met de meer omstandige gegevens zoals ze in een eerste fase op stedelijk niveau verzameld werden en bewaard zijn in het Stadsarchief Gent.<xref ref-type="fn" rid="fn29" specific-use="fn"><sup>29</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s4">
<title>Tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques?</title>
<p>Hoewel de enqu&#x00EA;te breed opgevat lijkt (<italic>&#x2018;tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques, de quelle esp&#x00E8;ce qu&#x2019;ils puissent &#x00EA;tre, sans exception&#x2019;</italic>), bestond er veel variatie in hoe de verschillende lokale overheden deze opdracht interpreteerden, en hoe zij de begrippen &#x2018;nijverheid&#x2019; en &#x2018;tewerkstelling&#x2019; invulden. Aangezien de bevraging niet op een gecentraliseerde en uniforme manier voltrokken werd door de centrale overheden in Brussel, maar uitbesteed werd aan de talloze ondergeschikte besturen die de Oostenrijkse Nederlanden telden, was het resultaat divers. Sommige lokale besturen, zoals de kasselrij Ieper en het Brugse Vrije, stuurden voorgedrukte formulieren naar hun subalterne besturen - de parochies - terwijl anderen gewoon een brief stuurden. De meeste besturen herhaalden de oorspronkelijke vraag uit de rondzendbrief, maar anderen beperkten zich tot het bevragen van die nijverheidssectoren die ze relevant achtten voor hun regio - voor ruraal Vlaanderen ging het dan doorgaans om de landelijke linnennijverheid.<xref ref-type="fn" rid="fn30" specific-use="fn"><sup>30</sup></xref> Bovendien werd ook helemaal onderaan de keten, op het niveau van de individuele parochie of stad, ook nog eens aan uiteenlopende interpretaties gedaan. De stad Kortrijk vond het bijvoorbeeld onnodig om de kleine ambachten in de bevraging op te nemen (zie verder), terwijl op andere plaatsen zo goed als alle ambachtsactiviteiten opgenomen werden. Kortom: hoewel de bewoording van de rondzendbrief vrij duidelijk leek, tonen de antwoorden een veelheid aan verschillende interpretaties.</p>
<p>In veel opzichten is de telling van 1738 het product van een corporatief samenlevingsmodel, waarin diverse geledingen uit de maatschappij als collectief aangesproken werden om hun positie toe te lichten. De Staten, de stedelijke magistraten, de kasselrijen, maar ook de parochies en de individuele ambachten leveren de antwoorden aan. Het voorbeeld van Gent kan illustreren op welke manier de informatievergaring concreet georganiseerd werd.<xref ref-type="fn" rid="fn31" specific-use="fn"><sup>31</sup></xref> Nadat de magistraat op 2 april 1738 een kopie van de ordonnantie had gekregen via de Staten van Vlaanderen, vaardigde het stadsbestuur op 9 april 1738 een lokale ordonnantie uit om de gevraagde gegevens te verzamelen. In kladlijsten bewaard in het stadsarchief vinden we terug wie werd aangeschreven om de gegevens aan te leveren: een lijst met in totaal 64 beroepen die als groep werden aangeschreven en dus een vorm van collectieve organisatie kenden, en anderzijds acht particuliere individuen die als fabrikant omschreven werden. Dit weerspiegelt zich ook in de bewaarde antwoorden aan het stadsbestuur: het merendeel werd opgesteld vanuit een corporatief kader - dat wil zeggen dat ze opgesteld werden door de gezworenen, dekens, ouderen etc., van een bepaalde &#x2018;nering&#x2019; of &#x2018;gulde&#x2019;. Een kleiner deel van de antwoorden werd aangeleverd door individuele werkgevers die buiten ambachtelijke structuren werkten. Wat de corporatieve groepen betreft, hanteerde de stad Gent in ieder geval een ruime definitie van &#x2018;nijverheden&#x2019; - hieronder figureerden bijvoorbeeld ook de schippers, de voerlieden en barbiers-chirurgijns - waarbij zij zich naar alle waarschijnlijkheid verlieten op de bestaande ambachtsgilden. Hier werden &#x2018;ambachtsgilden&#x2019; dus schijnbaar gelijkgesteld aan &#x2018;nijverheid&#x2019;, ook wanneer het eerder diensten dan nijverheidsactiviteiten betrof. Deze &#x2018;traditionele&#x2019; invulling werd evenwel aangevuld met gerichte verzoeken aan individuele werkgevers buiten de corporatieve structuren, zoals &#x2018;fabrikanten&#x2019; van zijden stoffen, garenlinten en gleiswerk (een soort fa&#x00EF;ence). Terwijl de oorspronkelijke antwoorden bewaard in het stadsarchief dikwijls nominaal de verschillende meesters en hun aantal arbeiders per nijverheidstak oplijsten, geven de Gentse gegevens zoals bewaard bij de Raad van Financi&#x00EB;n enkel een geaggregeerd overzicht in tabelvorm van het aantal tewerkgestelden per nijverheidstak - zoals in de instructie van de enqu&#x00EA;te ook gevraagd werd.</p>
<p>Niet elke stad ging op dezelfde manier te werk. Terwijl Gent de opdracht doorstuurde naar ondergeschikte geledingen, voorzag de stad Hamme zes dagen werk voor de burgemeester en de griffier om ter plaatse te gaan in ateliers en werkplaatsen en zelf de antwoorden op de enqu&#x00EA;te te verzamelen. In sommige gevallen werd bij wijze van kerkgebod aan bepaalde beroepsgroepen gevraagd om zich te melden aan de magistraat, terwijl in andere gevallen gebruik gemaakt werd van de documenten en registers die een ambacht of parochiebestuur ter beschikking had, zoals inschrijvingslijsten of belastingrollen.<xref ref-type="fn" rid="fn32" specific-use="fn"><sup>32</sup></xref></p>
<p>De actieve inbreng van een veelheid aan maatschappelijke geledingen in de gegevensverzameling voor de enqu&#x00EA;te van 1738 maakt dat de aangeleverde informatie niet systematisch en daardoor niet hapklaar bruikbaar was en is - voor hedendaagse onderzoekers net zomin als voor eigentijdse beleidsmakers. Maar er is ook een voordeel aan verbonden: het legt de complexiteit bloot van de sociaal-economische realiteit waar de bevraging naar wilde peilen. Hoewel de bevraging eenduidig lijkt, interpreteerden diverse actoren de intentie op verschillende manieren, en gaven daarbij vaak blijk van de specifieke context in hun regio, of van hun eigen referentiekaders. Deze observatie dat de statistische gebreken van de aangeleverde informatie ook een verklikker kunnen zijn van een complexe realiteit, vormt een centraal richtsnoer bij onze analyse van de gegevens.</p>
<p>Reeds bij de basale vraag welke economische activiteiten al dan niet een plaats kregen in de telling, waren de verschillen in interpretatie legio. De grote variatie in aantallen vermelde &#x2018;nijverheden&#x2019; per stad, geven hiervan alvast een eerste indicatie (Tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref>). In de 19 onderzochte steden van Vlaanderen werden in totaal gegevens samengebracht voor 432 afzonderlijke beroepsactiviteiten, wat neerkomt op gemiddeld 22 vermelde nijverheden per stad. Uitschieters naar boven zijn Gent met 87 nijverheden, maar ook de kleinere steden Izegem en Ninove met respectievelijk 54 en 41 nijverheden. Omgekeerd geven Tielt, Torhout, Eeklo en Deinze slechts gegevens voor &#x00E9;&#x00E9;n enkele beroepstak - met name het aantal wevers - omdat in deze regio de nijverheidstelling de facto vertaald werd als een weverijtelling voor stad en platteland samen. Het totaal aantal tewerkgestelden dat in relatie tot de 432 gerepertorieerde beroepsactiviteiten geteld werd, bedroeg voor de Vlaamse steden samen bijna 33.000 personen. Wanneer we dit aantal verhouden tot (approximatieve) bevolkingscijfers van de steden voor deze periode, komt dit neer op gemiddeld 23&#x0025; van de stedelijke bevolking.<xref ref-type="fn" rid="fn33" specific-use="fn"><sup>33</sup></xref> Dit is enerzijds een belangwekkend aandeel, maar anderzijds wellicht een onderschatting van het totaal aantal stedelingen (inclusief vrouwen en kinderen) dat bij nijverheid in de ruime zin van het woord betrokken was, iets waar we verder op terugkomen.</p>
<table-wrap id="tab1">
<label>Tabel 1</label>
<caption><title>Overzicht van de gegevens in de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 voor 19 Vlaamse steden</title></caption>
<table id="table1" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th rowspan="2"></th>
<th>Nijverheden</th>
<th colspan="2">Tewerkstelling</th>
</tr>
<tr>
<th>N</th>
<th>N</th>
<th><italic>Als &#x0025; van bevolking</italic></th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Gent</td>
<td>87</td>
<td>14.169</td>
<td><italic>37</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Izegem</td>
<td>54</td>
<td>1.915</td>
<td><italic>38</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Ninove</td>
<td>41</td>
<td>397</td>
<td><italic>17</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Oudenaarde</td>
<td>35</td>
<td>756</td>
<td><italic>20</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Geraardsbergen</td>
<td>35</td>
<td>929</td>
<td><italic>19</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Zottegem</td>
<td>31</td>
<td>258</td>
<td><italic>22</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Wervik</td>
<td>28</td>
<td>352</td>
<td><italic>23</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Aalst</td>
<td>28</td>
<td>939</td>
<td><italic>13</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Dendermonde</td>
<td>23</td>
<td>625</td>
<td><italic>16</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Oostende</td>
<td>20</td>
<td>794</td>
<td><italic>13</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Ieper</td>
<td>12</td>
<td>374</td>
<td><italic>3</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Brugge</td>
<td>10</td>
<td>7.854</td>
<td><italic>29</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Blankenberge</td>
<td>9</td>
<td>413</td>
<td><italic>28</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Kortrijk</td>
<td>8</td>
<td>1.360</td>
<td><italic>11</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Ronse</td>
<td>7</td>
<td>1.233</td>
<td><italic>18</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Eeklo</td>
<td>1</td>
<td>260</td>
<td><italic>9</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Tielt</td>
<td>1</td>
<td>111</td>
<td><italic>6</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Deinze</td>
<td>1</td>
<td>25</td>
<td><italic>2</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Torhout</td>
<td>1</td>
<td>6</td>
<td><italic>0</italic></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>Totaal</bold></td>
<td><bold>432</bold></td>
<td><bold>32.770</bold></td>
<td><italic><bold>23</bold></italic></td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron: NVHENQ1738VL19.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Belangrijk is hier te zien dat het aandeel stedelingen dat in de telling opgenomen is, net als het aantal nijverheden, aanzienlijk varieert van stad tot stad: van maar liefst 38&#x0025; in Izegem en aandelen tussen 20&#x0025; en 32&#x0025; in onder meer Brugge, Blankenberge, Gent en Zottegem, tot amper 1 &#x00E0; 6&#x0025; in Deinze, Ieper, Tielt en Torhout.</p>
<p>Hoewel re&#x00EB;le verschillen in industri&#x00EB;le ori&#x00EB;ntatie tussen steden ook een rol speelden, was een verschillende interpretatie van wat precies als &#x2018;nijverheid&#x2019; en &#x2018;tewerkstelling&#x2019; werd beschouwd ongetwijfeld van invloed op de grote variatie in aantal nijverheden en aandeel tewerkstelling in Tabel <xref ref-type="table" rid="tab1">1</xref>. Een belangrijke kwestie is dus hoe stedelijke overheden de omschrijving <italic>&#x2018;tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques&#x2019;</italic> precies verstonden. Zeker in steden met een sterke corporatieve traditie is de kans re&#x00EB;el dat hierbij een sterke associatie bestond met de bestaande ambachtsgilden, zoals we reeds zagen in het voorbeeld van Gent. Tegelijk maakt de achtergrond van de enqu&#x00EA;te - informatie verzamelen met het oog op de douanepolitiek - het plausibel dat in eerste instantie activiteiten in het vizier kwamen die exportgericht waren. Toch lijkt het merendeel van de steden een relatief ruime definitie gehanteerd te hebben: elf steden geven bijvoorbeeld ook gegevens voor bakkers - een bij uitstek niet op export gerichte activiteit - in hun antwoorden op de enqu&#x00EA;te.</p>
