<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE article PUBLIC "-//NLM//DTD JATS (Z39.96) Journal Publishing DTD v1.0 20120330//EN" "JATS-journalpublishing1.dtd">
<article article-type="research-article" xml:lang="EN" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
<front>
<journal-meta>
<journal-id journal-id-type="doi">doi: 10.18352/tseg.1126</journal-id> <!-- <journal-id journal-id-type="nlm-ta" /> YYYY -->
				<journal-title-group><journal-title>TSEG20201_04_NederveenMeerkerk&#160;</journal-title></journal-title-group>
				<issn pub-type="epub">0000-0000</issn> 
				<issn pub-type="epub">0000-0000</issn> 
				<publisher>
				<publisher-name>&#160;</publisher-name>
				</publisher>
</journal-meta>
<article-meta>
<article-categories>
	<subj-group subj-group-type="heading">
	<subject>Article</subject>
	</subj-group>
	</article-categories><title-group>
<article-title xml:lang = "en">Van regionaal naar globaal</article-title>
<subtitle xml:lang = "en">Wat kunnen we leren van internationaal vergelijkend historisch onderzoek naar arbeid en gender?&#160;</subtitle>
</title-group>
<contrib-group>
					<contrib contrib-type = "author">
						<name content-type = "reverse" name-style = "western">
							<surname>Nederveen Meerkerk&#160;</surname>
							<given-names>Elise&#160;</given-names>
						</name>
					   <!--<xref rid = "afn1"/>-->
					</contrib>
					<aff id = "aff0">
						<label></label>
						<addr-line></addr-line>
					</aff>
				</contrib-group>
				<pub-date pub-type="epub"> 
				<!-- <month>1</month> --> 
				<year>2020</year>
				</pub-date>
				<elocation-id>id.elocation: unknown</elocation-id>
<abstract>
<p>This article aims to bring together three different long-term, global comparative studies on women’s work in three sectors: the textile industry, domestic service and sex work from the seventeenth century to today. Although there were �notable differ�ences between developments in these three occupations over time, it is clear that they all represent the ubiquitous precarity that runs through the history of work. Instead of viewing precarious labour as a novel development, history shows that the ILO model of ‘standard employment’ is an exception in history. Both in the Global North and in the Global South, at least half of the world’s historical population – women – often worked in underpaid, poorly organized jobs, under unequal power relations. However, despite these consistent practices of subordination, this article also highlights that within the given constrictions, female labourers who were formally powerless could exert considerable agency, using informal networks and power mechanisms that often emerged from the inherent intimacy of the �labour relations they were involved in.&#160;</p>
</abstract>
<kwd-group>
<kwd></kwd>
</kwd-group>
</article-meta>

</front>

<body>
<sec id="S1">
<title>Inleiding</bold><target id="xr1"></target><xref ref-type="fn" rid="fn1">1</xref></title>
			<p>In 1991 verscheen Ad Knotters proefschrift over de Amsterdamse arbeidsmarkt in de negentiende eeuw. Het betrof een gedegen kwantitatieve en kwalitatieve analyse van verschillende bedrijfstakken in de hoofdstad van Nederland, die aansloot bij de economische en sociale geschiedenis zoals die hier in de jaren 1980 werd bedreven.<target id="xr2"></target><xref ref-type="fn" rid="fn2">2</xref> In een overzichtsartikel over nieuwe ontwikkelingen in de sociale geschiedenis uit diezelfde periode noemde Maarten Prak Knotters werk een ‘prachtig boek’. Prak roemde het feit dat Knotter in zijn studie naar Amsterdam het ‘lokale’ een centrale betekenis gaf door de arbeidsmarkt van de stad in relatie tot andere gebieden te onderzoeken. Hierbij maakte Knotter gebruik van theorieën van sociologen en economen over de duale arbeidsmarkt om specifieke veranderingen in Amsterdam in de tweede helft van de negentiende eeuw te verklaren.<target id="xr3"></target><xref ref-type="fn" rid="fn3">3</xref> Deze dubbele arbeidsmarkttheorie houdt kort gezegd in dat arbeidsmarkten een kern bevatten van vaste beroepsbeoefenaren, die hoge status genoten en goed betaald werden, en een meer flexibele poule aan arbeid en arbeiders, die veel lager stonden in aanzien en beloning. Oorspronkelijk werd deze theorie met name toegepast om de verschillen tussen gevestigden en migranten te analyseren,<target id="xr4"></target><xref ref-type="fn" rid="fn4">4</xref> maar in de loop van de tijd is deze ook wel gebruikt om structurele verschillen in beloning en status tussen mannen- en vrouwenarbeid te duiden.<target id="xr5"></target><xref ref-type="fn" rid="fn5">5</xref> </p>
			<p>Dat laatste was niet wat Knotter voor de Amsterdamse arbeidsmarkt had onderzocht, en hierop kwam niet lang na het verschijnen van zijn proefschrift commentaar van feministische historici. Vrouwen kwamen weliswaar voor in zijn boek, maar volgens Corrie van Eijl, die zelf in 1994 promoveerde op onderzoek naar de arbeidsdeling naar sekse in Nederland in de negentiende en vroege twintigste eeuw, slechts ondergeschikt, in functie van Knotters analyse van de arbeid van Amsterdamse mannen.<target id="xr6"></target><xref ref-type="fn" rid="fn6">6</xref> In hetzelfde jaar noemde Francisca de Haan dit een ‘androcentrische benadering van arbeid’,<target id="xr7"></target><xref ref-type="fn" rid="fn7">7</xref> die volgens haar tekenend was voor de verwaarlozing van vele nationale en internationale studies over vrouwen, gender en arbeid door ‘progressieve sociaal historici’ van de generatie van Knotter en Prak. Prak reageerde instemmend op de meeste van De Haans kritiekpunten, maar gaf wel te kennen dat hij het bestuderen van de sekseverhoudingen tegelijkertijd niet een meer geprivilegieerde plaats wilde geven dan de studie naar andere aspecten van sociale verhoudingen.<target id="xr8"></target><xref ref-type="fn" rid="fn8">8</xref></p>
