<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (NISO Z39.96-2019) Journal Publishing DTD v1.2 20190208//EN" "https://jats.nlm.nih.gov/publishing/1.2/JATS-journalpublishing1-mathml3.dtd">
<article dtd-version="1.2" xml:lang="nl" xmlns:mml="http://www.w3.org/1998/Math/MathML" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="publisher-id">tseg</journal-id>
<journal-title-group>
<journal-title>The Low Countries Journal of Social and Economic History</journal-title>
</journal-title-group>
<issn pub-type="ppub">1572-1701</issn>
<issn pub-type="epub">2468-9068</issn>
<isbn publication-format="ppub">978 94 6270 399 5</isbn>
<publisher>
<publisher-name>Leuven University Press</publisher-name>
<publisher-loc>Leuven, Belgium</publisher-loc>
</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-id pub-id-type="publisher-id">tseg.18030</article-id>
<article-id pub-id-type="doi">10.52024/tseg.18030</article-id>
<article-categories>
<subj-group subj-group-type="heading">
<subject>Book Reviews</subject>
</subj-group>
</article-categories>
<title-group>
<article-title>Gerrit van Oosterom, <italic>Boeren op de buitenplaats. De relatie tussen landbouw en buitenleven in het Amstellands Arcadi&#x00EB; (1640-1840)</italic> (Gorredijk: Noordboek, 2022). 510 p. ISBN 9789056158644.<break/>Willemieke Ottens, <italic>Standhouden. Adellijk landgoedbeheer in Nederland. De twintigste-eeuwse geschiedenis van Leuvenum en De Bannink</italic> (Gorredijk: Noordboek, 2023). 472 p. ISBN 9789056159160.</article-title>
</title-group>
<contrib-group>
<contrib contrib-type="author">
<name>
<surname>van Cruyningen</surname>
<given-names>Piet</given-names>
</name>
<aff>Wageningen University &#x0026; Research</aff>
</contrib>
</contrib-group>
<pub-date pub-type="epub">
<month>11</month>
<year>2023</year>
</pub-date>
<volume>20</volume>
<issue>3</issue>
<fpage>204</fpage>
<lpage>209</lpage>
<permissions>
<copyright-statement>&#x00a9; Piet van Cruyningen</copyright-statement>
<copyright-year>2023</copyright-year>
<copyright-holder>Piet van Cruyningen</copyright-holder>
</permissions>
</article-meta>
</front>
<body>
<p>Dubbelrecensie &#x2013; de laatste twee promovendi van Yme Kuiper</p>
<p>Nederland heeft niet de reputatie een land te zijn met veel grootgrondbezit zoals Engeland met zijn <italic>estate system</italic>. Toch zijn er regio&#x2019;s waar grootgrondbezit niet onbelangrijk was en een stempel op landbouw en platteland heeft gedrukt. In het westen gaat het daarbij vooral om zones met buitenplaatsen rondom de grote steden. Die buitenplaatsen waren veelal bescheiden van omvang (zelden meer dan 100 hectare), maar door hun grote aantallen waren ze toch een belangrijke factor in de economie en samenleving van het platteland. De landgoederen op de zandgronden van met name Gelderland en Overijssel waren minder talrijk maar aanzienlijk groter, met soms meer dan 1000 hectare, dozijnen boerderijen en grote boscomplexen. Publicaties over deze landgoederen en buitenplaatsen gaan meestal over de architectuur en de bewoningsgeschiedenis. Aan de economische aspecten wordt zelden aandacht besteed. Voor de meeste architectuurhistorici gaat het om huis, tuin en park en agrarisch-historici hebben zich zelden bezig gehouden met de economische impact van landgoederen en buitenplaatsen.</p>
<p>Het viel te verwachten dat daar verandering in zou komen toen Yme Kuiper aantrad als bijzonder hoogleraar Historische Buitenplaatsen en Landgoederen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hoewel als antropoloog vooral ge&#x00EF;nteresseerd in de cultuur van de bewoners van buitenplaatsen en landgoederen, is Kuiper veel te nieuwsgierig om zich iets aan te trekken van wat hij ironisch &#x2018;academische grensbewaking&#x2019; heeft genoemd.<xref ref-type="fn" rid="fn1" specific-use="fn"><sup>1</sup></xref> Vooral in de laatste twee proefschriften die hij &#x2013; samen met Theo Spek &#x2013; heeft begeleid, komen die economische aspecten duidelijk aan bod.</p>