<p>Om een beter zicht te krijgen op de interpretatiekaders die de stedelijke antwoorden stuurden, deelden we de verschillende vermelde nijverheden op in vijftien sectoren en &#x00E9;&#x00E9;n restcategorie <xref ref-type="table" rid="tab2">2</xref>). Hieruit blijkt dat beroepsactiviteiten uit de dienstensector minder algemeen voorkwamen in de antwoorden op de enqu&#x00EA;tes. Zo vermeldden slechts acht van de 19 steden beroepsgroepen die onder diensten en kleinhandel kunnen gerekend worden, en vinden we slechts voor vijf steden verwijzingen terug naar de transportsector. In die steden werd duidelijk een brede definitie gehanteerd van <italic>&#x2018;m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques&#x2019;.</italic> Nijveraars die in hoofdzaak voor de lokale markt produceerden, zoals in de houtbewerking, confectie, voeding, bouw en kleinhandel, vertegenwoordigden in totaal 30&#x0025; van de in de enqu&#x00EA;te getelde tewerkgestelden. Het veelvuldig ontbreken van deze sectoren in heel wat steden impliceert een sterke onderschatting van het belang van deze sector in de enqu&#x00EA;te, aangezien de kleinhandel, transport en voedingssector vaak niet opgenomen werden in de telling. Omgekeerd kwam de textielnijverheid in alle stedelijke enqu&#x00EA;tes in Vlaanderen voor, en zijn de andere courante sectoren die van lederbewerking, kleding, hout- en metaalbewerking: sectoren die minstens ten dele exportgericht waren. Samenvattend kwamen de exportgerichte nijverheden, waaronder de textiel als veruit de belangrijkste, dus het meest volledig in beeld in de enqu&#x00EA;te, terwijl lokale verschillen in interpretatie bepaalden of ook meer lokale, verzorgende sectoren opgenomen werden, met inbegrip van activiteiten die veeleer in de dienstensector te situeren zijn. Terwijl Gent duidelijk een zeer ruime definitie gaf aan het concept &#x2018;nijverheid&#x2019;, vinden we in Brugge dan weer een heel selectieve invulling van de enqu&#x00EA;te, waar enkel tien exportgerichte beroepsactiviteiten worden opgelijst - acht in de textiel en twee in de lederbewerking.<xref ref-type="fn" rid="fn34" specific-use="fn"><sup>34</sup></xref></p>
<table-wrap id="tab2">
<label>Tabel 2</label>
<caption><title>Nijverheden en tewerkstelling per sector, nijverheidsenqu&#x00EA;te 1738</title></caption>
<table id="table2" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th rowspan="2"></th>
<th>Nijverheden</th>
<th colspan="2">Tewerkgestelden</th>
<th>Aantal steden</th>
</tr>
<tr>
<th>N</th>
<th>N</th>
<th>&#x0025;</th>
<th>N</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Textiel</td>
<td>67</td>
<td>19.578</td>
<td><italic>59,7</italic></td>
<td>19</td>
</tr>
<tr>
<td>Lederbewerking</td>
<td>43</td>
<td>1.121</td>
<td><italic>3,4</italic></td>
<td>15</td>
</tr>
<tr>
<td>Kleding</td>
<td>39</td>
<td>2.599</td>
<td><italic>7,9</italic></td>
<td>13</td>
</tr>
<tr>
<td>Houtbewerking</td>
<td>58</td>
<td>1.276</td>
<td><italic>3,9</italic></td>
<td>12</td>
</tr>
<tr>
<td>Voeding</td>
<td>54</td>
<td>1.870</td>
<td><italic>5,7</italic></td>
<td>12</td>
</tr>
<tr>
<td>Metaal</td>
<td>43</td>
<td>513</td>
<td><italic>1,6</italic></td>
<td>12</td>
</tr>
<tr>
<td>Bouw</td>
<td>24</td>
<td>775</td>
<td><italic>2,4</italic></td>
<td>10</td>
</tr>
<tr>
<td>Diensten en kleinhandel</td>
<td>28</td>
<td>2.946</td>
<td><italic>9,0</italic></td>
<td>8</td>
</tr>
<tr>
<td>Kunst en luxe</td>
<td>13</td>
<td>228</td>
<td><italic>0,7</italic></td>
<td>7</td>
</tr>
<tr>
<td>Transport</td>
<td>14</td>
<td>643</td>
<td><italic>2,0</italic></td>
<td>5</td>
</tr>
<tr>
<td>Aardewerk</td>
<td>6</td>
<td>88</td>
<td><italic>0,3</italic></td>
<td>5</td>
</tr>
<tr>
<td>Glas</td>
<td>6</td>
<td>66</td>
<td><italic>0,2</italic></td>
<td>5</td>
</tr>
<tr>
<td>Handel</td>
<td>10</td>
<td>186</td>
<td><italic>0,6</italic></td>
<td>4</td>
</tr>
<tr>
<td>Zeep- en zoutzieders</td>
<td>6</td>
<td>32</td>
<td><italic>0,1</italic></td>
<td>4</td>
</tr>
<tr>
<td>Tabak</td>
<td>5</td>
<td>216</td>
<td><italic>0,7</italic></td>
<td>4</td>
</tr>
<tr>
<td>Overige</td>
<td>16</td>
<td>633</td>
<td><italic>1,9</italic></td>
<td>10</td>
</tr>
<tr>
<td><bold>Totaal</bold></td>
<td><bold>432</bold></td>
<td><bold>32.770</bold></td>
<td><italic><bold>100,0</bold></italic></td>
<td><bold>19</bold></td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron: NVHENQ1738VL19.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Terwijl de verzorgende activiteiten en dienstensectoren dus onvolledig in beeld kwamen, kunnen we ervan uitgaan dat industri&#x00EB;le, producerende activiteiten meestal wel een plaats kregen in de antwoorden op de enqu&#x00EA;te. Wanneer we onze blik vernauwen tot deze industri&#x00EB;le nijverheden, hebben we dus vastere grond om de opgelijste gegevens aan een nadere, vergelijkende analyse te onderwerpen (Tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>). In totaal was 19&#x0025; van de totale stedelijke bevolking actief in deze industri&#x00EB;le nijverheden - of bij benadering ca. 38&#x0025; van de actieve bevolking.<xref ref-type="fn" rid="fn35" specific-use="fn"><sup>35</sup></xref> De lokale verschillen waren echter groot, wat signaleert dat het industri&#x00EB;le karakter van Vlaamse steden sterk uiteenliep. In enkele kleinere steden waar enkel de weverij opgenomen werd in de telling, zoals in Torhout, Deinze, Eeklo en Tielt, ligt de industri&#x00EB;le tewerkstellingsgraad lager dan 10&#x0025; van de bevolking. Maar ook in verschillende plaatsen waar een ruimer scala aan nijverheden vermeld werd, blijft de industri&#x00EB;le tewerkstelling laag: regionaal verzorgende centra zoals Ieper en Dendermonde hadden eveneens een lage industri&#x00EB;le tewerkstelling (&lt; 10&#x0025;). Vermoedelijk speelden zij eerder een belangrijke rol in het centraliseren van diensten en goederen voor het omliggende platteland, zoals blijkt uit de relatief hoge centraliteitsindices die voor deze plaatsen berekend werden voor het eind van de achttiende eeuw.<xref ref-type="fn" rid="fn36" specific-use="fn"><sup>36</sup></xref> Ook plaatsen met een groter belang van de primaire sector zoals Blankenberge en Oostende, waar de visserij een grote rol speelde in het economisch leven, vertoonden een lagere tewerkstelling in de nijverheid.</p>
<p>Aan het andere uiteinde van het spectrum bevinden zich steden waar de industri&#x00EB;le tewerkstelling boven de 25&#x0025; uitsteeg. Enerzijds zijn het de grotere steden die een hogere relatieve tewerkstelling in de nijverheid lieten zien, zoals Gent en Brugge. Anderzijds waren er ook enkele kleine steden bij, zoals Oudenaarde, Zottegem, Ronse en Wervik, waar de kleding-, textiel-, lederbewerking en tabaksfabricage de lokale economie een sterker industrieel karakter gaven. In sommige gevallen was de sterke vertegenwoordiging te relateren aan het hanteren van meer inclusieve criteria voor het tellen van arbeiders. In het geval van Izegem gaat het bijvoorbeeld om een grote concentratie spinsters, die mogelijk deels op het omliggende platteland woonden in plaats van in de stad zelf. Ook elders was een groot deel van de stedelijke textielnijverheid afhankelijk van (soms landelijke) vrouwen- en kinderarbeid, maar niet altijd werden zij ook in de antwoorden van de steden opgenomen (zie verder). Ook in Geraardsbergen valt de hoge industri&#x00EB;le tewerkstelling deels te verklaren door het wel vermelden van een hoofdzakelijk vrouwelijke nijverheid, namelijk het kantklossen: meer dan 200 <italic>spellewerckerssen</italic> werkten er in dienst van 14 meesters.</p>
<p>Zoals het voorbeeld van kantklossters en spinsters in Geraardsbergen en Izegem demonstreert, zijn de tewerkstellingscijfers in de enqu&#x00EA;te waarschijnlijk dikwijls onderschattingen. Niet alleen zijn sommige sectoren ondervertegenwoordigd, ook de vraag of landelijke arbeid, en vrouwen- en kinderarbeid moest meegeteld worden, werd op verschillende manieren beantwoord. Ongeschoolde loonarbeid, zelfs wanneer deze bijdroeg aan de nijverheid en industrie in ruime zin, werd waarschijnlijk vaak niet meegerekend - en zeker niet wanneer ze onregelmatig of seizoensgebonden was. De parochie Komen (Kasselrij Ieper), liet optekenen geen van de gevraagde industri&#x00EB;le activiteiten te tellen, <italic>&#x2018;mais seulement des journaliers et manoeuvres qui travaillent pour gagner de quoy vivre&#x2019;.</italic> Ook Oudenburg meende geen van de gevraagde nijverheden te tellen, maar enkel &#x2018;<italic>persoonen den welcke daghelicke moeten wercken om hun daghlickx broodt&#x2019;.</italic><xref ref-type="fn" rid="fn37" specific-use="fn"><sup>37</sup></xref></p>
</sec>
<sec id="s5">
<title>Stedelijke nijverheden in 1738: een balans</title>
<p>Ondanks de soms uiteenlopende interpretaties van de begrippen nijverheid en tewerkstelling, kunnen de gegevens uit de bevraging van 1738 alleszins een ruwe indicatie bieden van het relatief belang van verschillende industri&#x00EB;le, producerende sectoren in de Vlaamse steden. We bespreken hier achtereenvolgens de gegevens in relatie tot nieuwe consumptienijverheden, textiel en andere nijverheidssectoren aan de hand van Tabel <xref ref-type="table" rid="tab3">3</xref>.</p>
<p>Enkele &#x2018;nieuwe nijverheden&#x2019; worden traditioneel in verband gebracht met de economische opbloei na 1748. De belangrijkste daarvan waren nauw verbonden met de opkomst van nieuwe consumptiepatronen in West-Europa.<xref ref-type="fn" rid="fn38" specific-use="fn"><sup>38</sup></xref> Het gaat dan naast een aantal nieuwe textielsectoren (zie verder) onder meer over de tabaksindustrie, gleiswerk- en porseleinmanufacturen, suiker, glas (voor onder andere bronwater), en papier (voor speelkaarten en ander drukwerk). De opkomst van een veranderende consumptiecultuur valt inderdaad reeds in de bevraging van 1738 op te maken. In het bescheiden Izegem werd melding gemaakt van de aanwezigheid van zes snuif- en tabakswinkels, evenveel <italic>th&#x00E9;, caff&#x00E9; en chocolatvercoopers</italic>, naast vijf katoenwinkels, drie porseleinverkopers, twee pruikenmakers, en vijftien merceriewinkels. Elders werden dergelijke winkels die hun bestaan dankten aan de nieuwe consumptiecultuur ofwel niet mee opgenomen omdat ze niet als nijverheid beschouwd werden, ofwel gegroepeerd onder de algemene groep meerseniers.<xref ref-type="fn" rid="fn39" specific-use="fn"><sup>39</sup></xref> Waar ze vermeld werden, waren ze alvast talrijk: Oostende telde 193 <italic>meester-winckeliers</italic>, in Gent waren er 364 <italic>mercheniers</italic>. De kleinhandelssector in Gent was duidelijk reeds in de eerste helft van de achttiende eeuw sterk ontwikkeld: wanneer men bij de <italic>mercheniers</italic> ook de 670 <italic>cruideniers</italic>, <italic>caescoopers</italic> en <italic>oude cleercopers</italic> rekent, komt men op een verhouding (<italic>retail ratio</italic>) van circa 26 kleinhandelaars per 1.000 inwoners.<xref ref-type="fn" rid="fn40" specific-use="fn"><sup>40</sup></xref></p>
<p>Op de industri&#x00EB;le productie had de ontwikkeling van nieuwe consumptiepatronen een minder uitgesproken impact. De aarde-, glas-, tabaks-, en zeep- en zoutindustrie&#x00EB;n waren in de bevraging van 1738 in de Vlaamse steden vertegenwoordigd, zij het in beperkte mate. In totaal waren in de onderzochte steden 402 personen in deze nijverheden tewerkgesteld - of amper 1&#x0025; van het totale aantal personen in de bevraging. De grootste sector hier was de tabaksindustrie, die vooral in Geraardsbergen een groot aantal mensen tewerkstelde (183). In vergelijking met de meer dan 150 tabaksfabrieken die de Oostenrijkse Nederlanden in 1764 rijk waren, ging het in ieder geval nog om een bescheiden ontwikkeling.<xref ref-type="fn" rid="fn41" specific-use="fn"><sup>41</sup></xref> De nieuwe nijverheden gericht op lokale consumptieveranderingen, die na 1750 een grote stempel zouden drukken op de Zuid-Nederlandse economie, bevonden zich in 1738 dus nog in een pril stadium.</p>
<table-wrap id="tab3">
<label>Tabel 3</label>
<caption><title>Aandeel van geselecteerde nijverheidssectoren in de actieve bevolking per stad, nijverheidsenqu&#x00EA;te 1738 (&#x0025;)</title></caption>
<table id="table3" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.09*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
<col width="0.07*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Stad</th>
<th>Textiel</th>
<th>Kleding</th>
<th>Lederbewerking</th>
<th>Houtbewerking</th>
<th>Bouw</th>
<th>Metaal</th>
<th>Kunst en luxe</th>
<th>Tabak</th>
<th>Aarde-werk</th>
<th>Glas</th>
<th>Zeep- en zoutzieders</th>
<th>Overige</th>
<th>Totaal</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aalst</td>