			<p>In de periode dat dit debat tussen De Haan en Prak plaatsvond, waren, onder de invloed van vrouwen- en gendergeschiedenis, ook in Nederland al verschillende publicaties over de arbeid van vrouwen verschenen. Meestal betrof het gedetailleerde lokale studies, of op zijn best werd de arbeid van vrouwen in twee landen vergeleken.<target id="xr9"></target><xref ref-type="fn" rid="fn9">9</xref> Ook mijn eigen proefschrift, dat ik aan het begin van de jaren 2000 schreef aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (<sc>iisg</sc>) te Amsterdam, was in feite een verzameling lokale studies over de arbeid van mannen en vrouwen in de textielnijverheid in de Republiek.<target id="xr10"></target><xref ref-type="fn" rid="fn10">10</xref> Precies in deze jaren maakte het <sc>iisg</sc> een omslag van regionale en nationale studies over de geschiedenis van arbeid en arbeiders naar internationale, lange-termijn vergelijkingen, die niet langer alleen het Westen maar ook de rest van de wereld betroffen.<target id="xr11"></target><xref ref-type="fn" rid="fn11">11</xref> Deze nieuwe <italic>‘</italic><italic>Global Labour Histor</italic><italic>y’</italic> betekende ook een verandering in de manier van werken. Het is immers onmogelijk voor één historicus/-ca om voldoende kennis te hebben over een variëteit aan tijdsperioden en wereldregio’s.<target id="xr12"></target><xref ref-type="fn" rid="fn12">12</xref> De afgelopen vijftien jaar was ik betrokken bij de organisatie en uitvoering van drie ambitieuze comparatieve samenwerkingsprojecten. Wij brachten een groot aantal experts bijeen op het gebied van de textielarbeid, betaalde huishoudelijke arbeid, en seksarbeid: beroepen waarin vrouwen historisch gezien wereldwijd een zeer prominente rol hebben gespeeld. Het doel was een systematische vergelijking van de arbeidsomstandigheden in deze sectoren in verschillende delen van de wereld.<target id="xr13"></target><xref ref-type="fn" rid="fn13">13</xref> </p>
			<p>Dit artikel beoogt de bevindingen uit deze verschillende projecten bij elkaar te brengen en grotere lijnen te trekken tussen lange-termijnontwikkelingen in de drie bovengenoemde sectoren. Hoewel er door de tijd heen grote verschillen waren in de ontwikkelingen binnen deze beroepssectoren zijn er ook duidelijke parallellen te trekken. Vaak hadden arbeidsters in deze beroepen een precaire (laag gewaardeerde, slecht beschermde) status. Ook blijken dit alle beroepen die al zeer vroeg te maken kregen met supra-regionale, en zelfs globale, invloeden. In het hiernavolgende wordt uiteengezet dat internationaal vergelijkend onderzoek naar deze sectoren cruciaal is om nieuwe inzichten te verschaffen over arbeid in het verleden en heden, precies waar het gaat om de precarisering van de arbeid en om de invloed van het proces van globalisering. </p>
			</sec>

<sec id="S2">
<title><bold>Precarisering van de arbeid?</title>
			<p>In een recent rapport stelt de International Labour Organization (<sc>ilo</sc>): ‘over the past few decades, in both industrialized and developing countries, there has been a marked shift away <italic>from standard empl</italic><italic>oyment to non-standa</italic><italic>rd employment</italic><bold> </bold>[mijn cursivering ]<italic>’</italic>. Met ‘standard employment’ wordt bedoeld een fulltime, permanent arbeidscontract met acceptabele primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden.<target id="xr14"></target><xref ref-type="fn" rid="fn14">14</xref> Het verlaten van deze standaardarbeid noemt de <sc>ilo</sc> ook wel de ‘precarisering van arbeid’. Denk bijvoorbeeld aan Australische mijnwerkers, die vroeger tot de best beschermde groepen arbeiders ter wereld behoorden, maar nu worden ingehuurd op korte, individuele contracten in plaats van op vaste, collectieve arbeidscontracten. Feministische wetenschappers hebben recent betoogd dat de eigenschappen die historisch gezien van toepassing zijn op vrouwenarbeid – slecht betaald, lage status, flexibel, tijdelijk, parttime, enzovoorts, typerend zijn geworden voor <italic>heel veel</italic> soorten van arbeid – van vrouwen <italic>en</italic> mannen – in deze tijden van globalisering en hyperkapitalisme.<target id="xr15"></target><xref ref-type="fn" rid="fn15">15</xref> Als dit klopt, kan een lange-termijn analyse van vrouwenarbeid helpen lessen uit het verleden te trekken om met dit hedendaagse probleem om te gaan. </p>
			</sec>

<sec id="S3">
<title><italic>Wat is werk</italic><italic>?</italic></title>
			<p>Veel hangt natuurlijk af van hoe je ‘werk’ definieert. Zowel neoklassiek-economische als Marxistische historici hanteren een vrij strikte definitie van arbeid. ‘Productieve arbeid’ staat daarbij voor werk dat direct economische meerwaarde creëert. Daarentegen beschouwen zij de huishoudelijke en seksuele diensten die door de geschiedenis vooral door vrouwen zijn geleverd als onproductief. Op zijn best zijn deze <italic>re</italic>productief, in die zin dat loonarbeiders erdoor werden gebaard, opgevoed en verzorgd.<target id="xr16"></target><xref ref-type="fn" rid="fn16">16</xref> Textielarbeid, huishoudelijke arbeid en sekswerk hebben gemeen dat deze door de geschiedenis heen grotendeels door vrouwen zijn gedaan. Vaak was de waardering voor dit werk gering, de arbeidsomstandigheden slecht en de betaling laag. Dit hangt samen met het feit dat al deze activiteiten geassocieerd werden met de <italic>reproductieve</italic> taken van vrouwen in de sfeer van het huishouden. Zowel tijdgenoten als historici hebben zelfs betwijfeld of deze activiteiten wel als ‘werk’ kunnen worden beschouwd. </p>