<p>Het proefschrift van Gerrit van Oosterom staat in de traditie van het onderzoek naar Nederlandse elites en hun buitenplaatsen van auteurs als Kuiper en Van der Laarse. Van Oosterom voegt hier wel iets nieuws aan toe: hij kijkt vooral naar de boerderijen die bij die buitenplaatsen hoorden. Hij onderzoekt welke rol de landbouw speelde in de buitenplaatscultuur en hoe zich dat manifesteerde in de sociale verhoudingen tussen eigenaar en pachtboer, het economisch belang en de inpassing van landbouw op de buitenplaats.</p>
<p>Hiervoor bestudeert hij de casus Amstelland, het gebied ten zuiden van Amsterdam, en dan met name de buitenplaatsen langs de riviertjes Amstel, Gein, Angstel, Holendrecht, Waver en Winkel, vanaf 1640, toen hier een buitenplaatsenlandschap begon te ontstaan. Op het hoogtepunt, rond 1760, waren er hier 130 buitenplaatsen. Daarna nam het aantal snel af, zodat het buitenplaatsenlandschap rond 1840 weer vrijwel was verdwenen. Dat laatste was niet zozeer het gevolg van de economische achteruitgang van Amsterdam, maar van een verschuiving van de buitenplaatsenzone naar de zandgronden van de duinstreek, het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. Dat de buitenplaatsen hier grotendeels langs de rivieren lagen, was enerzijds het gevolg van het drassige veenlandschap, dat het wenselijk maakte vooral op de steviger oeverwallen te bouwen, anderzijds van het feit dat de buitenplaatsen in dit waterrijke gebied gemakkelijk bereikbaar waren via de riviertjes.</p>
<p>Van Oosterom werkt zijn vraagstelling uit in acht hoofdstukken. Er zijn twee inleidende hoofdstukken, over de ideologie van de buitenplaats en over landschap en landbouw in Amstelland. Daarna reconstrueert hij het grotendeels verdwenen buitenplaatsenlandschap. Dit wordt gevolgd door hoofdstukken over de agrarische functie van de buitenplaats, de relatie tussen de buitenhuisbewoners en de pachtboeren, de economische functie van de boerderij, de ruimtelijke functie van de boerderij en tenslotte een synthese.</p>
<p>Hij heeft een indrukwekkende hoeveelheid bronnen verwerkt om zijn onderzoeksvraag te beantwoorden: transportakten, kaarten, pachtcontracten, belastingkohieren, boedelbeschrijvingen, testamenten, advertenties (van de verkoop van buitenplaatsen), kasboeken, kadastrale bronnen, afbeeldingen, doop- trouw- en begraafboeken (voor het onderzoek naar eigenaren en pachters) en natuurlijk de relevante literatuur. Dit alles is gedaan naast een baan als landschapsarchitect en leidde binnen zes jaar tot een promotie.</p>
<p>De drijfveer voor dit onderzoek was het feit dat het agrarische aspect van de buitenplaats sterk onderbelicht is. Voor onderzoekers uit de cultuurhistorische hoek is de buitenplaatsboerderij niet relevant omdat die in tegenstelling tot het buitenhuis zelf tot de volkscultuur gerekend moet worden. Agrarisch-historici hebben dan weer de neiging om de buitenplaatsboerderijen als irrelevant te zien, in tegenstelling tot de grote aantallen boerderijen van de Oost-Nederlandse landgoederen. Volgens Gerrit van Oosterom zijn dit platgetreden dichotomie&#x00EB;n en clich&#x00E9;s die de genuanceerde historische werkelijkheid eerder buiten beeld houden dan verscherpen (p. 40).</p>