<td>5,17</td>
<td>7,57</td>
<td>4,80</td>
<td>2,86</td>
<td>1,63</td>
<td>0,97</td>
<td>0,20</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,06</td>
<td>0,00</td>
<td>0,34</td>
<td><bold>23,60</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Blankenberge</td>
<td>4,67</td>
<td>1,33</td>
<td>2,67</td>
<td>1,73</td>
<td>0,00</td>
<td>0,53</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>1,07</td>
<td><bold>12,00</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Brugge</td>
<td>58,08</td>
<td>0,00</td>
<td>0,80</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>58,88</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Deinze</td>
<td>4,90</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>4,90</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Dendermonde</td>
<td>3,60</td>
<td>3,00</td>
<td>3,05</td>
<td>4,55</td>
<td>0,55</td>
<td>1,10</td>
<td>0,30</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,30</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>16,45</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Eeklo</td>
<td>17,33</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>17,33</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Gent</td>
<td>34,78</td>
<td>8,36</td>
<td>0,96</td>
<td>3,52</td>
<td>2,65</td>
<td>1,30</td>
<td>0,97</td>
<td>0,00</td>
<td>0,33</td>
<td>0,29</td>
<td>0,04</td>
<td>0,14</td>
<td><bold>53,32</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Geraardsbergen</td>
<td>11,36</td>
<td>7,49</td>
<td>0,21</td>
<td>3,06</td>
<td>1,45</td>
<td>1,79</td>
<td>0,21</td>
<td>7,79</td>
<td>0,21</td>
<td>0,17</td>
<td>0,00</td>
<td>0,04</td>
<td><bold>33,79</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Ieper</td>
<td>4,98</td>
<td>0,50</td>
<td>0,38</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,27</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>6,13</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Izegem</td>
<td>61,96</td>
<td>1,28</td>
<td>1,84</td>
<td>1,92</td>
<td>0,52</td>
<td>0,44</td>
<td>0,24</td>
<td>0,00</td>
<td>0,36</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>1,12</td>
<td><bold>69,68</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Kortrijk</td>
<td>22,35</td>
<td>0,00</td>
<td>0,32</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>22,67</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Ninove</td>
<td>4,09</td>
<td>6,78</td>
<td>5,83</td>
<td>4,17</td>
<td>1,48</td>
<td>1,65</td>
<td>0,00</td>
<td>0,43</td>
<td>0,35</td>
<td>0,17</td>
<td>0,00</td>
<td>0,78</td>
<td><bold>25,74</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Oostende</td>
<td>0,37</td>
<td>3,17</td>
<td>2,43</td>
<td>2,67</td>
<td>2,67</td>
<td>1,37</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,10</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>12,77</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Oudenaarde</td>
<td>12,65</td>
<td>6,80</td>
<td>6,50</td>
<td>3,35</td>
<td>1,10</td>
<td>2,25</td>
<td>0,60</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,30</td>
<td><bold>33,55</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Ronse</td>
<td>17,71</td>
<td>1,06</td>
<td>1,37</td>
<td>0,11</td>
<td>0,00</td>
<td>0,23</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>14,74</td>
<td><bold>35,23</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Tielt</td>
<td>11,10</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>11,10</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Torhout</td>
<td>0,60</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td><bold>0,60</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Wervik</td>
<td>6,67</td>
<td>4,80</td>
<td>8,40</td>
<td>6,67</td>
<td>4,00</td>
<td>2,67</td>
<td>0,67</td>
<td>3,47</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>0,00</td>
<td>3,33</td>
<td><bold>40,67</bold></td>
</tr>
<tr>
<td>Zottegem</td>
<td>1,00</td>
<td>5,83</td>
<td>18,33</td>
<td>4,33</td>
<td>0,17</td>
<td>2,83</td>
<td>0,00</td>
<td>0,33</td>
<td>1,17</td>
<td>0,33</td>
<td>0,00</td>
<td>0,33</td>
<td><bold>34,67</bold></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>Totaal</bold></td>
<td><bold>27,86</bold></td>
<td><bold>3,65</bold></td>
<td><bold>1,58</bold></td>
<td><bold>1,79</bold></td>
<td><bold>1,09</bold></td>
<td><bold>0,72</bold></td>
<td><bold>0,32</bold></td>
<td><bold>0,30</bold></td>
<td><bold>0,12</bold></td>
<td><bold>0,09</bold></td>
<td><bold>0,05</bold></td>
<td><bold>0,89</bold></td>
<td><bold>38,49</bold></td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron</italic>: NVHENQ1738VL19. <italic>Nota</italic>: Actieve bevolking werd geschat op 50&#x0025; van de totale bevolking. Percentages hoger dan 1&#x0025;, 5&#x0025; en 10&#x0025; werden gemarkeerd.</p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>De textielsector bleef in de Vlaamse steden veruit de belangrijkste industrietak aan het begin van de achttiende eeuw, maar dat betekent uiteraard niet dat ze sinds de late middeleeuwen onveranderd gebleven was. Daar waar de laatmiddeleeuwse textielnijverheid gedomineerd werd door de stedelijke lakenproductie voor de internationale markt, was de situatie in 1738 grondig gewijzigd. Door het verlies van internationale afzetmarkten was de stedelijke lakennijverheid sterk teruggedrongen.<xref ref-type="fn" rid="fn42" specific-use="fn"><sup>42</sup></xref> Slechts in Brugge, Gent en Ieper was er nog wolweverij aanwezig, naast de Oudenaardse tapijtweverij. Dit in contrast met linnen, dat in nagenoeg elke Vlaamse stad vervaardigd of afgewerkt werd. Het grootste deel van de linnenproductie vond echter plaats op het platteland, waardoor de bijdrage tot de stedelijke industrie voornamelijk beperkt was tot de afwerkingsnijverheden zoals het bleken en verven. Hoewel het landelijke linnen wellicht van groot commercieel belang was voor de steden, speelde de afwerking ervan slechts een beperkte rol in de stedelijke arbeidsmarkt: amper 4&#x0025; van de totale tewerkstelling in de textiel werd uitgemaakt door de scheerders, ververs en blekers.</p>
<p>Kijken we enkel naar het weven zelf, dan waren niet de linnen of wollen stoffen, maar wel de gemengde textielsoorten de belangrijkste producten die door de stedelijke nijverheden geproduceerd werden: 49&#x0025; van de tewerkgestelden in de textielweverij produceerde gemengde stoffen, of ca. 8.000 mensen. Wol volgde met 36&#x0025; van de tewerkstelling, en veel kleinere aandelen werden ingenomen door linnen (8&#x0025;), kant (1&#x0025;) en zijde (&lt;1&#x0025;). Vooral de combinaties van katoen en linnen, zoals siamoisen en fusteinen, waren populaire mengstoffen die de Vlaamse textielindustrie domineerden. Het groot belang van deze aanpassingen binnen de textielsector demonstreert hoe ook in de zeventiende en achttiende eeuw nieuwe ontwikkelingen zich manifesteerden, naast de neergang van de wolnijverheid en de concurrentie van de landelijke linnenindustrie.</p>
<p>Weinig sectoren stelden meer dan 1&#x0025; van de stedelijke bevolking te werk, met uitzondering van de textielnijverheid: deze nam in alle steden het grootste aandeel voor haar rekening. Zowel de productie van wol, linnen, als gemengde stoffen zoals fustijnen en tierentijnen, stelden in Gent en Brugge duizenden mensen te werk. Het aantal steden dat zich <italic>niet</italic> op de textiel als voornaamste industriesector toelegde, is beperkt. Het enige voorbeeld is Oostende, waar geen textielnijverheid terug te vinden was &#x2013; op twee lijndraaiers-meesters na die wellicht touw vervaardigden voor de visserij en scheepvaart. Zottegem en Torhout telden elk slechts zes tewerkgestelden in het vervaardigen en verven van linnen, Ninove telde er 16. In alle overige steden werden niet alleen meerdere textielsoorten vervaardigd, maar nam de tewerkstelling vooral ook een dominant aandeel in het geheel in.</p>
<fig id="fg002">
<label>Illustratie 2</label>
<caption><title>Een schoenlapper</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.18018_fig2.jpg"/>
<attrib><italic>(bron: onbekende tekenaar, achttiende eeuw. Steinmetzkabinet Brugge. <ext-link ext-link-type="uri" xlink:href="https://balat.kikirpa.be/object/106617">https://balat.kikirpa.be/object/106617</ext-link></italic>)</attrib>
</fig>
<p>Behalve de textielindustrie namen enkel de hout- en lederbewerking en de kledingnijverheid een substantieel aandeel in de totale tewerkstelling voor hun rekening. Vooral in Zottegem en Oudenaarde is het groot aantal lederbewerkers opvallend: beide steden telden meer dan honderd schoenmakers en -lappers op een bevolking van respectievelijk c. 1.200 en 3.800 inwoners. Vermoedelijk was deze grootschalige schoenennijverheid primair gericht op regionale export. Luxenijverheden waren doorgaans sterk geconcentreerd in enkele centra die reeds sinds de late middeleeuwen een reputatie voor ambachtelijke productie van hoge kwaliteit opgebouwd hadden. In Oudenaarde is de tapijtindustrie in 1738 nog steeds de belangrijkste nijverheid: acht meesters stellen 216 leerlingen en arbeiders tewerk, samen goed voor 6&#x0025; van de stedelijke bevolking. De Gentse fabriek van gleiswerk (een meer verfijnde en duurdere vorm van aardewerk) is een ander duidelijk voorbeeld, evenals de fijnschilders, beeldhouwers en glasbewerkers die in Oudenaarde 12 mensen telden, en in Gent niet minder dan 62. De boekdrukkersstiel (12 meesters en 41 knechten en leerlingen) en de vervaardiging van horloges (10 meesters en 4 knechten) waren twee opvallende exportgerichte luxenijverheden die enkel in Gent te vinden waren. Luxeproductie die ook de lokale markt bediende, kon dan weer op meer plaatsen gevonden worden, zij het dan steeds in bescheidener aantallen dan in Gent: Wervik en Izegem telden bijvoorbeeld elk twee pruikenmaker-meesters, terwijl zilversmeden behalve in Gent (29) ook in Dendermonde (2), Geraardsbergen (2), en Aalst (4) voorkwamen.</p>
<p>Globaal genomen bleef de textielsector veruit de belangrijkste nijverheidstak in de Vlaamse steden, verantwoordelijk voor ruim een kwart van de actieve bevolking volgens de tewerkstellingsgegevens in de enqu&#x00EA;te van 1738. De nieuwe nijverheden zoals de tabaksindustrie en de porseleinfabricage konden, blijkens de enqu&#x00EA;te van 1738, pas vanaf latere datum hun stempel op de industri&#x00EB;le ontwikkeling drukken.</p>
</sec>
<sec id="s6">
<title>Een ambachtelijk monopolie?</title>
<p>Hoe belangrijk waren de ambachten in de stedelijke nijverheid van Vlaanderen tijdens de eerste helft van de achttiende eeuw? Hubert Van Houtte gebruikte een - veeleer cursieve - analyse van de gegevens uit de enqu&#x00EA;te van 1738 om te argumenteren dat in deze periode het belang van de nieuwe, kapitalistische nijverheden nog verwaarloosbaar was.<xref ref-type="fn" rid="fn43" specific-use="fn"><sup>43</sup></xref> Jean-Jacques Heirwegh kwam op een meer genuanceerde conclusie uit, waarbij hij sterk benadrukte hoe verscheiden de ambachtelijke organisatie in realiteit kon zijn.<xref ref-type="fn" rid="fn44" specific-use="fn"><sup>44</sup></xref></p>
<p>In deze bijdrage trachten we zicht te krijgen op de relatieve omvang van respectievelijk de ambachtelijke en de niet-ambachtelijk georganiseerde nijverheid aan de hand van een vergelijking met een ambachtstelling uit 1784.<xref ref-type="fn" rid="fn45" specific-use="fn"><sup>45</sup></xref> In tegenstelling tot de enqu&#x00EA;te van 1738 was de bevraging van 1784 duidelijk een ambachtsenq&#x00FB;ete, dat wil zeggen: gericht op het in kaart brengen van de corporatief georganiseerde beroepsgroepen in de steden, met verwijzing naar hun statuten, interne regulering en dergelijke meer. Door de beroepsgroepen vermeld in de enqu&#x00EA;te van 1738 te vergelijken met de ambachten in die van 1784, kan uitgeklaard worden in hoeverre de onderscheiden &#x2018;nijverheden&#x2019; in 1738 gelijkstonden aan bestaande ambachtsgilden. Deze vergelijking is uiteraard niet zonder moeilijkheden: sommige ambachten bestonden nog in 1738, maar niet meer in 1784; andere ambachtsgilden zijn moeilijker herkenbaar in &#x00E9;&#x00E9;n of beide enqu&#x00EA;tes omdat ze geledingen vormden van overkoepelende ambachtsgilden, en dergelijke meer. Bovendien beperkt deze vergelijking zich noodgedwongen tot negen steden (met in totaal 256 nijverheden) waarvoor we in beide enqu&#x00EA;tes informatie terugvinden: Aalst, Brugge, Dendermonde, Gent, Geraardsbergen, Ieper, Kortrijk, Oostende, Oudenaarde. Het resultaat geeft niettemin cruciale informatie weer over de mate waarin de nijverheidstelling van 1738 ook niet-corporatief georganiseerde sectoren in rekening bracht.</p>