			<p>Allereerst textielarbeid. In de meeste historische contexten, vooral in zelfvoorzienende economieën, was niet alleen de productie van voedsel en dranken, maar ook de vervaardiging van textiel voor eigen gebruik een huishoudelijke taak van vrouwen. Schoonmaken en andere verzorgende taken worden ook veelal geassocieerd met vrouwelijkheid en de ‘natuurlijke’ taken van vrouwen. Door de geschiedenis heen waren miljoenen jonge vrouwen, van Japan tot Noorwegen, van IJsland tot Zuid-Afrika, gedurende enkele jaren vóór hun huwelijk werkzaam als dienstbode. Het was een manier van socialiseren en van het opdoen van vaardigheden die hen voorbereidden op hun eigen huishouden.<target id="xr17"></target><xref ref-type="fn" rid="fn17">17</xref> Ook prostitutie is in heden en verleden door veel mensen niet als werk gezien. Zo werden vrouwen in vroegmoderne Europese steden, van Florence tot Brugge, niet vervolgd wegens prostitutie, maar voor <italic>overspel</italic> omdat zij seks hadden buiten het huwelijk, ongeacht of zij hiervoor betaald werden.<target id="xr18"></target><xref ref-type="fn" rid="fn18">18</xref> Andersom blijkt dat in veel tijden en op diverse plaatsen het huwelijk als niet veel beter werd beschouwd dan prostitutie. Zo verzuchtte een 35-jarige Braziliaanse prostituee over haar eerdere huwelijk: ‘Het was een baan, net als dit hier. Eigenlijk is dat gelogen: het was een <italic>plich</italic><italic>t</italic>. En voor plichten krijg je geen geld. Hier krijg ik tenminste betaald voor wat ik doe. Mijn man betaalde me nooit.’<target id="xr19"></target><xref ref-type="fn" rid="fn19">19</xref></p>
			<p><italic>G</italic><italic>lobal Labour History</italic><italic> </italic>hanteert een bredere definitie van arbeid, die iedere vorm omvat van menselijke inspanning om waarde toe te voegen aan goederen en diensten.<target id="xr20"></target><xref ref-type="fn" rid="fn20">20</xref> De uitdaging voor historici van arbeid, en vooral van de arbeid van vrouwen, is om tot een meer precieze inschatting te komen van de economische bijdragen van verschillende typen arbeid, of het nu betaald werk in de fabriek betreft, of onbetaalde arbeid in het huishouden dat een bijdrage levert aan het welzijn en de productiviteit van gezinsleden.<target id="xr21"></target><xref ref-type="fn" rid="fn21">21</xref> Om dergelijke ‘immateriële’ vormen van arbeid meer recht te doen, hebben de post-Marxistische filosofen Michael Hardt en Antonio Negri in 2000 de term <italic>affective labour</italic> – affectieve arbeid – geïntroduceerd. Hiermee bedoelen zij de productie en manipulatie van affectie en/of emoties, waarvoor menselijk contact nodig is.<target id="xr22"></target><xref ref-type="fn" rid="fn22">22</xref> Sommige feministen hebben Hardt en Negri’s definitie gretig overgenomen, omdat deze vele vormen van arbeid omvat die vooral vrouwen verrichten. Bovendien worden emoties en affectie tegenwoordig steeds belangrijker in allerlei vormen van werk, en worden steeds meer reproductieve taken ‘vermarkt’: denk bijvoorbeeld aan kinderopvang, partnerkeuzebureaus en zelfs draagmoederschap. Een ander voordeel van de term ‘affectieve arbeid’ is dat deze een meer gender-neutrale connotatie heeft dan ‘reproductieve arbeid’, een begrip dat meestal verbonden wordt met de taken van vrouwen in de huiselijke sfeer. Zowel mannen als vrouwen kunnen deze verrichten, in een professionele omgeving.</p>
			</sec>

<sec id="S4">
<title><italic>Precari</italic><italic>sering als nieuw ver</italic><italic>schijnsel?</italic></title>
			<p>Het is maar de vraag in hoeverre de ‘precarisering van de arbeid’ een nieuw fenomeen is, zeker als wij het werk van vrouwen in beschouwing nemen. Zij werkten immers over het algemeen in beroepen met lage status en beloning, zonder vast contract of gereguleerde arbeidsvoorwaarden. Ook dit waren echter geen constanten door de eeuwen heen. Onderzoek naar hoe de arbeidsomstandigheden van vrouwen zich hebben ontwikkeld, en welke manieren zij, ondanks allerlei belemmeringen, vonden om deze omstandigheden te veranderen, vergroot het inzicht in dit proces van precarisering. Een van de conclusies uit de vergelijkende studies is namelijk dat de arbeidsomstandigheden door de tijd en ruimte heen vaak slecht waren. Of het nu was in de textielfabriek, in het huishouden van de meester of in een bordeel, werktijden waren lang en de arbeidsomstandigheden vaak verre van optimaal. Hoewel veel van deze zaken ook voor mannen golden, waren vrouwen meestal slechter af. Hun positie om betere voorwaarden te bedingen was doorgaans minder gunstig. </p>
			<p>Door de geschiedenis heen waren er bijvoorbeeld minder mogelijkheden voor vrouwelijke textielarbeiders om zich te organiseren. Toen handweven in de middeleeuwen steeds meer voor de markt ging gebeuren, namen mannen dit meestal over. In Europa en Azië richtten zij gilden op, waarvan vrouwen doorgaans werden uitgesloten, of slechts bij wijze van uitzondering lid mochten worden. Ook in de opkomende textielfabrieken in de negentiende eeuw speelden vrouwen slechts een beperkte rol in formele vakverenigingen.<target id="xr23"></target><xref ref-type="fn" rid="fn23">23</xref> Huishoudelijk werk is meestal zo individueel en competitief van aard dat het heel moeilijk was voor deze arbeidsters om zich te organiseren, zowel praktisch als in termen van solidariteit. Veel dienstboden woonden in huis bij hun meester of meesteres en waren onderworpen aan hun regels en intimidatie. Dit gold niet alleen voor huisslavinnen, zoals de Afrikaanse en Aziatische vrouwen die verplicht werden in huishoudens van Europeanen te werken in Zuid-Afrika in de vroegmoderne tijd, of in de Verenigde Staten vóór de afschaffing van de slavernij in 1865.<target id="xr24"></target><xref ref-type="fn" rid="fn24">24</xref> Ook bij een vrijer dienstverband gold dat, wanneer dienstboden hun ontevredenheid uitten, zij ieder moment konden worden ontslagen en vervangen door een andere dienstbode. Soortgelijke omstandigheden van individualiteit en een sfeer van competitie speelden vaak onder sekswerkers. Voor hen gold bovendien dat in veel plaatsen en tijden, prostitutie en andere vormen van seksuele dienstverlening niet als werk, maar als <italic>criminele activit</italic><italic>eit</italic> zijn beschouwd. Dit maakte, en maakt, formele organisatie natuurlijk nog complexer.<target id="xr25"></target><xref ref-type="fn" rid="fn25">25</xref></p>