<p>Van Oosterom heeft gelijk, zoals zijn boek aantoont. Deze zeer diepgravende casestudy geeft bovendien niet alleen meer inzicht in de plaats van de boerderij in de buitenplaats in cultureel, sociaal, landschappelijk en economisch inzicht, maar draagt ook bij aan de agrarische en economische geschiedenis in meer algemene zin. Dat kan mooi ge&#x00EF;llustreerd worden aan de hand van hoofdstuk 7, over de economische functie van de boerderij. Aan de hand van de kasboeken van drie buitenplaats bezitters uit de achttiende en vroege negentiende eeuw laat Van Oosterom zien dat die boerderijen er niet alleen maar waren voor de stoffering van het landschap rond de buitenplaats, maar dat ze wel degelijk ook rendement op moesten brengen. Dat laatste lukte ook wel, maar met mate. Met een bescheiden rendement van 2-3 procent mocht de eigenaar blij zijn. Ook op Oost-Nederlandse landgoederen werd een dergelijk rendement gehaald. Vaak werd dat echter ook niet gehaald.</p>
<p>Bovendien was een buitenplaats met boerderij ook een &#x2018;lastig stuck goeds&#x2019;, zoals een Delftse regent het ooit uitdrukte. Het was lastig om een geschikte pachter te vinden, en als er al een pachter gevonden was, dan moest er op toegezien worden dat hij zich aan de bepalingen van het pachtcontract hield. Bovendien had de pachter geregeld moeite om de pacht te betalen vanwege de veepest of lage prijzen voor zijn producten. Er ontstonden dan betalingsachterstanden of de pachtsom moest worden verminderd. Een boerderij leverde dus een vrij laag, onzeker rendement op, waar de nodige inspanningen voor moesten worden gedaan. Vergelijk dat eens met obligaties, waarvoor alleen coupons hoefden te worden geknipt en het rendement gegarandeerd was (althans v&#x00F3;&#x00F3;r de ti&#x00EB;rcering). Uit eerder onderzoek (Prak, Kooijmans, De Jong) was al gebleken dat de stedelijke elites in West-Nederland relatief weinig investeerden in agrarisch onroerend goed. Van Oosterom&#x2019;s onderzoek maakt duidelijk waarom ze daarvoor kozen.</p>
<p>Rond 1920 werd nabij Harderwijk begonnen met de bouw van het Huis Leuvenum, een landhuis in historiserende stijl dat het centrum werd van het gelijknamige landgoed. Dat was iets heel bijzonders omdat in deze jaren juist vele landgoedeigenaren besloten om hun slecht renderende bezit van de hand te doen en de geldverslindende Huizen vaak een andere bestemming kregen. De bouwheer, jhr. Cornelis Johannes Sandberg, was hiertoe voornamelijk in staat dankzij steun van zijn schoonvader, de zeer vermogende Joachim Ferdinand de Beaufort. Die steun verleende schoonvader ondanks zijn geringe vertrouwen in de rentabiliteit van het nieuwe landgoed. De Beaufort had zelf dertig jaar ervaring als eigenaar van een landgoed en in die dertig jaar verlies geleden. Vanwege stijgende lonen en belastingen verwachtte hij niet veel goeds voor de toekomst.</p>
<p>Schoonvader De Beaufort had gelijk: een belangrijke inkomstenbron is het grondbezit van Sandberg nooit geworden, ook niet nadat hij in 1938 van zijn vader het landgoed De Bannink bij Deventer had ge&#x00EB;rfd. Bovendien kwam in 1945 een tragisch einde aan Sandberg&#x2019;s droom van een leven als landjonker toen hij en zijn zoon in Duitse gevangenschap overleden aan ondervoeding, uitputting en dysenterie. Sandberg&#x2019;s weduwe en dochters zetten de onderneming daarna voort tot de landgoederen in 2003 werden ondergebracht in een stichting. Het huisarchief dat de familie Sandberg vanaf 1919 bijeen heeft gebracht en bewaard is door Willemieke Ottens gebruikt om de geschiedenis van de twee landgoederen in de twintigste eeuw te schrijven.</p>