<p>Voor deze negen steden vinden we in totaal 256 nijverheden opgelijst in de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 (zie Tabel <xref ref-type="table" rid="tab4">4</xref>). Hiervan zijn er slechts 57 (22&#x0025;) die niet gerelateerd kunnen worden aan de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784: hoogstens &#x00E9;&#x00E9;n op vijf vermelde &#x2018;nijverheden&#x2019; in 1738 betreft dus beroepen die niet ambachtelijk georganiseerd waren. Omgekeerd zijn minstens 78&#x0025; van de vermelde nijverheden georganiseerd in ambachtsgilden. Toch zijn er aanzienlijke verschillen aan te merken tussen de steden: zo zijn in Ieper maar liefst acht van de twaalf (67&#x0025;) opgelijste beroepsgroepen niet te koppelen aan de enqu&#x00EA;te van 1784, in Kortrijk is dit respectievelijk 38&#x0025; en in Gent 24&#x0025; van de vermelde nijverheden, terwijl in Oudenaarde alle 35 &#x2018;nijverheden&#x2019; vermeld in 1738 ook voorkomen in de enqu&#x00EA;te van 1784. Het gros van de industri&#x00EB;le activiteiten was dus nog steeds in corporatieve kaders ingebed.</p>
<table-wrap id="tab4">
<label>Tabel 4</label>
<caption><title>Ambachtelijk en niet-ambachtelijk georganiseerde nijverheden, nijverheidsenqu&#x00EA;te (1738) - selectie van 9 steden</title></caption>
<table id="table4" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Stad</th>
<th>Ambachtelijk-georganiseerde nijverheden (N)</th>
<th>Niet-ambachtelijk georganiseerde nijverheden (N)</th>
<th>Alle nijverheden (N)</th>
<th><italic>&#x0025; ambachtelijk georganiseerde nijverheden</italic></th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aalst</td>
<td>24</td>
<td>4</td>
<td>28</td>
<td><italic>86</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Brugge</td>
<td>7</td>
<td>1</td>
<td>8</td>
<td><italic>88</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Dendermonde</td>
<td>16</td>
<td>7</td>
<td>23</td>
<td><italic>70</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Gent</td>
<td>66</td>
<td>21</td>
<td>87</td>
<td><italic>76</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Geraardsbergen</td>
<td>27</td>
<td>8</td>
<td>35</td>
<td><italic>77</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Ieper</td>
<td>4</td>
<td>8</td>
<td>12</td>
<td><italic>33</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Kortrijk</td>
<td>5</td>
<td>3</td>
<td>8</td>
<td><italic>63</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Oostende</td>
<td>15</td>
<td>5</td>
<td>20</td>
<td><italic>75</italic></td>
</tr>
<tr>
<td>Oudenaarde</td>
<td>35</td>
<td>0</td>
<td>35</td>
<td><italic>100</italic></td>
</tr>
<tr>
<td><bold>Totaal</bold></td>
<td><bold>199</bold></td>
<td><bold>57</bold></td>
<td><bold>256</bold></td>
<td><italic><bold>78</bold></italic></td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<attrib><italic>Bron: NVHENQ1738VL19 en Ambachtsenqu&#x00EA;te 1784 (zie voetnoot <xref ref-type="fn" rid="fn45" specific-use="fn">45</xref>). Nota: Ambachtelijk-georganiseerd = betreffende nijverheid is opgenomen in de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784; niet-ambachtelijk georganiseerd = betreffende nijverheid is niet opgenomen in de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784.</italic></attrib>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Welke sectoren waren meer of minder corporatief georganiseerd, en welk gewicht droegen ze in de stedelijke economie? De soms kleine aantallen in Tabel <xref ref-type="table" rid="tab5">5</xref> moeten met de nodige omzichtigheid benaderd worden, maar geven een belangrijke indicatie van sectori&#x00EB;le verschillen in institutionele organisatie. Sectoren die dominant corporatief georganiseerd waren (&gt;75&#x0025;) zijn de bouwsector, diensten- en kleinhandel, houtbewerking, kleding, kunst en luxe, lederbewerking, metaalbewerking, transport en voeding. Sectoren die daarentegen weinig of geen overeenkomst vertonen met de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784 zijn die van zeep- en zoutzieders en tabaksverwerking (geen overeenkomst), en aardewerk en glas (weinig overeenkomst): deze sectoren vielen buiten het traditionele corporatieve kader, maar werden in de bevraging van 1738 wel duidelijk als nijverheden beschouwd. Daarnaast vertoonde ook bijna de helft van de textielnijverheden geen directe corporatieve identiteit, zoals bij de zijdewerkers, linnenwevers, lintwerkers, en kantwerksters.</p>
<table-wrap id="tab5">
<label>Tabel 5</label>
<caption><title>Ambachtelijk georganiseerde nijverheden per sector, nijverheidsenqu&#x00EA;te (1738) - selectie van 9 steden</title></caption>
<table id="table5" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.50*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th></th>
<th>&#x0025; ambachtelijk georganiseerde nijverheden</th>
<th>Totaal aantal nijverheden (N)</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aardewerk</td>
<td><italic>33</italic></td>
<td>3</td>
</tr>
<tr>
<td>Bouw</td>
<td><italic>88</italic></td>
<td>16</td>
</tr>
<tr>
<td>Diensten en kleinhandel</td>
<td><italic>92</italic></td>
<td>13</td>
</tr>
<tr>
<td>Glas</td>
<td><italic>50</italic></td>
<td>4</td>
</tr>
<tr>
<td>Handel</td>
<td><italic>67</italic></td>
<td>3</td>
</tr>
<tr>
<td>Houtbewerking</td>
<td><italic>97</italic></td>
<td>29</td>
</tr>
<tr>
<td>Kleding</td>
<td><italic>92</italic></td>
<td>26</td>
</tr>
<tr>
<td>Kunst en luxe</td>
<td><italic>78</italic></td>
<td>9</td>
</tr>
<tr>
<td>Lederbewerking</td>
<td><italic>87</italic></td>
<td>23</td>
</tr>
<tr>
<td>Metaal</td>
<td><italic>93</italic></td>
<td>27</td>
</tr>
<tr>
<td>Tabak</td>
<td><italic>0</italic></td>
<td>1</td>
</tr>
<tr>
<td>Zeep- en zoutzieders</td>
<td><italic>0</italic></td>
<td>6</td>
</tr>
<tr>
<td>Textiel</td>
<td><italic>53</italic></td>
<td>49</td>
</tr>
<tr>
<td>Transport</td>
<td><italic>100</italic></td>
<td>12</td>
</tr>
<tr>
<td>Voeding</td>
<td><italic>76</italic></td>
<td>29</td>
</tr>
<tr>
<td>Overige</td>
<td><italic>67</italic></td>
<td>6</td>
</tr>
<tr>
<td><bold>Totaal</bold></td>
<td><italic><bold>78</bold></italic></td>
<td><bold>256</bold></td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Nota: Ambachtelijk-georganiseerd = nijverheid is opgenomen in de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784.</italic></p>
<p><italic>Bron: NVHENQ1738VL19 en Ambachtsenqu&#x00EA;te 1784 (zie voetnoot <xref ref-type="fn" rid="fn45" specific-use="fn">45</xref>).</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Het zijn niet toevallig de oudste textielnijverheden die de hoogste graad van corporatieve organisatie laten zien. Daar waar 70&#x0025; van de wolnijverheden in de bevraging corporatief georganiseerd was, was dit voor slechts 38&#x0025; van de nijverheden met gemengde stoffen het geval. De kantnijverheid ontsnapte helemaal aan ambachtelijke organisatie. Los van de verschillen per type textiel, valt op hoe groot het gewicht was van nijverheden die als &#x2018;fabrique&#x2019; of &#x2018;manufacture&#x2019; aangeduid werden, in plaats van als &#x2018;wevers&#x2019; of &#x2018;werckers&#x2019;: reeds voor het midden van de achttiende eeuw werkten meer dan 5.000 mensen in dergelijke manufacturen, buiten een corporatief kader.</p>
<p>In de resultaten uit de enqu&#x00EA;te van 1738 valt dus duidelijk op te maken dat reeds belangrijke nieuwe nijverheden aanwezig waren die grotendeels buiten de corporatieve kaders georganiseerd werden. Buiten de textielsector waren deze nog van erg bescheiden omvang, hoewel ze aan gewicht zouden winnen na 1748. In de textielsector zelf werden de nieuwere mengstoffen vaker buiten een ambachtelijke context geproduceerd, ook al bleef het corporatief kader in deze sector duidelijk dominant.</p>
</sec>
<sec id="s7">
<title>Arbeidsverhoudingen</title>
<p>Dat de corporatieve organisatie van arbeid en industrie het dominante referentiekader was voor heel wat achttiende-eeuwse tijdgenoten, blijkt uit de manier waarop de bevraging geformuleerd was. De nijverheidstelling peilde naar respectievelijk de aantallen meesters, knechten, leerlingen en arbeiders per nijverheid. De gehanteerde terminologie om de verschillende types arbeid te onderscheiden refereerde aan concepten uit de corporatieve sfeer, met de klassieke driedeling meester - gezel - leerjongen naast een restcategorie &#x2018;arbeiders&#x2019;, waarmee in het ambachtswezen dikwijls &#x2018;onvrije&#x2019; arbeid werd bedoeld - dat wil zeggen zonder formele opleiding, zonder beschermd statuut, aangewend voor velerlei taken.<xref ref-type="fn" rid="fn46" specific-use="fn"><sup>46</sup></xref></p>
<p>Maar welke sociale realiteit ging achter dit corporatief schema schuil? Viel de organisatie van arbeid in de eerste helft van de achttiende eeuw nog wel te categoriseren met behulp van deze concepten? En duidt dit op een groeiend proces van proletarisering in bepaalde sectoren en contexten? De vooropgestelde categorie&#x00EB;n beantwoordden dan wel aan cultureel ingebedde noties van arbeid, maar vormden voor sommige sectoren slechts een troebele weerspiegeling van de sociale realiteit, zoals wanneer &#x2018;meesters&#x2019; quasi geproletariseerde loonbazen konden zijn, of &#x2018;leerlingen&#x2019; een goedkope bron van kinderarbeid vormden die verder geen scholing konden verwachten.<xref ref-type="fn" rid="fn47" specific-use="fn"><sup>47</sup></xref> Bij de Gentse tijck- en lijnwaadwevers werd over de 500 meesters betekenisvol vermeld dat <italic>&#x2018;de meesten deel wercken als knechten&#x2019;.</italic> Niet alleen waren meesters in de praktijk vaker afhankelijk van loonarbeid dan het corporatief ideaal laat vermoeden, ook maken de kwalitatieve opmerkingen duidelijk dat de aantallen leerjongens en arbeiders niet eenvoudig te schatten waren. We weten dat met name vrouwen- en kinderarbeid een belangrijke rol speelde in onder meer een heel deel van de &#x2018;nieuwe&#x2019; textielnijverheden van de achttiende eeuw.<xref ref-type="fn" rid="fn48" specific-use="fn"><sup>48</sup></xref> Toch valt het te betwijfelen dat deze stelselmatig mee in rekening gebracht werd, zeker wanneer dit vrouwen- en kinderarbeid in een familiale context betrof. Dit geldt <italic>a fortiori</italic> voor ambachtelijk georganiseerde nijverheden, waar vrouwen- en kinderarbeid in vele institutionele en bronnencontexten onderbelicht blijft.</p>
<p>De antwoorden op de enqu&#x00EA;te verwijzen naar de ondergeschikte arbeiders steeds in hun mannelijke vorm, en wanneer nominale gegevens verstrekt worden, betreft dit dikwijls ook enkel mannen. Toch zijn er af en toe expliciete vermeldingen van zeer omvangrijke groepen vrouwen en kinderen te vinden in de nijverheidsenqu&#x00EA;te, zoals al bleek uit de voorbeelden van Izegem en Geraardsbergen. Het ambacht van de wolwevers te Gent vermeldt twaalf meesters, 40 knechten, en 17 leerlingen. Voor de vierde rubriek - die van &#x2018;arbeiders&#x2019; - stelt het <italic>&#x2018;datter inde voornomde neirijnghe sijn verscheyde duysende gheemployeerde over al woonachtigh binnen dese stadt waervan menighvuldighe om gheen ghenoughsaem werck t&#x2019;hebben groote aermoede lijden ende ghenoodtsaeckt sijn aelmoessen te vraeghen&#x2019;.</italic> De nering van de tijk- en lijnwaadwevers in Gent vermeldt ook 200 knechten <italic>&#x2018;doch maer den helft van den tijdt werck hebben&#x2019;</italic> en 300 leerlingen <italic>&#x2018;soo spoelders als bommers die nauwelijck winnen den ombijt ende wiens ouders hun besorghen moeten het noen ende avontmael&#x2019;.</italic> Voor de vierde rubriek wordt hier verwezen naar <italic>&#x2018;met duysende gheemployeerde den meerderen deel spinders of spinsterigghen, die woonen op al de wijcken van de stadt, ende om hun aermoede ten grooten deele leven met aelmoessen&#x2019;.</italic><xref ref-type="fn" rid="fn49" specific-use="fn"><sup>49</sup></xref> Soms zijn er enkel verwijzingen naar het bestaan van familiale arbeid zonder kwantificering: zo worden in Ronse 320 meesters vermeld actief in het weven van <italic>&#x2018;Ronschen thuyn&#x2019;</italic> (een soort grof laken) <italic>&#x2018;hun bedienende van hemlieden vrouwen ende kinderen tot het spinnen van het gaerne ende het maecken der spoelen&#x2019;.</italic><xref ref-type="fn" rid="fn50" specific-use="fn"><sup>50</sup></xref> Wat opvalt is dat net de omvangrijkste groepen arbeiders - met name vrouwen en kinderen - hier enkel bij benadering of helemaal niet gekwantificeerd worden. Gezien het relatief uitzonderlijk en soms &#x2018;bijkomstig&#x2019; vermelden van deze groepen in de enqu&#x00EA;te, is het niet onwaarschijnlijk dat zij in verscheidene antwoorden gewoonweg onvermeld bleven omdat zij niet aan klassieke ambachtelijke categorie&#x00EB;n van arbeid voldeden.</p>