			<p>Ten slotte kregen vrouwen bijna altijd en overal minder betaald dan mannen, zelfs voor hetzelfde werk. Hoewel er door de geschiedenis heen grote variaties zijn in dit verschil tussen de beloning van mannen en vrouwen, bestaat deze vorm van sekseongelijkheid zelfs in de meest ontwikkelde landen vandaag de dag nog steeds.<target id="xr26"></target><xref ref-type="fn" rid="fn26">26</xref> Eén belangrijk mechanisme hierachter is dat vrouwen door de geschiedenis heen slechts toegang hadden tot een veel beperkter aantal beroepen dan mannen. Zelfs als er dus een grote vraag was naar arbeidsters, zoals spinsters of dienstbodes, leidde deze segmentatie op de arbeidsmarkt ook tot een groot aanbod van vrouwen, wat de lonen in deze beroepen laag hield.<target id="xr27"></target><xref ref-type="fn" rid="fn27">27</xref> Maar het is niet alleen de werking van vraag-en-aanbod, of <italic>occupational</italic> crowding die bepalend waren voor de beloning van arbeid van vrouwen. Zoals sociologe Évelyne Sullerot al aan het einde van de jaren 1960 constateerde, verliest een beroep aan status, aanzien, en zelfs beloning op het moment dat een substantieel aantal vrouwen dit gaat beoefenen.<target id="xr28"></target><xref ref-type="fn" rid="fn28">28</xref> Denk bijvoorbeeld aan de relatieve status van het vak van schoolmeester of huisarts in de negentiende eeuw, in vergelijking met tegenwoordig.</p>
			</sec>

<sec id="S5">
<title><italic>Vrouwe</italic><italic>narbeid en ‘agency’</italic></title>
			<p>Zo beschouwd is de precarisering van de arbeid, zeker waar het vrouwen betreft, dus geen nieuw verschijnsel. Maar was het nu alleen maar kommer en kwel voor werkende vrouwen in het verleden? Zijn achterstelling en onmondigheid van vrouwelijke arbeiders historische constanten? Allerminst. Uit onze comparatieve studies blijkt dat door de hele geschiedenis heen, wereldwijd, de arbeid van vrouwen wel degelijk is gewaardeerd en dat vrouwen soms aanzienlijke invloed konden uitoefenen – formeel, maar meestal informeel. Denk bijvoorbeeld aan de prostituees aan het hof van de Chinese keizers, die als concubines achter de schermen behoorlijke politieke macht hadden.<target id="xr29"></target><xref ref-type="fn" rid="fn29">29</xref> Of aan de redelijk onafhankelijke kleermaaksters in Frankrijk, die eigen gilden oprichtten en bestuurden.<target id="xr30"></target><xref ref-type="fn" rid="fn30">30</xref> In de vroeg twintigste-eeuwse zijde- en katoenindustrie in China speelden vrouwen weliswaar geen rol in formele beroepsorganisaties, maar organiseerden zij zichzelf in <italic>jiemeih</italic><italic>ui</italic>, zusterschappen. Dit waren groepjes van zes tot tien vrouwen, die elkaar trouw zwoeren. Binnen deze zusterschappen poolden de textielarbeidsters hun inkomen, bijvoorbeeld om cadeaus voor elkaar te kopen, maar ook namen zij elkaar in bescherming tegen hun werkgever, en soms staakten zij zelfs gezamenlijk.<target id="xr31"></target><xref ref-type="fn" rid="fn31">31</xref> </p>
			<p>Hoewel het voor dienstboden nog lastiger was om zich formeel te organiseren, omdat zij alleen of slechts met enkele andere dienstboden in hetzelfde huishouden werkten, hadden zij wel degelijk enige controle over hun situatie. Zij leefden immers in de huishoudens van hun meesters en meesteressen en waren op de hoogte van intieme details. Zij roddelden, stalen van hun werkgevers, chanteerden hen soms zelfs. In meer positieve termen, ontwikkelden zij vaak vertrouwensrelaties met hun bazen en diens kinderen.<target id="xr32"></target><xref ref-type="fn" rid="fn32">32</xref> Van deze relaties zien wij tal van voorbeelden, variërend van huisslavinnen in zeventiende-eeuws Zuid-Afrika tot Filipijnse <italic>nannies</italic> in Amerika of Vietnamese oppasoma’s in Slovenië tegenwoordig.<target id="xr33"></target><xref ref-type="fn" rid="fn33">33</xref> </p>
			<p>Binnen de beperkingen van de gesegmenteerde arbeidsmarkt konden vrouwen flexibel van werk veranderen. Veel van de prostituees die in zeventiende-eeuws Amsterdam werden opgepakt, beweerden dat zij textielarbeidster of dienstbode waren. Dit kan natuurlijk een dekmantel zijn geweest, maar we weten ook dat zij hun kansen spreidden door verschillende werkzaamheden te verrichten. Een zelfde flexibiliteit deed zich voor bij de opkomst van textielfabrieken in de negentiende en twintigste eeuw. Veel meisjes verkozen werk in de fabriek boven een dienstje. Het betaalde meestal beter en, hoewel de omstandigheden in fabrieken slecht waren en de werkdagen lang, moest een inwonende dienstbode vaak 24 uur per dag beschikbaar zijn en was zij voortdurend onder het wakend oog van haar werkgever. </p>
			<p>Door de eeuwen heen zien wij dat betaalde arbeid in de textiel, huishoudelijke diensten of prostitutie jonge vrouwen een zekere mate van economische onafhankelijkheid verschafte. Zij konden loskomen van hun gezin van herkomst, sparen voor hun eigen huwelijk of voor een bedrijfje. Hoewel vrouwenlonen tot op de dag van vandaag structureel lager waren dan mannenlonen, traden hierin wel degelijk fluctuaties op door de tijd. Zo heeft Corinne Boter onlangs laten zien dat de loonkloof tussen Nederlandse mannen en vrouwen in de textiel fluctueerde gedurende het proces van industrialisatie en sterk afhing van factoren als gebruikte technologie, de vraag naar huisnijverheid en het aanbod van beschikbare arbeidskrachten.<target id="xr34"></target><xref ref-type="fn" rid="fn34">34</xref> Opvallend is verder dat van de drie hier behandelde beroepsgroepen prostitutie vaak het best betaalde.<target id="xr35"></target><xref ref-type="fn" rid="fn35">35</xref> Dit maakte het een aantrekkelijk alternatief voor bijvoorbeeld het dienstbodebestaan.<target id="xr36"></target><xref ref-type="fn" rid="fn36">36</xref> Ook hedendaagse studies, bijvoorbeeld naar seksarbeid in India<target id="xr37"></target><xref ref-type="fn" rid="fn37">37</xref> of naar de arbeid door vrouwen in de textiel in Bangladesh, laten zien dat hun loon, hoe laag misschien ook, hen een zekere mate van status en vrijheid ten opzichte van hun familie verschaft.<target id="xr38"></target><xref ref-type="fn" rid="fn38">38</xref> Migrantenvrouwen die schoonmaken of zorgen in de westerse huishoudens zijn vaak in staat geld naar huis te sturen om hun familie uitzicht op een beter leven te geven. In combinatie met de toegenomen zichtbaarheid van hun omstandigheden in de internationale media, biedt dit veel vrouwen de mogelijkheid om militanter op te komen voor betere arbeidsomstandigheden.</p>