<p>Een landgoed beheren en in stand houden in tijden van vrijwel onophoudelijk stijgende belastingdruk en loonkosten was verre van eenvoudig, vooral ook omdat tegenover die stijgende kosten nauwelijks toenemende pachten en zwaar verliesgevende bosbouw stonden. Vandaar ook de titel van Ottens&#x2019; proefschrift: Standhouden. Meer dan overeind blijven zat er niet in. De freules die tot op het laatst op Leuvenum woonden, realiseerden zich dat ook. Een van hen zei in een interview uit 1993 dat je om een landgoed te kunnen beheren over een goed gevulde effectenportefeuille moest beschikken. Een landgoed was geen inkomstenbron meer, maar een dure hobby voor welgestelden.</p>
<p>De freules Sandberg hielden stand door zich te blijven baseren op de traditionele inkomstenbronnen pacht en bosbouw en vooral ook door een zuinige levensstijl. Die zuinigheid moet overigens niet overschat worden: de familie ging in de jaren vijftig op wintersportvakantie naar Lech. Hoeveel Nederlanders zouden zich dat destijds hebben kunnen veroorloven? Waarschijnlijk kwamen hierbij de inkomsten uit de effectenportefeuille goed van pas. Naar nieuwe inkomstenbronnen gingen de freules niet op zoek. Op Leuvenum kwam geen landgoedcamping of landgoedfair en er werden ook geen vakantiehuisjes op een deel van het bezit gebouwd.</p>
<p>De keuzes van de eigenaren van Leuvenum en De Bannink hadden ook gevolgen voor de pachters. De freules Sandberg waren zoals veel adellijke grootgrondbezitters begaan met hun pachters en streefden niet naar de hoogst mogelijke pachtinkomsten. Daar stond tegenover dat de landgoederen van de familie nauwelijks meegingen in de sterke intensivering en schaalvergroting die na de Tweede Wereldoorlog de Nederlandse landbouw kenmerkten. Voor ambitieuze jonge pachters die mee wilden in de vaart der volkeren moet dat frustrerend zijn geweest. Uit andere landgoederengebieden zoals het noordwesten van de Achterhoek weten we dat dit leidde tot spanningen tussen pachters en grootgrondbezitters.</p>
<p>Willemieke Ottens heeft een mooi proefschrift geschreven, grotendeels gebaseerd op het huisarchief, aangevuld met interviews met familieleden, oud-pachters en oud-werknemers. Ze geeft met dit boek inzicht in de manier waarop twee particuliere landgoederen tot in de eenentwintigste eeuw wisten te overleven. Dat is een belangrijke aanvulling op de bestaande historiografie, die zich vooral concentreert op de vele landgoederen die in de loop van de twintigste eeuw overgedragen werden aan de provinciale landschappen of Natuurmonumenten omdat de eigenaren het beheer niet langer vol konden houden. Leuvenum en De Bannink vormen natuurlijk wel een unieke casus en zijn hoogstwaarschijnlijk niet representatief voor de bescheiden maar niet onbeduidende groep particuliere landgoederen die stand heeft weten te houden. Een iets meer comparatieve aanpak, met bijvoorbeeld een vergelijking met landgoederen die wel alternatieve inkomstenbronnen aanboorden, was derhalve zinvol geweest.</p>
<p>In deze twee proefschriften worden disciplinaire grenzen overschreven op een manier zoals Yme Kuiper het graag ziet: eliteonderzoek, cultuurgeschiedenis en sociale en economische geschiedenis worden hier gecombineerd. De dissertaties geven nieuwe inzichten in de sociale en economische impact van grootgrondbezit op het Nederlandse platteland, een nog steeds onderbelicht aspect van de Nederlandse plattelandsgeschiedenis. Laten we hopen dat na Yme Kuiper&#x2019;s emeritaat dit soort onderzoek wordt voortgezet.</p>
</body>
<back>
<fn-group>
<title>Noot</title>
<fn id="fn1" symbol="1"><p>Yme Kuiper, <italic>De Hofstede &#x2018;tot vermaeck en voordeel aengeleyt&#x2019;. Beelden van de buitenplaats vanaf de zeventiende eeuw. Afscheid van Arcadi&#x00EB;? Wegen naar een nieuwe historische antropologie van buitenplaats en landgoed</italic> (Slochteren 2017) 28.</p></fn>
</fn-group>
</back>
</article>