<p>Ook in deze kwestie is het uitzonderlijke voorbeeld van Brugge verhelderend. Voor de tien opgelijste nijverheden aldaar krijgen we - wellicht op eigen initiatief van de sectoren - een andere categorisering dan de gevraagde opdeling tussen meesters, knechten, leerlingen en arbeiders voorgeschoteld. Zo worden hier voor de tewerkstelling bij de wollen lakenwevers achtereenvolgens opgelijst: (1) de bazen, (2) hun familie met vrouw en kinderen, (3) wevers, (4) spinners, (5) kaarders, (6) spoelders, (7) plukkers, (8) knechten met familie, (9) kinderen - waarbij deze laatsten 95 van de 292 werkkrachten leveren. Dergelijke meer complexe oplijstingen met aandacht voor familiale en kinderarbeid, vinden we ook voor de andere nijverheden in de Brugse documenten. De saaiwevers repertori&#x00EB;ren bijvoorbeeld 19 &#x2018;bazen&#x2019;, 57 familieleden, 155 wevers, 322 familieleden van wevers, omtrent 800 &#x2018;spinsters binnen&#x2019;, omtrent 2.000 &#x2018;spinsters buyten&#x2019;, 47 kammers, 186 familieleden van kammers, 50 spoelders en 19 plukkers.<xref ref-type="fn" rid="fn51" specific-use="fn"><sup>51</sup></xref> Ook hier geldt dat de meest omvangrijke groepen enkel bij benadering gekwantificeerd worden. Zelfs als we de spinsters buiten beschouwing laten, zou een telling van de overige categorie&#x00EB;n zonder de familieleden neerkomen op een totaal van 290 tewerkgestelden, maar met familie erbij op maar liefst 855 tewerkgestelden - bijna driemaal zoveel. Deze cijfers illustreren wellicht de grote onderschatting van vrouwen- en kinderarbeid in de andere antwoorden op de enqu&#x00EA;te. Het antwoord van het Land van Aalst (stad en platteland samen) voegt na een nauwkeurige oplijsting van verschillende beroepen laconiek toe dat <italic>&#x2018;het wercken vande canten ende spinnen vande gaerens is de exercitie van meest alle de vrouwpersoonen vanden lande, ende mitsdien alhier niet opgenomen&#x2019;.</italic> Omgekeerd is het wellicht geen toeval dat net de steden die expliciet <italic>wel</italic> vrouwen- en/of kinderarbeid in rekening brachten in hun antwoord op de enqu&#x00EA;te - of toch minstens voor enkele sectoren - zoals Gent, Brugge, Izegem, en Geraardsbergen, net de hoogste tewerkstellingscijfers opleveren in onze berekeningen.</p>
<p>Hoewel de gegevens over arbeid zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht met enige omzichtigheid moeten worden benaderd, kunnen zij ons toch indicaties bieden over verschillen in arbeidsverhoudingen. Door de verhouding van het aantal ondergeschikten (O) tot het aantal meesters (M) te berekenen (O/M), kunnen we inzicht verkrijgen in de mate van proletarisering aanwezig in de verschillende steden en nijverheden. De verhouding tussen het aantal opgelijste meesters enerzijds en het aantal knechten, leerlingen en arbeiders anderzijds in de enqu&#x00EA;te bedroeg alles samengeteld 1:2,41, wat erop neerkomt dat er voor elke meester ruim twee ondergeschikte werkers waren.</p>
<fig id="fg003">
<label>Illustratie 3</label>
<caption><title>Tabel aangeleverd door de stad Brugge in respons op de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 zoals bewaard in het archief van de Raad van Financi&#x00EB;n</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.18018_fig3.jpg"/>
<attrib>(bron: Algemeen Rijksarchief te Brussel, Raad van Financi&#x00EB;n, 4320: Gegevens betreffende de stad Brugge.)</attrib>
</fig>
<table-wrap id="tab6">
<label>Tabel 6</label>
<caption><title>Arbeidsverhoudingen per stad, nijverheidsenqu&#x00EA;te (1738)</title></caption>
<table id="table6" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
<col width="0.20*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th rowspan="2"></th>
<th>Nijverheden</th>
<th colspan="3">Tewerkstelling</th>
</tr>
<tr>
<th>N</th>
<th>N</th>
<th><italic>Als &#x0025; bevolking</italic></th>
<th>O/M</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aalst</td>
<td>28</td>
<td>939</td>
<td><italic>13</italic></td>
<td>1,58</td>
</tr>
<tr>
<td>Blankenberge</td>
<td>9</td>
<td>413</td>
<td><italic>28</italic></td>
<td>4,10</td>
</tr>
<tr>
<td>Brugge</td>
<td>10</td>
<td>7,854</td>
<td><italic>28</italic></td>
<td>18,59</td>
</tr>
<tr>
<td>Deinze</td>
<td>1</td>
<td>25</td>
<td><italic>2</italic></td>
<td>0,19</td>
</tr>
<tr>
<td>Dendermonde</td>
<td>23</td>
<td>625</td>
<td><italic>16</italic></td>
<td>0,63</td>
</tr>
<tr>
<td>Eeklo</td>
<td>1</td>
<td>260</td>
<td><italic>9</italic></td>
<td>0,59</td>
</tr>
<tr>
<td>Gent</td>
<td>87</td>
<td>14,169</td>
<td><italic>37</italic></td>
<td>2,79</td>
</tr>
<tr>
<td>Geraardsbergen</td>
<td>35</td>
<td>929</td>
<td><italic>20</italic></td>
<td>1,46</td>
</tr>
<tr>
<td>Ieper</td>
<td>12</td>
<td>374</td>
<td><italic>3</italic></td>
<td>2,63</td>
</tr>
<tr>
<td>Izegem</td>
<td>54</td>
<td>1,915</td>
<td><italic>38</italic></td>
<td>0,44</td>
</tr>
<tr>
<td>Kortrijk</td>
<td>8</td>
<td>1,360</td>
<td><italic>11</italic></td>
<td>3,52</td>
</tr>
<tr>
<td>Ninove</td>
<td>41</td>
<td>397</td>
<td><italic>17</italic></td>
<td>0,83</td>
</tr>
<tr>
<td>Oostende</td>
<td>20</td>
<td>794</td>
<td><italic>13</italic></td>
<td>0,54</td>
</tr>
<tr>
<td>Oudenaarde</td>
<td>35</td>
<td>756</td>
<td><italic>19</italic></td>
<td>1,24</td>
</tr>
<tr>
<td>Ronse</td>
<td>7</td>
<td>1,233</td>
<td><italic>18</italic></td>
<td>0,36</td>
</tr>
<tr>
<td>Tielt</td>
<td>1</td>
<td>111</td>
<td><italic>6</italic></td>
<td>0,71</td>
</tr>
<tr>
<td>Torhout</td>
<td>1</td>
<td>6</td>
<td><italic>0,3</italic></td>
<td>0,20</td>
</tr>
<tr>
<td>Wervik</td>
<td>28</td>
<td>352</td>
<td><italic>23</italic></td>
<td>1,06</td>
</tr>
<tr>
<td>Zottegem</td>
<td>31</td>
<td>258</td>
<td><italic>22</italic></td>
<td>1,02</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>432</td>
<td>32,770</td>
<td><italic>23</italic></td>
<td>2,41</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron: NVHENQ1738VL19. Nota: O/M = Verhouding van aantal ondergeschikten (knechten, leerlingen, arbeiders) ten opzichte van aantal meesters.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Wanneer we de gegevens over de verhouding van ondergeschikte werkers ten opzichte van meesters oplijsten per stad (Tabel <xref ref-type="table" rid="tab6">6</xref>), tekenen zich hierin zeer grote verschillen tussen steden af, met Brugge als absolute uitschieter - bij 19 ondergeschikten per meester. Deze sterke verschillen in stedelijke proletariseringsgraad worden evenwel be&#x00EF;nvloed door de verschillende definities van &#x2018;nijverheid&#x2019; die in de respectieve steden gehanteerd werden, en door uiteenlopende definities van arbeiders. We kunnen verwachten dat steden die ook verzorgende of dienstensectoren opnamen in de enqu&#x00EA;te - sectoren die veeleer gekenmerkt werden door kleinschalige bedrijven&#x2013; op eenl agere proletariseringsgraad uitkomen dan steden die een meer restrictieve definitie hanteerden en uitsluitend of voornamelijk exportgerichte nijverheden oplijstten, die dikwijls meer grootschalig georganiseerd waren. Bovendien zorgt een ruime definitie van &#x2018;arbeiders&#x2019; met inbegrip van familiale arbeid, automatisch voor een hogere proletariseringsgraad in onze berekeningen. De uitzonderlijk hoge proletariseringsgraad voor Brugge is dan ook een gevolg van enerzijds een restrictieve definitie van &#x2018;nijverheid&#x2019; - slechts tien grootschalige en exportgerichte nijverheden in respectievelijk textiel (8) en lederbewerking (2) - en anderzijds een ruime definitie van werkers, met inbegrip van vrouwen en kinderen, in combinatie met een restrictieve definitie van &#x2018;meesters&#x2019;: enkel &#x2018;bazen&#x2019; en niet de voor hen werkende quasi-proletarische wevers, die enkel in naam nog meester waren. Dit is meer dan louter een kwestie van definities, aangezien het ook een reflectie vormt van de sterke proletarisering die had plaatsgevonden in de Brugse textielnijverheid, dat door sterk hi&#x00EB;rarchische onderaannemingsnetwerken gekenmerkt werd - met telkens een handvol &#x2018;bazen&#x2019; aan het hoofd - waarbij ook grote aantallen vrouwen en kinderen betrokken waren.<xref ref-type="fn" rid="fn52" specific-use="fn"><sup>52</sup></xref></p>
<p>Hoewel de opdracht van de enqu&#x00EA;te dus in verschillende steden anders begrepen werd, kunnen deze gegevens wel indicaties geven over sectori&#x00EB;le verschillen in arbeidsverhoudingen. Hoewel het voorkomen van de respectieve sectoren per stad verschilde naargelang van de gehanteerde definitie van &#x2018;nijverheid&#x2019;, kunnen indicatieve verschillen in arbeidsverhoudingen <italic>tussen</italic> sectoren immers wel opgemaakt worden uit de antwoorden op de enqu&#x00EA;te (Tabel <xref ref-type="table" rid="tab7">7</xref>). Uit Tabel <xref ref-type="table" rid="tab7">7</xref> blijkt dat sectoren met de laagste proletariseringsgraad voornamelijk te vinden zijn in handel, diensten en kleinhandel en transport - strikt genomen geen industri&#x00EB;le maar tertiaire activiteiten. De hoogste verhoudingen van ondergeschikten ten aanzien van meesters (tussen 4,8 en 1,9) zijn te vinden in de sectoren van bouw, aardewerk, textiel, tabak en lederbewerking. Deze resultaten bevestigen eerder onderzoek naar schaalvergroting in deze sectoren.<xref ref-type="fn" rid="fn53" specific-use="fn"><sup>53</sup></xref> Andere sectoren registreerden meer evenwichtige verhoudingen tussen meesters en ondergeschikten.</p>
<p>Voor de negen steden waar we een koppeling tot stand hebben gebracht met de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784, kunnen we meer rechtstreeks nagaan in hoeverre arbeidsverhoudingen verband hielden met het corporatief kader. Nijverheden die ook opgenomen waren in de enqu&#x00EA;te van 1784, en dus ambachtelijk georganiseerd waren, telden gemiddeld 3,03 ondergeschikten per meester. Bij nijverheden die buiten het ambachtelijk kader opereerden, lag dit met 3,86 hoger. Deze gegevens worden evenwel sterk be&#x00EF;nvloed door het bijzondere karakter van de Brugse data, waar corporatieve organisatie hand in hand ging met zeer hoge proletariseringsgraden. Als we de Brugse gegevens buiten beschouwing laten, wordt het verschil in proletariseringsgraad tussen ambachtelijke en niet-ambachtelijke sectoren groter: de ambachtelijk georganiseerde nijverheden telden 2,13 ondergeschikten per meester, de niet-ambachtelijke nijverheden 3,70.</p>
<fig id="fg004">
<label>Illustratie 4</label>
<caption><title>Nominale lijst van de kousen- en broekmakers te Gent met hun aantal knechten en leerlingen, opgesteld in het kader van de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 en bewaard in het Stadsarchief Gent</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.18018_fig4.jpg"/>
<attrib>(bron: Oud Archief, Reeks 156, nr. 3: Stukken betreffende de nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738.)</attrib>
</fig>
<table-wrap id="tab7">
<label>Tabel 7</label>
<caption><title>Arbeidsverhoudingen per sector, nijverheidsenqu&#x00EA;te (1738)</title></caption>
<table id="table7" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th></th>
<th>Aantal nijverheden</th>
<th><italic>Tewerkgestelden (&#x0025;)</italic></th>
<th>O/M</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aardewerk</td>
<td>6</td>
<td><italic>0,3</italic></td>
<td>4,50</td>
</tr>
<tr>
<td>Bouw</td>
<td>24</td>
<td><italic>2,4</italic></td>
<td>4,54</td>
</tr>
<tr>
<td>Diensten en kleinhandel</td>
<td>28</td>
<td><italic>9,0</italic></td>
<td>0,79</td>
</tr>
<tr>
<td>Glas</td>
<td>6</td>
<td><italic>0,2</italic></td>
<td>0,83</td>
</tr>
<tr>
<td>Handel</td>
<td>10</td>
<td><italic>0,6</italic></td>
<td>0,30</td>
</tr>
<tr>
<td>Houtbewerking</td>
<td>58</td>
<td><italic>3,9</italic></td>
<td>1,22</td>
</tr>
<tr>
<td>Kleding</td>