			<p>Concluderend hebben vrouwen dus, door de eeuwen heen en over de hele wereld, binnen de beperkingen die er voor hen bestonden op de arbeidsmarkt, gebruik gemaakt van mogelijkheden om invloed uit te oefenen op hun bestaan. Dit kon betekenen dat zij tussen verschillende vormen van beschikbaar werk wisselden al naar gelang het hen het beste uitkwam, migreerden om zelfstandig te worden van hun ouders en zich informeel organiseerden als formele kanalen hiertoe ontbraken. Hun ‘agency’ was in de meeste gevallen misschien niet zo groot als die van veel mannen, maar dit wil niet zeggen dat deze geheel ontbrak. Omdat de invloed van vrouwen echter vaak een andere vorm had dan de manier waarop mannen invloed konden uitoefenen, is deze vaak aan het oog van historici onttrokken geweest.</p>
			</sec>

<sec id="S6">
<title>Globalisering en vrouwenarbeid</title>
			<p>Textielarbeid, huishoudelijke arbeid en sekswerk worden al eeuwenlang beïnvloed door het proces van globalisering, ofwel de intensivering van verbindingen tussen verschillende delen van de wereld. Met name steden trokken vrouwen aan, van het nabije platteland, of van verder weg gelegen regio’s. In het geval van huishoudelijke diensten en prostitutie waren het de <italic>arbeiders </italic>die migreerden, over steeds grotere afstanden. In het geval van textiel was het vooral de <italic>industrie</italic> die zich verplaatste naar gebieden waar de arbeid het goedkoopst was. </p>
			</sec>

<sec id="S7">
<title><italic>‘Race to the</italic><italic> bottom’</italic></title>
			<p>Textielproductie is zeer arbeidsintensief en met name voor handspinnen is veel arbeid nodig. Door de geschiedenis heen zijn textielondernemers daarom constant op zoek geweest naar manieren om op arbeidskosten te besparen: een voortdurende <italic>race to the</italic><italic> bottom</italic>.<target id="xr39"></target><xref ref-type="fn" rid="fn39">39</xref> Al in de middeleeuwen, toen de textielproductie vercommercialiseerde met de opkomst van steden, en weven van een huishoudelijke taak van vrouwen een gildeberoep werd waarin met name mannen werkten, zochten wevers naar goedkope manieren om garen te krijgen. Voor de productie van wollen, linnen of katoenen stoffen door één wever zijn immers vier tot acht handspinners nodig.<target id="xr40"></target><xref ref-type="fn" rid="fn40">40</xref> Wevers in de steden besteedden werk uit op het platteland, waar lonen lager waren. Deze rurale textielarbeiders waren meestal vrouwen en kinderen en ons onderzoek laat zien dat deze uitbesteding wereldwijd plaatsvond. Zo sponnen in de zeventiende eeuw Tilburgers wol voor wevers in Leiden, voorzagen achttiende-eeuwse katoenspinsters op het Chinese platteland steden zoals Xi’an van garen. Hetzelfde gebeurde in ruraal Egypte tot in de twintigste eeuw voor wevers in Cairo, maar ook in kleinere provinciale steden.<target id="xr41"></target><xref ref-type="fn" rid="fn41">41</xref> </p>
			<p>Met de uitbreiding van de wereldhandel en de wereldwijd groeiende behoefte aan katoenen stoffen, bleek Europa niet te kunnen concurreren met de lage lonen en het hoogwaardige katoen in India en China. Daarom werden in de achttiende eeuw, te beginnen in Groot-Brittannië, zowel handelsbarrières tegen de invoer van Aziatisch textiel als technologische vernieuwingen van de lokale industrie ingevoerd die de arbeidsproductiviteit verhoogden. Zo wisten Groot-Brittannië, en later andere delen van Europa en de Verenigde Staten, in de achttiende en negentiende eeuw een steeds groter marktaandeel in de wereldwijde textielproductie te verwerven. Met de nieuwe machinerie in de fabrieken ontstond ook een nieuwe arbeidsdeling naar sekse, en voor het eerst in de geschiedenis gingen mannen op grote schaal werken als spinners.<target id="xr42"></target><xref ref-type="fn" rid="fn42">42</xref> Als gevolg hiervan verloren tienduizenden vrouwelijke </p>
			<p><fig id="F01" position="float">
<label>&#160;</label>
<caption><p>&#160;</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="images/Nederveen01.jpg" /></fig></p>
			<p>Illustratie 1 Vrouw en kinderen bij een weefgetouw in Nederlands-Indië. Foto van Ohannes Kurkdjian (bron: Collectie Rijksmuseum Amsterdam, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.269756).</p>
			<p>handspinners hun werk, hoewel sommigen van hen, met name ongetrouwde vrouwen, werk vonden in de nieuwe textielfabrieken. Ondanks dat de lokale handweverij in veel regio’s in Azië langer kon concurreren met de machinale productie dan tot voor kort is aangenomen door tijdgenoten en vele economisch-historici,<target id="xr43"></target><xref ref-type="fn" rid="fn43">43</xref> verschoof het zwaartepunt van de textielproductie uiteindelijk naar het Westen. Alleen Japan kon vanaf het einde van de negentiende eeuw meekomen met de industrialisatie, mede omdat hier veel gebruik gemaakt werd van goedkope arbeid van vrouwen, die lange uren maakten in de fabrieken.<target id="xr44"></target><xref ref-type="fn" rid="fn44">44</xref></p>
			<p>Na de Tweede Wereldoorlog, in de context van de dekolonisatie en verdergaande globalisering, verplaatste het zwaartepunt van de textielindustrie zich echter langzaam maar zeker weer naar Azië. Aanvankelijk beleefde de sector in het Westen een opleving, waarbij er zelfs een tekort aan arbeiders ontstond. Jonge vrouwen in het Westen kozen er echter steeds vaker voor om langer naar school te gaan, of verkozen meer aantrekkelijke banen zoals kantoorarbeid.<target id="xr45"></target><xref ref-type="fn" rid="fn45">45</xref> Door deze ontwikkelingen, en door de uitbreiding van de welvaartsstaat, werden de lonen in de meeste westerse landen te hoog om de textielsector rendabel te houden. Hierbij vergeleken waren de lonen van arbeiders in landen zoals China, India, Indonesië en Bangladesh uitermate laag. Bovendien waren vakbonden hier niet of nauwelijks toegestaan en was de controle op de arbeidsomstandigheden slecht. Met name de arbeidsintensieve, weinig gespecialiseerde vormen van textielproductie verplaatsten zich daarom naar Oost- en Zuidoost-Azië.<target id="xr46"></target><xref ref-type="fn" rid="fn46">46</xref> Het instorten van slecht onderhouden fabrieksgebouwen aan het Rana Plaza in Dhaka, enkele jaren geleden, bewijst hoe rampzalig de gevolgen van zo’n internationale arbeidsdeling kunnen zijn.</p>
			</sec>

<sec id="S8">
<title><italic>Globalisering en ‘aff</italic><italic>ectieve arbeid’ </italic></title>
			<p>De migratie van dienstboden en prostituees is eeuwenoud. Deze migratie was niet altijd vrijwillig, zoals in zeventiende-eeuws Zuid-Afrika, waar de eerste Gouverneur-Generaal van de kolonie, Van Riebeeck, en vele andere Europese kolonisten, huisslaven aantrokken vanuit Nederlands-Indië, Bengalen en Ethiopië.<target id="xr47"></target><xref ref-type="fn" rid="fn47">47</xref> Een ander voorbeeld waren de slavinnen uit Oost-Europa en Centraal-Azië, die tijdens de middeleeuwen en Renaissance in huishoudens in Italiaanse steden tewerkgesteld werden.<target id="xr48"></target><xref ref-type="fn" rid="fn48">48</xref> Er zijn echter ook tal van voorbeelden van vrouwen die <italic>vrijwil</italic><italic>lig</italic> migreerden om werk te vinden als dienstbode, zoals de vele Scandinavische meisjes die naar Amsterdam kwamen in de zeventiende eeuw, of de Ierse meisjes die twee eeuwen later naar de Verenigde Staten reisden. Zoals gezegd vonden deze migranten hun heil vooral in steden, niet alleen omdat daar meer werkgelegenheid was, maar ook aangezien de vrijheid en het avontuur in de stad hen meestal aantrokken.<target id="xr49"></target><xref ref-type="fn" rid="fn49">49</xref></p>
			<p>Ook prostituees waren vaak migrantenvrouwen. Handelsknooppunten en havensteden, zoals Amsterdam, Londen, Istanbul en Cairo, trokken grote aantallen mannen aan die als zeelieden, soldaten of handelaren lang van huis waren en behoefte hadden aan seksuele diensten. Vrouwen kwamen van het nabije platteland, maar ook van verder weg, om in de relatieve anonimiteit van de stad deze diensten aan te bieden. Met de intensivering van kolonialisme en wereldhandel in de negentiende eeuw groeide ook de vraag onder kolonisten naar huishoudelijke en seksuele diensten. Aanvankelijk, toen er vooral Europese mannen naar de koloniën gingen als ambtenaren of soldaten, werden deze diensten vooral door lokale vrouwen geboden en resulteerden deze dikwijls in huwelijken of concubinaat. </p>
			<p>Dat veranderde echter tegen het einde van de negentiende eeuw, toen groeiende aantallen Europese vrouwen zich tijdelijk of permanent begonnen te vestigen in de overzeese gebieden. Hoewel koloniale overheden deze migratie enerzijds aanmoedigden om gezinsvorming en daarmee meer permanente vestiging van ‘blanke’ kolonisten te bevorderen en daarmee vermenging van rassen tegen te gaan,<target id="xr50"></target><xref ref-type="fn" rid="fn50">50</xref> werd deze ontwikkeling anderzijds ook met argusogen bekeken. Met name de migratie van jonge alleenstaande Europese vrouwen naar Latijns-Amerika werd door instellingen als de Volkenbond aangeduid als een probleem van ‘witte slavernij’. In de publieke beeldvorming werden deze vrouwen afgeschilderd als onschuldige slachtoffers van pooiers en mensensmokkelaars, die hen onder valse voorwendselen, zoals een huwelijk of ander werk, meelokten naar het land van bestemming.<target id="xr51"></target><xref ref-type="fn" rid="fn51">51</xref> Natuurlijk zal dit het lot zijn geweest van diverse meisjes en vrouwen, maar onze vergelijkende studie naar seksarbeiders laat zien dat velen van hen heel goed wisten wat hun vooruitzicht was en hier zelf bewust voor kozen.<target id="xr52"></target><xref ref-type="fn" rid="fn52">52</xref> Zoals Magaly Rodríguez García heeft laten zien, kozen prostituees in de jaren 1920 vaak hun eigen souteneurs om hen naar de ‘Nieuwe Wereld’ te laten migreren in plaats van andersom.<target id="xr53"></target><xref ref-type="fn" rid="fn53">53</xref></p>
			<p>Het historische debat over vrouwenhandel vertoont wel overeenkomsten met het hedendaagse. Ook tegenwoordig wordt een groot deel van het werk in de seksuele dienstverlening door niet-westerse migrantenvrouwen gedaan. Dikwijls reizen zij illegaal naar rijke landen in de hoop op een beter leven. Soms worden zij gedwongen, maar velen komen ook uit vrije wil. Het is dan ook niet de seksarbeid op zich, maar vooral hun illegale migrantenstatus die deze vrouwen zeer gevoelig maakt voor uitbuiting en onderdrukking. Dit geldt voor sekswerkers, maar ook voor huishoudelijke en zorgarbeidsters. Met de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen in het Westen worden immers steeds meer huishoudelijke taken, zoals kinderverzorging en schoonmaak, uitbesteed aan vrouwen uit minder ontwikkelde delen van de wereld, zoals Zuidoost-Azië of Latijns-Amerika. De ironie wil dat deze vrouwen vaak zorg, steun en affectie verlenen aan de kinderen of ouders van hun werkgevers, terwijl zij hun eigen gezinnen in het land van herkomst moeten missen. De zorg voor hun eigen kinderen moeten zij vervolgens overlaten aan hun moeders of buurvrouwen.<target id="xr54"></target><xref ref-type="fn" rid="fn54">54</xref> Deze nieuwe internationale arbeidsdeling wordt daarom ook wel de <italic>Global Care Cha</italic><italic>in</italic> genoemd.<target id="xr55"></target><xref ref-type="fn" rid="fn55">55</xref> Veel van deze migrantenvrouwen worden slecht behandeld door hun werkgevers, en vooral als hun status illegaal is, worden zij dikwijls schandelijk onderbetaald. Aan de andere kant konden zij in hun land van herkomst nog minder verdienen. Deze vrouwen sturen meestal aanzienlijke geldbedragen naar huis, waarmee zij economische onafhankelijkheid en aanzien ten opzichte van hun familie verkrijgen. Bovendien bieden deze bijdragen een betere toekomst aan hun eigen kinderen, die hierdoor bijvoorbeeld een hogere opleiding kunnen genieten. </p>
			<p><fig id="F02" position="float">
<label>&#160;</label>
<caption><p>&#160;</p></caption>
<graphic xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink" xlink:href="images/Nederveen02.jpg" /></fig></p>
			<p>Illustratie 2 Bordeelscène, Thomas Rowlandson, 1807 (bron: Collectie Rijksmuseum Amsterdam, http://hdl.handle.net/10934/RM0001.collect.420293).</p>