<td>39</td>
<td><italic>7,9</italic></td>
<td>1,52</td>
</tr>
<tr>
<td>Kunst en luxe</td>
<td>13</td>
<td><italic>0,7</italic></td>
<td>1,07</td>
</tr>
<tr>
<td>Lederbewerking</td>
<td>43</td>
<td><italic>3,4</italic></td>
<td>1,91</td>
</tr>
<tr>
<td>Metaal</td>
<td>43</td>
<td><italic>1,6</italic></td>
<td>1,04</td>
</tr>
<tr>
<td>Tabak</td>
<td>5</td>
<td><italic>0,7</italic></td>
<td>2,48</td>
</tr>
<tr>
<td>Textiel</td>
<td>67</td>
<td><italic>59,7</italic></td>
<td>4,86</td>
</tr>
<tr>
<td>Transport</td>
<td>14</td>
<td><italic>2,0</italic></td>
<td>0,55</td>
</tr>
<tr>
<td>Voeding</td>
<td>54</td>
<td><italic>5,7</italic></td>
<td>1,13</td>
</tr>
<tr>
<td>Zeep- en zoutzieders</td>
<td>6</td>
<td><italic>0,1</italic></td>
<td>0,78</td>
</tr>
<tr>
<td>Overige</td>
<td>16</td>
<td><italic>1,9</italic></td>
<td>0,12</td>
</tr>
<tr>
<td>Totaal</td>
<td>432</td>
<td><italic>100,0</italic></td>
<td>2,41</td>
</tr>
</tbody>
</table>
<table-wrap-foot>
<p><italic>Bron: NVHENQ1738VL19. Nota: O/M = Verhouding van aantal ondergeschikten (knechten, leerlingen, arbeiders) ten opzichte van aantal meesters.</italic></p>
</table-wrap-foot>
</table-wrap>
<p>Dit verschil betekent echter niet dat ambachtelijk georganiseerde nijverheden ook altijd een lagere proletarisatiegraad kenden. Er bestonden immers aanzienlijke verschillen per sector (Grafiek <xref ref-type="fig" rid="fg005">1</xref>). In de sectoren met de grootste proletarisatiegraad - textiel en aardewerk - waren de ambachtelijk georganiseerde ateliers gemiddeld genomen sterker geproletariseerd dan die delen van de sector die buiten het corporatief kader vielen. Dat ambachtelijke organisatie niet noodzakelijk een belemmering vormde voor arbeidsconcentratie, werd reeds door Lis en Soly geargumenteerd, en vindt alvast voor de twee meest geproletariseerde sectoren bevestiging.<xref ref-type="fn" rid="fn54" specific-use="fn"><sup>54</sup></xref> Ook binnen die sectoren blijkt schaalvergroting niet steeds volgens voorspelbare of corporatieve patronen verlopen te zijn. Zo was in de textielweverij de proletariseringsgraad het hoogst in de &#x2018;traditionele&#x2019; wolweverij (O/M=29,45), en relatief gezien lager bij de &#x2018;nieuwere&#x2019; fabricage van gemengde stoffen (11,38) en zijde (6,27).</p>
<fig id="fg005">
<label>Grafiek 1</label>
<caption><title>Arbeidsverhoudingen (O/M) per sector naargelang corporatieve organisatie, nijverheidsenqu&#x00EA;te (1738) - selectie van 9 steden</title></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="tseg.18018_fig5.jpg"/>
<attrib><italic>Bron: NVHENQ1738VL19 en Ambachtsenqu&#x00EA;te 1784 (zie voetnoot <xref ref-type="fn" rid="fn45" specific-use="fn">45</xref>). Nota: O/M = Verhouding van aantal ondergeschikten (knechten, leerlingen, arbeiders) ten opzichte van aantal meesters. Ambachtelijk-georganiseerd = betreffende nijverheid is opgenomen in de ambachtsenqu&#x00EA;te van 1784. Niet-ambachtelijk georganiseerd = betreffende nijverheid is niet opgenomen in de ambachstenqu&#x00EA;te van 1784.</italic></attrib>
</fig>
<p>In andere sectoren, zoals de tabaksverwerking, de luxenijverheden, en de voedingsindustrie vinden we weliswaar een omgekeerd patroon, waarbij niet-ambachtelijke organisatie samenging met een hogere proletariseringsgraad. De eerste &#x2018;manufacturen&#x2019; ontwikkelden zich vooral in nieuwe nijverheden - zoals de tabaksverwerking en de glasproductie - die geen sterke ambachtelijke traditie kenden. Niettemin blijkt vooral de sector, en veel minder het organisatietype, de verhouding tussen ondergeschikten en meesters bepaald te hebben.</p>
<p>Hoewel patronen van schaalvergroting en proletarisering gemiddeld genomen dus het meest aanwezig waren in niet-corporatief georganiseerde nijverheden, moet deze bevinding dus genuanceerd worden. De cijfers voor de textielsector, en het Brugse voorbeeld voorop, geven aan dat zich ook binnen het corporatieve kader diepgaande proletariseringsprocessen konden voordoen, waar onderaanneming en het inschakelen van vrouwen- en kinderarbeid via familiale productieeenheden courante praktijken vormden. Processen van proletarisering en schaalvergroting waren dus allerminst beperkt tot de nieuwe nijverheden die zich in de zeventiende en achttiende eeuw aandienden.</p>
<p>Tot slot moet ook nog opgemerkt worden dat de gemiddelde gegevens die hier aangehaald worden een kunstmatig beeld opleveren van de werkelijke arbeidsverhoudingen. In heel wat sectoren waar schaalvergroting en proletarisering toenam, gebeurde dit allerminst op een gelijkmatig verdeelde manier: heel wat meesters deden niet aan schaalvergroting, of gingen zelf in <italic>de facto</italic> loondienst werken, terwijl een klein aantal meesters een groot aantal ondergeschikten telde. De gemiddelden verbergen dan ook de omvang van proletarisering en schaalvergroting die in sommige bedrijven konden ontstaan - ook binnen een ambachtelijke context.</p>
</sec>
<sec id="s8">
<title>Conclusies</title>
<p>De nijverheidsenqu&#x00EA;te van 1738 biedt een interessante inkijk in de economische structuur van de Vlaamse steden aan de vooravond van een ingrijpend economisch veranderingsproces. Het initiatief tot het organiseren van de enqu&#x00EA;te reflecteert de intentie tot het nastreven van een gunstiger commercieel en industrieel beleid na een lange periode van <italic>&#x2018;ru&#x00EF;ne ende aermoede&#x2019;</italic> in de Zuidelijke Nederlanden.<xref ref-type="fn" rid="fn55" specific-use="fn"><sup>55</sup></xref> Het uitblijven van zowel een eindrapport, als een effectief economisch beleid dat afgestemd was op de enqu&#x00EA;te, illustreert tegelijk hoe een nieuwe economische koers zich in de jaren 1730 nog niet aandiende.</p>
<p>Als bron voor het bestuderen van de industri&#x00EB;le activiteit in het Vlaanderen van de eerste helft van de achttiende eeuw vertoont de nijverheidsenqu&#x00EA;te evidente tekortkomingen. Hoewel in theorie <italic>&#x2018;tous les m&#x00E9;tiers, manufactures et fabriques, de quelle esp&#x00E8;ce qu&#x2019;ils puissent &#x00EA;tre, sans exception&#x2019;</italic> in de tellingen opgenomen moesten worden, werden op lokaal niveau verschillende definities gehanteerd bij het bepalen van de economische sectoren die onder de telling vielen. De meeste lokale besturen gaven daarbij prioriteit aan sectoren die a) overwegend exportgericht waren, b) tot de secundaire sector behoorden, c) ambachtelijk georganiseerd waren. Het grote overwicht van de ambachtelijke sector illustreert daarbij enerzijds de blijvende dominantie van het corporatieve institutionele en mentale kader in het vormgeven van de achttiende-eeuwse economie. Maar anderzijds waren verschillende lokale besturen, waaronder dat van Gent, zich blijkbaar scherp bewust van de nieuwe, overwegend niet-corporatieve, nijverheden die zich aandienden. De weinig systematische en uiteenlopende manier waarop de enqu&#x00EA;te ingevuld werd, verraadt bovenal hoe de Oostenrijkse Nederlanden zich op een kantelpunt in het economisch denken en beleid bevonden.</p>
<p>De gegevens uit de enqu&#x00EA;te zijn niet op een eenvoudige manier rechtstreeks te mobiliseren voor het construeren van de stedelijke tewerkstellingsgraad in de secundaire sector. Daarvoor zijn de gehanteerde definities van &#x2018;nijverheid&#x2019; te divers, en is het opnemen van vrouwen- en kinderarbeid te weinig consequent gebeurd. Opvallend is dat in globale termen er slechts weinig lokale verschillen in economische structuur te onderscheiden zijn: de textielsector is overal dominant, gevolgd door de leder- en houtbewerking, en de confectie. Verschillen zijn er wel in de spreiding van de specifieke soorten textiel, met bijvoorbeeld een groter overwicht van wol in Gent, fustijn in Brugge, kant in Geraardsbergen, en linnen in de kleinere steden. Opvallend is voornamelijk de rol van Gent als voortrekker in het ontstaan van nieuwe industri&#x00EB;le organisatievormen (manufacturen) en nieuwe luxenijverheden (horlogemakers, gleiswerk).</p>
<p>Op het eerste gezicht lijkt de nijverheidstelling een vrij conservatief beeld van de Vlaamse economie in 1738 te schetsen. Het gros van de sectoren was georganiseerd in corporatieve instituties die reeds in de loop van de late middeleeuwen en zestiende eeuw ontstaan waren. Toch geven enkele elementen in de enqu&#x00EA;te te kennen hoe onterecht het beeld van een immobiele vroegmoderne nijverheid zou zijn. Enerzijds waren er verschillende sectoren aan te duiden die niet (langer) ambachtelijk georganiseerd waren. Zij waren voorlopig beperkt in aantal en omvang, maar zouden snel in belang winnen tijdens de volgende decennia. De pottenbakkersindustrie, de fabricage van glas en tabak, en de zeep- en zoutziederij zijn sectoren die opvallend weinig corporatief georganiseerd waren, en die tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw een hoge vlucht zouden nemen. Meer nog dan op export, waren deze sectoren gericht op het bevredigen van een nieuwe consumptiecultuur die zich sinds de late zeventiende eeuw doorheen de Zuidelijke Nederlanden verspreid had. Het is opvallend dat deze sectoren niet alleen minder vaak ambachtelijk georganiseerd waren, maar ook een hogere proletariseringsgraad kenden. Hoewel ze, zoals Van Houtte reeds opmerkte, in kwantitatief opzicht nog uiterst marginaal waren in 1738, bevatten ze reeds de kiemen voor verdere groei in de tweede helft van de achttiende eeuw.</p>
<p>Anderzijds hoeft dit niet te betekenen dat ondernemers in achttiende-eeuws Vlaanderen precies omwille van meer flexibele en kapitalistische arbeidsrelaties aan het corporatieve institutionele kader wensten te ontsnappen. De enqu&#x00EA;te bevestigt immers eveneens hoe binnen de ambachten een hoge mate van proletarisering en schaalvergroting kon bestaan. In het geval van Brugge fungeerde onderaanneming als instrument om binnen het corporatieve kader toch een grotere arbeidsconcentratie te realiseren. Dat de enqu&#x00EA;te toelaat om binnen die sectoren een uitgebreide arbeidsdeling te onderscheiden met aan het hoofd een beperkt aantal &#x2018;baesen&#x2019; in plaats van &#x2018;meesters&#x2019;, is in dat opzicht tekenend. Maar ook buiten Brugge zijn er indicaties voor de hoge mate van proletarisering die kon ontstaan binnen een overwegend ambachtelijk georganiseerde economie. De duizend spinsters die in Izegem in de enqu&#x00EA;te opgenomen werden, zijn wellicht niet uniek voor deze stad, maar wel tekenend voor de vele vrouwen en kinderen die in de enqu&#x00EA;te ontbreken.</p>
</sec>
<sec id="s9">
<title>Over de auteurs</title>
<p><bold>Wouter Ryckbosch</bold> is universitair hoofddocent Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij tevens directeur is van de onderzoeksgroep Social History of Capitalism (SHOC). Zijn belangrijkste onderzoeksinteresses liggen op het gebied van de sociale en economische geschiedenis, met een bijzondere focus op de overgang van de vroegmoderne naar de hedendaagse periode. Hij publiceerde eerder over de vroegmoderne ontwikkeling van inkomen en ongelijkheid, en de sociale constructie van de smaak van de mondiale consument. Momenteel start hij een nieuw project over welvaartsongelijkheid in het 19de- en 20ste-eeuwse Belgi&#x00EB;.</p>
<p>E-mail: <email>Wouter.Ryckbosch@vub.be</email></p>
<p><bold>Anne Winter</bold> is hoogleraar Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Brussel, waar ze deel uitmaakt van onderzoeksgroep SHOC (Social History of Capitalism). Haar onderzoek behandelt de sociale en economische geschiedenis van de Lage Landen in de vroegmoderne periode en de lange negentiende eeuw in een internationaal vergelijkend perspectief, met een focus op de interacties tussen migratie, sociaal beleid, verstedelijking en arbeidsverhoudingen. Recente publicaties zijn onder meer <italic>Migration Policies and Materialities of Identification in European Cities: Papers and Gates, 1500-1930s</italic> (Routledge 2019, co-redactie met Hilde Greefs).</p>
<p>E-mail: <email>Anne.Winter@vub.be</email></p>
</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noten</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>De auteurs zijn verbonden aan de onderzoeksgroep SHOC (Social History of Capitalism) van de Vrije Universiteit Brussel. De gegevens die aan de grondslag liggen van dit artikel werden verzameld door Glenn Plettinck in het kader van het FWO-Hercules project STREAM (onder leiding van Isabelle Devos, Universiteit Gent).</p></fn>