			<p><bold>Enkele conclusies</bold></p>
			<p>Door de geschiedenis heen maakten textielarbeid, huishoudelijke diensten en seksarbeid het leeuwendeel uit van het betaalde werk door vrouwen, omdat alternatieven in de meeste contexten schaars waren.<target id="xr56"></target><xref ref-type="fn" rid="fn56">56</xref> Hun arbeid was vaak precair: slecht betaald, niet permanent en dikwijls ongeorganiseerd. Globalisering heeft de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt niet per se verbeterd. In de wereldwijde zoektocht naar lage arbeidskosten vormden <italic>vrouwen</italic> meestal de goedkope arbeid. Waar in het Westen het opleidingsniveau, de kansen op de arbeidsmarkt en de lonen voor (witte) vrouwen tegenwoordig sterk zijn verbeterd, laat de arbeidsbescherming voor vrouwen (en overigens ook voor mannen) in de niet-westerse wereld veel te wensen over. Ook zijn de omstandigheden van migrantenvrouwen die naar Europa, de VS, Australië of de rijke Golfstaten trekken om werk te zoeken in de huishoudelijke en seksuele dienstverlening dikwijls precair, zeker wanneer zij een illegale status hebben. De kloof tussen de verbeterde positie van vrouwen afkomstig uit rijke landen en die van vrouwen uit arme landen lijkt alleen maar te groeien. </p>
			<p>Toch bieden de vergelijkende studies tal van voorbeelden van de keuzes en invloed die vrouwen in het verleden hadden. Ten eerste is de migratie van vrouwen een eeuwenoud fenomeen, en hoewel er zeker ook gedwongen migratie en arbeid plaatsvonden, was – en is – een groot deel hiervan uit eigen beweging. Ten tweede oefenden vrouwen in deze beroepen, vaak juist door hun intieme relaties met hun werkgevers of cliënten, op verschillende manieren invloed uit op hun lot. Ten derde: binnen<bold> </bold>de beperkingen van de gesegmenteerde arbeidsmarkt verschaften betaalde textiel-, huishoudelijke en seksarbeid veel jonge vrouwen een bepaalde mate van economische onafhankelijkheid en status.<bold> </bold>Hoewel de status en beloning van arbeid van vrouwen in de westerse wereld nog altijd niet compleet gelijkwaardig is aan die van mannen, is hier met name sinds de Tweede Wereldoorlog wel zeer veel verbetering in opgetreden, en tegenwoordig zijn in veel landen vrouwen gemiddeld zelfs hoger opgeleid dan mannen.<bold> </bold>Hoewel vrouwen in veel niet-westerse landen nog altijd oververtegenwoordigd zijn in sectoren als huishoudelijke diensten, textiel, seksarbeid en de landbouw – die in dit artikel buiten beschouwing zijn gelaten – neemt ook hier het opleidingsniveau van vrouwen toe en breidt het beschikbare scala aan beroepen zich uit. Los van de bovengenoemde divergerende effecten heeft globalisering, in de vorm van internationale samenwerking tussen vrouwenorganisaties, microkredieten of sociale media, hierop in de afgelopen decennia ook een convergerende uitwerking gehad.</p>
			<p>De belangrijkste bijdrage van Global Labour History is dat het heeft laten zien dat het <sc>ilo</sc> model van <italic>standard employment</italic> een uitzondering in de geschiedenis is, die vooral voor twintigste-eeuws Europa gold.<target id="xr57"></target><xref ref-type="fn" rid="fn57">57</xref> Een vergelijkende lange-termijn analyse van vrouwenarbeid, die typisch niet-contractueel, laag betaald en tijdelijk was, benadrukt het niet-standaard karakter van de arbeid door de geschiedenis des te meer. In plaats van een discussie over wat we nu precies onder ‘arbeid’ verstaan lijkt het veel zinvoller te onderzoeken <italic>onder welke omstand</italic><italic>igheden</italic> mensen in het verleden werkten, hoe deze condities hen beïnvloedden en welke middelen zij zelf hadden om deze te veranderen. Door de helft van de historische wereldbevolking – vrouwen – in de analyses van arbeid te betrekken, komt aan het licht hoe arbeiders die <italic>formeel </italic>wellicht machteloos zijn geweest via informele netwerken en andere manieren van verzet hun lot hebben kunnen verbeteren. Dit vaak <italic>ondanks</italic> de bestaande machtsrelaties en andere beperkingen die zij ondervonden in hun werk. Inderdaad, werkende vrouwen zijn in het verleden vaak uitgebuit, maar een nadruk op hun slachtofferschap ziet over het hoofd welke invloed en handelingsruimte zij ook hadden.<target id="xr58"></target><xref ref-type="fn" rid="fn58">58</xref> In plaats van deze handelingsruimte te onderschatten en/of te criminaliseren, zoals in het geval van prostitutie in de meeste landen of van illegale migranten, zou het beleid van overheden en ngo’s moeten aansluiten bij bestaande vormen van organisatie. Door oog te hebben voor de historische en hedendaagse dimensies van deze, vaak informele, kanalen en deze een meer formele rol te geven, kan ‘precaire arbeid’ door zowel vrouwen als mannen verder worden teruggedrongen. </p>
			</sec>

<sec id="S9">
<title>Over de auteur</title>
			<p><bold>Elise van Nederveen Meerkerk</bold> (1975) is hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en bijzonder hoogleraar <italic>Comparative History</italic><italic> of Households, Gend</italic><italic>er and Work</italic> aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij is gespecialiseerd in de geschiedenis van arbeidsverhoudingen, in het bijzonder vrouwen- en kinderarbeid. Zij publiceerde in tal van international tijdschriften, zoals <italic>Feminist Economi</italic><italic>cs</italic>, de <italic>Economic Hist</italic><italic>ory Review,</italic> de <italic>Journ</italic><italic>al of Social History</italic> en de <italic>International</italic><italic> Review of Social Hi</italic><italic>story</italic>. Ze organiseerde diverse comparatieve arbeidshistorische samenwerkingsprojecten, over de arbeid van textielarbeid, kinderarbeid, huishoudelijk werk en prostitutie, die allen resulteerden in uitgegeven bundels (Brill, Ashgate, Peter Lang). In 2019 verscheen van haar hand<italic> Wo</italic><italic>men, Work and Coloni</italic><italic>alism in the Netherl</italic><italic>ands and Java. Compa</italic><italic>risons, Contrasts an</italic><italic>d Connections, 1830-</italic><italic>1940 </italic>(Palgrave Macmillan). </p>