<fn id="fn2" symbol="2"><p>Alphonse Wauters, <italic>Les libert&#x00E9;s communales. Essai sur leur origine et leurs premiers d&#x00E9;veloppements en Belgique, dans le Nord de la France et sur les bords du Rhin</italic> (Brussel/ Parijs 1878); Hubert Van Houtte, <italic>Histoire &#x00E9;conomique de la Belgique &#x00E0; la fin de l&#x2019;ancien r&#x00E9;gime</italic> (Gent 1920); Henri Pirenne, <italic>Histoire de Belgique</italic>, vol. 5 (Brussel 1921); Paul Bonenfant, <italic>Le probl&#x00E8;me du paup&#x00E9;risme en Belgique &#x00E0; la fin de l&#x2019;ancien r&#x00E9;gime</italic> (Brussel 1934).</p></fn>
<fn id="fn3" symbol="3"><p>Catharina Lis en Hugo Soly, &#x2018;Different paths of development: Capitalism in the Northern and Southern Netherlands during the late middle ages and the early modern period&#x2019;, <italic>Review</italic> 20 (1997) 211-242.</p></fn>
<fn id="fn4" symbol="4"><p>Franklin F. Mendels, &#x2018;Proto-industrialization. The first phase of the industrialization process&#x2019;, <italic>The Journal of Economic History</italic> 32 (1972) 241-261; Bruno Blond&#x00E9;, <italic>Een economie met verschillende snelheden. Ongelijkheden in de opbouw en de ontwikkeling van het Brabantse stedelijke netwerk (ca. 1750- ca. 1790)</italic> (Brussel 1995); Wouter Ryckbosch, &#x2018;Vroegmoderne economische ontwikkeling en sociale repercussies in de Zuidelijke Nederlanden&#x2019;, <italic>Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis</italic> 7 (2010) 26-55; Ann Coenen, <italic>Carriers of growth? International trade and economic development in the Austrian Netherlands</italic> (Leiden 2014).</p></fn>
<fn id="fn5" symbol="5"><p>Jean-Jacques Heirwegh, <italic>Les corporations dans les Pays-Bas Autrichiens (1738-1784)</italic> (onuitgegeven doctoraatsthesis, Universit&#x00E9; Libre de Bruxelles 1981) 352.</p></fn>
<fn id="fn6" symbol="6"><p>Herv&#x00E9; Hasquin, &#x2018;Nijverheid in de Zuidelijke Nederlanden 1650-1795&#x2019;, in: <italic>Algemene geschiedenis der Nederlanden vol. 8</italic> (Haarlem 1979) 141.</p></fn>
<fn id="fn7" symbol="7"><p>Danny Lamarcq, &#x2018;Een kwantitatieve benadering van de arbeidsparticipatie in de vlassektor. Het Land van Aalst (1738-1820)&#x2019;, <italic>Handelingen der maatschappij voor geschiedenis en oudheidkunde te Gent</italic> 38 (1982) 139-177; Wouter Ryckbosch, <italic>A consumer revolution under strain. Consumption, wealth and status in eighteenth-century Aalst</italic> (onuitgegeven doctoraatsthesis, Universiteit Antwerpen 2012) 74.</p></fn>
<fn id="fn8" symbol="8"><p>Peter Stabel, &#x2018;De-urbanization and urban decline in Flanders (16th and 18th centuries): Disintegration of an urban system?&#x2019;, in: Desmond McCabe (red.), <italic>European urbanisation, social structure and problems between the eighteenth and twentieth century</italic> (Leicester 1995) 87-108.</p></fn>
<fn id="fn9" symbol="9"><p>Deze problematiek werd voor Brabant uitgebreid besproken in Paul M.M. Klep, <italic>Bevolking en arbeid in transformatie. Een onderzoek in Brabant, 1700-1900</italic> (Nijmegen 1981); Blond&#x00E9;, <italic>Een economie</italic>; Ryckbosch, &#x2018;Vroegmoderne economische ontwikkeling&#x2019;. Voor Vlaanderen: Theofilus Kint, <italic>Prometheus aangevuurd door Demeter. De economische ontwikkeling van de landbouw in Oost-Vlaanderen 1815-1850</italic> (Amsterdam 1989).</p></fn>
<fn id="fn10" symbol="10"><p>Voor een overzicht van dit internationale debat, zie: Stephan R. Epstein en Maarten R. Prak (red.), <italic>Guilds, innovation, and the European economy, 1400-1800</italic> (Cambridge 2008). Voor de Nederlanden: Maarten R. Prak, Catharina Lis, Jan Lucassen en Hugo Soly (red.), <italic>Craft guilds in the early modern Low Countries. Work, power and representation</italic> (Aldershot 2006).</p></fn>
<fn id="fn11" symbol="11"><p>Zie bijvoorbeeld Wauters, <italic>Les libert&#x00E9;s communales</italic>. Ook historici die aan de middeleeuwse ambachten een gunstige sociale en economische dynamiek hadden toegeschreven, zoals Henri Pirenne, beschreven de achttiende-eeuwse ambachten als instrumenten van sociaal-economisch conservatisme en verstarring: Pirenne, <italic>Histoire de Belgique</italic>.</p></fn>
<fn id="fn12" symbol="12"><p>Van Houtte, <italic>Histoire &#x00E9;conomique</italic>; Mendels, &#x2018;Proto-industrialization&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn13" symbol="13"><p>Blond&#x00E9;, <italic>Een economie</italic>; Johan Poukens, &#x201C;Tout-&#x00E0;-la-fois cultivateurs et commer&#x00E7;ans&#x2019;. Smallholder and the industrious revolution in eighteenth-century Brabant&#x2019;, <italic>Agricultural History Review</italic> 60 (2012) 153-172.</p></fn>
<fn id="fn14" symbol="14"><p>Joan Thirsk, <italic>Economic policy and projects. The development of a consumer society in early modern England</italic> (Oxford 1978); Neil McKendrick, John Brewer en John Plumb (red.), <italic>The birth of a consumer society. The commercialization of eighteenth-century England</italic> (Bloomington 1982); Maxine Berg, <italic>The age of manufactures, 1700-1820. Industry, innovation and work in Britain</italic> (Londen 2005).</p></fn>
<fn id="fn15" symbol="15"><p>Catharina Lis en Hugo Soly, &#x2018;Subcontracting in guild-based export trades, thirteenth&#x2013;eighteenth centuries&#x2019;, in: Epstein en Prak (red.), <italic>Guilds,</italic> 81-113; Harald Deceulaer, <italic>Pluriforme patronen en een verschillende snit. Sociaal-economische, institutionele en culturele transformaties in de kledingsector in Antwerpen, Brussel en Gent, ca 1585-ca 1800</italic> (Amsterdam 2001). Belangrijke collecties met case-studies van ambachtsgilden in de Nederlanden, zijn: Catharina Lis en Hugo Soly (red.), <italic>Werken volgens de regels. Ambachten in Brabant en Vlaanderen, 1500-1800</italic> (Brussel 1994); Idem (red.), <italic>Werelden van verschil. Ambachtsgilden in de Lage Landen</italic> (Brussel 1997).</p></fn>
<fn id="fn16" symbol="16"><p>Lis en Soly, &#x2018;Different paths&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn17" symbol="17"><p>De disparate archiefbronnen die gevormd werden door deze nijverheidsenqu&#x00EA;te vormden in het verleden reeds voorwerp van onderzoek, onder meer bij Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>; Karin Van Honacker, &#x2018;De politieke cultuur van de Brusselse ambachten in de achttiende eeuw: Conservatisme, corporatisme of opportunisme?&#x2019;, in: Lis en Soly (red.), <italic>Werken</italic>, 179-228; Deceulaer, <italic>Pluriforme patronen</italic>. Nieuw hier is de omvattende insteek voor de verschillende steden en de vergelijking tussen verschillende sectoren wat betreft omvang en aard van tewerkstelling.</p></fn>
<fn id="fn18" symbol="18"><p>Henri Pirenne, <italic>Histoire de Belgique</italic>, volume 5 (Brussel 1926) 291 e.v.; Jan Craeybeckx, <italic>Les industries d&#x2019;exportation dans les villes flamandes au XVII. Si&#x00E8;cle</italic> (Milaan 1962), 424 e.v.; Philippe Moureaux, <italic>Charbon et capital dans le Hainaut du XVIII&#x00E8;me si&#x00E8;cle</italic> (Brussel 1964) 37-45.</p></fn>
<fn id="fn19" symbol="19"><p>Van Houtte, <italic>Histoire &#x00E9;conomique</italic>.</p></fn>
<fn id="fn20" symbol="20"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>.</p></fn>
<fn id="fn21" symbol="21"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations,</italic> 241.</p></fn>
<fn id="fn22" symbol="22"><p>Algemeen Rijksarchief, <italic>Raad van Financi&#x00EB;n</italic>, 4320.</p></fn>
<fn id="fn23" symbol="23"><p>Hasquin, &#x2018;Nijverheid&#x2019;, 124; Philippe Moureaux, <italic>Les pr&#x00E9;occupations statistiques du gouvernement des Pays-Bas Autrichiens et le d&#x00E9;nombrement des industries dress&#x00E9; en 1764</italic> (Brussel 1971).</p></fn>
<fn id="fn24" symbol="24"><p>Stadsarchief Gent, <italic>Oud Archief</italic>, serie 156, 3.</p></fn>
<fn id="fn25" symbol="25"><p>Moureaux, <italic>Les pr&#x00E9;occupations statistiques</italic>; Nele Bracke, <italic>Een monument voor het land. Overheidsstatistiek in Belgi&#x00EB;, 1795-1870</italic> (Gent 2008).</p></fn>
<fn id="fn26" symbol="26"><p>Stadsarchief Antwerpen, <italic>Gilden en Ambachten</italic>, 4007.</p></fn>
<fn id="fn27" symbol="27"><p>Het STREAMprojectgebeurdeinsamenwerkingtussen VUBen UGentenwerdgeco&#x00F6;rdineerd door Isabelle Devos (UGent). De dataverzameling gebeurde door Glenn Plettinck. Samenvattende gegevens werden vroeger reeds gepubliceerd bij Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>. Van volgende archiefstukken werd voor de dataverzameling in het kader van STREAM gebruik gemaakt: Rijksarchief Gent, <italic>Gemeentearchief Hamme-Sint-Anna</italic>, 72; Rijksarchief Gent, <italic>Kasselrij Oudburg</italic>, Liasse 108; Stadsarchief Aalst, <italic>Land van Aalst</italic>, 1681-1774; Rijksarchief Kortrijk, <italic>Bruine pakken</italic>, 1<sup>ste</sup> reeks, 6518; Stadsarchief Ieper, <italic>Kasselrij Ieper,</italic> 6<sup>de</sup> reeks, 3033 en 3035; Algemeen Rijksarchief, <italic>Raad van Financi&#x00EB;n</italic>, 4320; Stadsarchief Gent, <italic>Oud Archief,</italic> serie 156, 3.</p></fn>
<fn id="fn28" symbol="28"><p>Naar deze collectie gegevens uit het STREAM project wordt verder in het artikel verwezen als NVHENQ1738VL19 (Nijverheidsenqu&#x00EA;te 1738 - 19 Vlaamse steden).</p></fn>
<fn id="fn29" symbol="29"><p>Stadsarchief Gent, <italic>Oud Archief</italic>, serie 156, 3.</p></fn>
<fn id="fn30" symbol="30"><p>Zie ook Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>, 287-288.</p></fn>
<fn id="fn31" symbol="31"><p>Stadsarchief Gent, <italic>Oud Archief</italic>, serie 156, 3.</p></fn>
<fn id="fn32" symbol="32"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>, 292-293.</p></fn>
<fn id="fn33" symbol="33"><p>Voor een schatting van de stedelijke bevolkingscijfers, verlieten we ons op de collectie van bevolkingscijfers op basis van bestaande literatuur zoals die verzameld werd door Ruben Demey in het kader van het STREAM project. In bijlage 1 is een overzicht te vinden van de hier gehanteerde schattingen en de cijfers en studies waarop deze gebaseerd zijn. Uiteraard zijn deze slechts zo betrouwbaar als de onderliggende gegevens, die dikwijls niet even accuraat zijn, maar altijd wel als voldoende indicatief kunnen beschouwd worden.</p></fn>
<fn id="fn34" symbol="34"><p>Voor Brugge betreft dit weliswaar de gegevens bewaard in het fonds van de Raad van Financi&#x00EB;n en dus niet de oorspronkelijke gegevens op stadsniveau. Aangezien confrontatie van de Gentse gegevens uit het stadsarchief en in de Raad van Financi&#x00EB;n, aangeeft dat hier geen verdere reductie of selectie plaatsvond wat betreft het aantal verschillende nijverheden (enkel een aggregatie van de nominale gegevens), is het niet waarschijnlijk dat de meer &#x2018;restrictieve&#x2019; invulling van de enqu&#x00EA;te in het geval van Brugge haar oorsprong zou vinden in een redactionele interventie op het niveau van de Staten of Raad van Financi&#x00EB;n.</p></fn>
<fn id="fn35" symbol="35"><p>In navolging van traditionele schattingen, werd de actieve bevolking op 50&#x0025; van de totale bevolking geschat.</p></fn>
<fn id="fn36" symbol="36"><p>Stabel, &#x2018;De-urbanization&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn37" symbol="37"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations,</italic> 287.</p></fn>
<fn id="fn38" symbol="38"><p>Jan De Vries, <italic>The industrious revolution. Consumer behavior and the household economy, 1650 to the present</italic> (Cambridge 2008); Ryckbosch, &#x2018;A consumer revolution&#x2019;; Bruno Blond&#x00E9; en Wouter Ryckbosch, &#x2018;In &#x201C;splendid isolation&#x201D;. A comparative perspective on the historiographies of the &#x201C;material Renaissance&#x201D; and the &#x201C;consumer revolution&#x201D;&#x2019;, <italic>History of Retailing and Consumption</italic> 1 (2015) 105-124.</p></fn>
<fn id="fn39" symbol="39"><p>Zie algemeen Bruno Blond&#x00E9; en Ilja Van Damme, &#x2018;Retail growth and consumer changes in a declining urban economy: Antwerp (1650-1750)&#x2019;, <italic>The Economic History Review</italic> 63 (2010) 638-663; Danielle Van den Heuvel en Sheilagh Ogilvie, &#x2018;Retail development in the consumer revolution: The Netherlands, c. 1670-c.1815&#x2019;, <italic>Explorations in Economic History</italic> 50 (2013) 69-87; Jon Stobart, <italic>Sugar &#x0026; Spice. Grocers and Groceries in Provincial England, 1650-1830</italic> (Oxford 2013).</p></fn>
<fn id="fn40" symbol="40"><p>Vergelijk met Laura Van Aert en Danielle Van Den Heuvel, &#x2018;Sekse als de sleutel tot succes? Vrouwen en de verkoop van textiel in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, ca. 1650-1800&#x2019;, <italic>Textielhistorische Bijdragen</italic> 47 (2007) 7-32.</p></fn>
<fn id="fn41" symbol="41"><p>Moureaux, <italic>Les pr&#x00E9;occupations statistiques</italic>; Hasquin, &#x2018;Nijverheid&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn42" symbol="42"><p>Hasquin, &#x2018;Nijverheid&#x2019;; Joseph Vermaut, <italic>De textielnijverheid in Brugge en op het platteland, Westelijk Vlaanderen voor 1800. Konjunktuurverloop, organisatie en sociale verhoudingen</italic> (Brugge 1974).</p></fn>
<fn id="fn43" symbol="43"><p>Van Houtte, <italic>Histoire &#x00E9;conomique</italic>.</p></fn>
<fn id="fn44" symbol="44"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>.</p></fn>
<fn id="fn45" symbol="45"><p>De gegevens van de enqu&#x00EA;te van 1784 werden verzameld door Bert De Munck in het kader van het gildenonderzoek van VUB-PIPA, en ons genereus ter beschikking gesteld voor deze analyse.</p></fn>
<fn id="fn46" symbol="46"><p>James, R. Farr (red.), <italic>Artisans in Europe, 1300-1914</italic> (Cambridge 2000); Bert De Munck, <italic>Technologies of learning. Apprenticeship in Antwerp guilds from the 15th century to the end of the Ancien R&#x00E9;gime</italic> (Turnhout 2007).</p></fn>
<fn id="fn47" symbol="47"><p>Alfons K.L. Thijs, <italic>Van &#x2018;werkwinkel&#x2019; tot &#x2018;fabriek&#x2019;. De textielnijverheid te Antwerpen (einde 15de-begin 19de eeuw)</italic> (Brussel 1987); Lis en Soly, &#x2018;Subcontracting&#x2019;; Bert De Munck, <italic>Guilds, labour and the urban body politic. Fabricating community in the Southern Netherlands, 1300-1800</italic> (Londen 2017).</p></fn>
<fn id="fn48" symbol="48"><p>Zie onder meer Thijs, <italic>Van werkwinkel tot fabriek.</italic></p></fn>
<fn id="fn49" symbol="49"><p>In deze gevallen aantal arbeiders telkens op 2.000 gebracht.</p></fn>
<fn id="fn50" symbol="50"><p>Hier 300 geteld.</p></fn>
<fn id="fn51" symbol="51"><p>De &#x2018;spinsters buyten&#x2019; werden trouwens niet meegeteld bij de berekeningen in dit artikel, omdat zij betrekking hadden op werkers die buiten de stad leefden.</p></fn>
<fn id="fn52" symbol="52"><p>Vermaut, <italic>De textielnijverheid</italic>; Lis en Soly, &#x2018;Subcontracting&#x2019;.</p></fn>
<fn id="fn53" symbol="53"><p>Heirwegh, <italic>Les corporations</italic>; Vermaut, <italic>De textielnijverheid</italic>.</p></fn>
<fn id="fn54" symbol="54"><p>Lis en Soly, &#x2018;Subcontracting.&#x2019;</p></fn>
<fn id="fn55" symbol="55"><p>Pieter Cardon, Robert Beutels en Reginald De Schrijver, <italic>Den oorspronck van de ru&#x00EF;ne en aermoede der Spaensche Nederlanden/ Over het mercantilisme in de Spaanse Nederlanden</italic> (Tielt 1991); Erik Aerts, &#x2018;Economische interventie van de centrale staat in de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden (1555-1795)&#x2019;, in: Claude de Moreau de Gerbehaye, S&#x00E9;bastien Dubois en Jean-Marie Yante (red.), <italic>Gouvernance et administration dans les Provinces Belgiques (XVIe-XVIIIe Siecles). Ouvrage publi&#x00E9; en hommage au professeur Claude Bruneel</italic> (Brussel 2013) 399-452.</p></fn>
</fn-group>
<app-group>
<app id="apx1">
<title>Bijlage 1 Gehanteerde bevolkingscijfers</title>
<p>Gehanteerde schattingen van bevolkingsomvang per stad in 1738 met vermelding van de bestaande cijfers waarop zij gebaseerd zijn. Voor deze laatste konden we ons verlaten op de systematische verzameling van bestaande studies over bevolkingsomvang van steden in Vlaanderen en Brabant zoals die werd uitgevoerd door Ruben Demey in het kader van het STREAM project (olv Isabelle Devos, UGent).</p>
<table-wrap id="tab8">
<table id="table8" width="1*">
<colgroup>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.25*"/>
<col width="0.50*"/>
</colgroup>
<thead>
<tr>
<th>Stad</th>
<th>Schatting</th>
<th>Bestaande cijfers waarmee rekening gehouden werd bij schatting</th>
</tr>
</thead>
<tbody>
<tr>
<td>Aalst</td>
<td>7000</td>
<td>(1) 8.945 in 1686-1690 obv maalgeldregisters volgens Schalck (D.), <italic>Het maalgeld: toepasbaarheid van een fiscale bron in historisch-demografisch perspektief (1615-1702)</italic> (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, 1987), deel 4 p. 196; (2) 8.460 in 1716-1725 obv communicantencijfers volgens J. De Brouwer, <italic>Demografische evolutie van het land van Aalst 1570-1800</italic> (Brussel, 1968) pp. 2-3; (3) 5.070 in 1784 obv volkstelling volgens C. Bruneel, L. Delporte en B. Petitjean<italic>, Le d&#x00E9;nombrement g&#x00E9;n&#x00E9;ral de la population des Pays-Bas autrichiens en 1784. Edition critique</italic> (Brussel, 1996), p. 127.</td>
</tr>
<tr>
<td>Blankenberge</td>
<td>1500</td>
<td>(1) 1.399 in 1697-1700 obv maalderijgeldregisters volgens Schalck, <italic>Het maalgeld,</italic> deel 4, p. 206; (2) ca. 1.500 in 1748 volgens Herv&#x00E9; Hasquin (ed<italic>.), Gemeenten van Belgi&#x00EB;. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek</italic> (Brussel, 1980.</td>
</tr>
<tr>
<td>Brugge</td>
<td>27500</td>
<td>(1) 27.821 in 1748 obv volkstelling volgens A. Wyffels, &#x2018;De omvang en de evolutie van het Brugse bevolkingscijfer inde XVIIde en de XVIIIde eeuw&#x2019;, <italic>Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis,</italic> 36 (1958), pp. 1248, ook overgenomen door Hasquin, <italic>Gemeenten van Belgi&#x00EB;;</italic> (2) 28.685 in 1748 obv volkstelling volgens J. Denolf, <italic>Brugge 1748: een socio-demografische schets van een stedelijke samenleving rond het midden van de 18e eeuw</italic> (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, 1981), pp. 5-12.</td>
</tr>
<tr>
<td>Deinze</td>
<td>1020</td>
<td>(1) 1.000 in 1734 obv communicantencijfers volgens E. De Wulf, <italic>Vrijen en trouwen te Deinze (1699-1893): een historisch-demografische studie van het premaritaal gedrag in een kleine stad</italic> (Onuitgegegeven licentiaatsverhandling UGent, 2002); (2) 1.030 in 1740 obv communicantencijfers volgens K. Berg&#x00E9;, <italic>Kerkelijk leven in de landelijke dekenij Deinze (1661-1762)</italic> (Leuven, 1981), p. 36; (3) 1.380 in 1744 volgens I. Callens, <italic>Leven en werken in de Kasselrij Kortrijk: Sociaal-economische en demografische studie van de 18de eeuw</italic> (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, 1985), p. 81.</td>
</tr>
<tr>
<td>Dendermonde</td>
<td>4000</td>
<td>(1) 4.000 in 1743 obv communicatencijfers volgens J. Gijsen, &#x2018;Een peiling naar de historisch-demografische evolutie van de stad Dendermonde 1569-1796&#x2019;, <italic>Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, 4de reeks</italic> 14 (1995), p. 51; (2) 5.177 in 1784 obv volkstelling volgens Callens, <italic>Leven en werken</italic>, p. 82.</td>
</tr>
<tr>
<td>Eeklo</td>
<td>3000</td>
<td>(1) 2.957 in 1740 obv graantelling, (2) 3.127 in 1748 obv volkstelling, (3) 3.520 in 1761 obv status animarum, alle drie volgens A. De Vos, &#x2018;De omvang en de evolutie van het Eeklose bevolkingscijfer tijdens de XVIIe en XVIIIe eeuw&#x2019;, In<italic>: Vijf bijdragen tot de lokale demografie</italic> (Brussel 1963), p. 131; (4) 4.000 in 1714 volgens Hasquin, <italic>Gemeenten van Belgi&#x00EB;</italic>.</td>
</tr>
<tr>
<td>Gent</td>
<td>38500</td>
<td>(1) 38.298 in 1736-1745 obv parochieregisters volgens H. Van Werveke, &#x2018;De curve van het Gentse bevolkingscijfer in de XVIIe en de XVIIIe eeuw&#x2019;, <italic>Handelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van Belgi&#x00EB;</italic>, 10 (1948), 8, p. 52.</td>
</tr>
<tr>
<td>Geraardsbergen</td>
<td>4700</td>
<td>(1) 4.700 in 1739 obv communicantencijfers volgens De Brouwer (J.), &#x2018;Geraardsbergen. Die Stervende?&#x2019;, <italic>Het Land van Aalst</italic> 6 (1963), pp. 203.</td>
</tr>
<tr>
<td>Ieper</td>
<td>12000</td>
<td>(1) 11.900 in 1699 volgens J. Demey, &#x2018;Proeve tot raming van de bevolking en de weefgetouwen te Ieper van de XIIe tot de XVIIe eeuw&#x2019;, <italic>Revue belge de philologie et d&#x2019;histoire,</italic> 28 (1950), 3-4, p. 1047; (2) 12.000 in 1762 volgens A. Viaene, &#x2018;Bevolkingscijfers van Ieper, <italic>Biekorf</italic> 52 (1951), 11, pp. 258-260.</td>
</tr>
<tr>
<td>Izegem</td>
<td>5000</td>
<td>(1) 4.816 in 1730, (2) 5.316 in 1748, beide volgens Jean-Marie Lermyte, <italic>Geschiedenis van Izegem</italic> (Izegem, 1985), p. 90</td>
</tr>
<tr>
<td>Kortrijk</td>
<td>12000</td>
<td>(1) 8.800 in 1698 obv graantelling volgens N. Maddens, &#x2018;De Nieuwe Tijd&#x2019;, in: N. Maddens (ed<italic>.), De geschiedenis van Kortrijk,</italic> (Tielt, 1990), pp. 148-363; (2) 9.865 in 1698 volgens <italic>Hasquin, Gemeenten van Belgi&#x00EB;;</italic> (3) 15.072 in 1784 obv volkstelling volgens C. Bruneel et al, <italic>Le d&#x00E9;nombrement</italic>, 127; (4) 15.855 in 1696-1700 obv maalgeld volgens Schalck, <italic>Het maalgeld</italic>, p. 192.</td>
</tr>
<tr>
<td>Ninove</td>
<td>2300</td>
<td>(1) 2.444 in 1734, (2) 2.142 in 1739, beide obv communicantencijfers volgens H. Vangassen, <italic>Geschiedenis van Ninove</italic> (Ninove, 1959), p. 471-472; (3) 2.307 in 1736-1745 obv communicantencijfers volgens J. De Brouwer, <italic>Demografische evolutie</italic>, p. 63; (4) 2.685 in 1736-1745 obv doopregisters volgens Vangassen, Geschiedenis van Ninove, p. 479.</td>
</tr>
<tr>
<td>Oostende</td>
<td>6000</td>
<td>(1) 5.701 in 1723 volgens J. Mertens, &#x2018;Het haardgeld te Oostende in 1533. Zijn inwoners en sociale stratificatie, <italic>Ostendiana</italic> 2 (1975), p. 45; (2) 6.298 in 1750 obv lokale overheid volgens Briavoinne (N.), <italic>Memoires sur l&#x2019;&#x00E9;tat de la population, des fabriques, des manufactures et du commerce dans la province des Pays-Bas depuis Albert et Isabelle jusqu&#x2019;&#x00E0; la fin du si&#x00E8;cle dernier</italic> (Brussel, 1841), p. 200; (3) 7.075 in 1784 obv volkstelling volgens Bruneel et al, <italic>Le d&#x00E9;nombrement, p.</italic> 128.</td>
</tr>
<tr>
<td>Oudenaarde</td>
<td>4000</td>
<td>(1) 4.242 in 1708 obv volkstelling, (2) 3.828 in 1754, beide volgens D. Demuytere, <italic>Demografische evolutie in de kasselrij en het arrondissement Oudenaarde (14e-20ste eeuw)</italic> (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, 1987), p. 141.</td>
</tr>
<tr>
<td>Ronse</td>
<td>7000</td>
<td>(1) 7.038 in 1736-1745 obv communicatencijfers volgens J. De Brouwer, <italic>Demografische evolutie,</italic> p. 75.</td>
</tr>
<tr>
<td>Tielt</td>
<td>2000</td>
<td>(1) 1.473 in 1709 (Tielt stad) obv graantelling volgens A. Wijffels, &#x2018;De evolutie van het Tieltse bevolkingscijfer in de XVIIe en XVIIIe eeuw&#x2019;, <italic>De Leiegouw</italic> 3 (1961), p. 214; (2) 2.142 in 1744 (Tielt stad) obv pionierstelling volgens Callens, <italic>Leven en werken,</italic> p. 81; (3) 5.000-6.000 (Tielt binnen+buiten) in 1736-1745 obv communicantencijfers volgens A. Wijffels, &#x2018;De evolutie&#x2019;, p. 219.</td>
</tr>
<tr>
<td>Torhout</td>
<td>2000</td>
<td>(1) 1.798 in 1748 volgens Hasquin, <italic>Gemeenten van Belgi&#x00EB;</italic>; (2) 2.834 in 1786 obv volkstelling volgens C. Bruneel L. Delporte en B. Petitjean<italic>, L&#x2019;enqu&#x00EA;te de 1786 en vue de la r&#x00E9;forme des paroisses des Pays-Bas autrichiens. Edition critique des donn&#x00E9;es d&#x00E9;mographiques</italic> (Brussel, 1998), p. 61.</td>
</tr>
<tr>
<td>Wervik</td>
<td>1500</td>
<td>(1) 1.464 in 1724 (Wervik-stad) obv maalgeld volgens J.Roelandt, &#x2018;De bevolking van Wervik in 1724&#x2019;, <italic>Biekorf</italic> 74 (1973), pp. 105-110.</td>
</tr>
<tr>
<td>Zottegem</td>
<td>1200</td>
<td>(1) 1.231 in 1734 obv parochieregisters volgens Tim Buysse, <italic>Historisch-demografische analyse van Zottegem in de 18de eeuw (1695-1795)</italic> (Onuitgegeven licentiaatsverhandeling RUG, 2001), p. 27; (2) 1.300 in 1750 volgens Frans Watt&#x00E9;, <italic>Zottegem 17de-18de eeuw</italic> (Zottegem 1986), p. 47.</td>
</tr>
</tbody>
</table>
</table-wrap>
</app>
</app-group>
</back>
</article>