			<p>E-mail: e.j.v.vannederveenmeerke<email>rk@uu.nl</email></p>
			</sec>
</body>
<back>
<fn-group>
				<fn id="fn1"><p><bold>	</bold>	Dit artikel is een verkorte en aangepaste versie van de oratie die ik op 21 december 2018 uitsprak aan de Radboud Universiteit Nijmegen, en drie weken daarvoor bij het afscheidssymposium van Ad Knotter in Maastricht. Zie ook: https://www.elisenederveen.com/wp-content/uploads/2019/08/Oratie_Elise_van_nederveen_Meerkerk.pdf. Ik dank de redactieleden van <italic>tseg</italic> voor hun opbouwende commentaar op een eerdere versie van het artikel. </p>
				</fn>
				<fn id="fn2"><p><bold>	</bold>	A. Knotter, <italic>Economische transformatie </italic><italic>en stedelijke arbeid</italic><italic>smarkt. Amsterdam in</italic><italic> de tweede helft van</italic><italic> de negentiende eeuw</italic> (Zwolle/Amsterdam 1991).</p>
				</fn>
				<fn id="fn3"><p><bold>	</bold>	M. Prak, ‘De nieuwe sociale geschiedschrijving in Nederland’, <italic>Tijdschrift voor </italic><italic>Sociale Geschiedenis</italic> (hierna <italic>TvSG</italic>) 20:2 (1994) 121-148, 128.</p>
				</fn>
				<fn id="fn4"><p><bold>	</bold>	Zie bijvoorbeeld: E. Bonacich, ‘A theory of ethnic antagonism. The split labor market’, <italic>American</italic></p>
					<p><bold><italic>S</italic><italic>ociological Review</italic></bold> 37 (1972) 547–559; M. Semyonov en N. Lewin-Epstein, ‘Segregation and competi&#173;tion in occupational labor markets’, <bold><italic>Social Forces</italic></bold> 68 (1989) 379-396, 381.</p>
				</fn>
				<fn id="fn5"><p><bold>	</bold>	Zie bijvoorbeeld: H. Bradley, <italic>Men’</italic><italic>s work, women’s work</italic><italic>. A sociological history of the</italic><italic> sexual division</italic></p>
					<p><bold><italic>of </italic><italic>labour in employment</italic><italic> </italic></bold>(Cambridge 1989); E. van Nederveen Meerkerk, ‘Segmentation in the pre-industrial labour market. Women’s work in the Dutch textile industry, 1581-1810’, <bold><italic>Interna</italic><italic>tional Review of Soc</italic><italic>ial History </italic></bold>(hierna <bold><italic>irsh</italic></bold>)<bold><italic> </italic></bold>51 (2006) 189-216.</p>
				</fn>
				<fn id="fn6"><p><bold>	</bold>	C. van Eijl, <italic>Het we</italic><italic>rkzame verschil. Vro</italic><italic>uwen in de slag om a</italic><italic>rbeid, 1898-1940</italic> (Hilversum 1994) 32.</p>
				</fn>
				<fn id="fn7"><p><bold>	</bold>	F. de Haan, ‘”De tijden roepen om haar”. een reactie op Maarten Praks ‘De nieuwe sociale geschiedschrijving in Nederland’, <italic>TvSG </italic>21:1 (1995) 61-80, 70.</p>
				</fn>
				<fn id="fn8"><p><bold>	</bold>	M. Prak, ‘Feminisme en sociale geschiedenis’, <italic>TvSG</italic> 21:1 (1995) 81-86, 84.</p>
				</fn>
				<fn id="fn9"><p><bold>	</bold>	Bijvoorbeeld: J. Quast, ‘Vrouwenarbeid omstreeks 1500 in enkele Nederlandse steden’, <italic>Jaarboek voor Vro</italic><italic>uwengeschiedenis</italic> 1 (1980) 46-64; E. Kloek, ‘De arbeidsdeling naar sekse in de oude draperie’, in: J. Moes en B. de Vries (red.), <italic>Stof uit he</italic><italic>t Leidse verleden. Z</italic><italic>even eeuwen textieln</italic><italic>ijverheid </italic>(Utrecht 1991) 67-76; F. de Haan, <italic>Sekse op kantoor</italic><italic>. Over vrouwelijkheid</italic><italic>, mannelijkheid en m</italic><italic>acht, Nederland 1860</italic><italic>-1940</italic> (Hilversum 1992); H. Pott-Buter, <italic>F</italic><italic>acts and fairy tales</italic><italic> about female labor,</italic><italic> family and fertilit</italic><italic>y </italic>(Amsterdam 1993); J. Plantenga, <italic>Een af</italic><italic>wijkend patroon. Hon</italic><italic>derd jaar vrouwenarb</italic><italic>eid in Nederland en </italic><italic>West-Duitsland</italic> (Amsterdam 1993); L. van de Pol, <italic>Het Amsterda</italic><italic>ms hoerdom. Prostitu</italic><italic>tie in de zeventiend</italic><italic>e en achttiende eeuw</italic> (Amsterdam 1996).</p>
				</fn>
				<fn id="fn10"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, <italic>De draad i</italic><italic>n eigen handen. Vrou</italic><italic>wen en loonarbeid in</italic><italic> de Nederlandse text</italic><italic>ielnijverheid, 1580-</italic><italic>1810 </italic>(Amsterdam 2007).</p>
				</fn>
				<fn id="fn11"><p><bold>	</bold>	M. van der Linden, <italic>Workers of the w</italic><italic>orld. Essays toward </italic><italic>a Global Labor Histo</italic><italic>ry </italic>(Leiden 2008).</p>
				</fn>
				<fn id="fn12"><p><bold>	</bold>	M. van der Linden en J. Lucassen, <italic>Pr</italic><italic>olegomena for a Glob</italic><italic>al Labour History </italic>(Amsterdam 1999). http://www.iisg.nl/publications/prolegom.pdf (geraadpleegd 12-03-2019).</p>
				</fn>
				<fn id="fn13"><p><bold>	</bold>	L. Heerma van Voss, E. Hiemstra-Kuperus en E. van Nederveen Meerkerk (red.), <italic>The A</italic><italic>shgate companion to </italic><italic>the history of texti</italic><italic>le workers, 1650–200</italic><italic>0 </italic>(Aldershot 2010). D. Hoerder, E. van Nederveen Meerkerk en S. Neunsinger (red.), <italic>Towards a global </italic><italic>history of domestic </italic><italic>and care workers</italic> (Leiden 2015); M.&#160;Rodríguez García, E. van Nederveen Meerkerk en L. Heerma van Voss (red.), <italic>Selling sex</italic><italic> in the city. A glob</italic><italic>al history of prosti</italic><italic>tution, 1600s-2000s </italic>(Leiden 2017).</p>
				</fn>
				<fn id="fn14"><p><bold>	</bold>	International Labour Organization, <italic>Non-stan</italic><italic>dard employment arou</italic><italic>nd the world. Unders</italic><italic>tanding challenges, </italic><italic>shaping prospects</italic> (Genève 2016) 10, 14.</p>
					<p>http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/@dgreports/@dcomm/@publ/documents/publication/wcms_534326.pdf (geraadpleegd 13-12-2018).</p>
				</fn>
				<fn id="fn15"><p><bold>	</bold>	J. Oksala, ‘Affective labor and feminist politics’, <italic>Signs: Journa</italic><italic>l of Women in Cultur</italic><italic>e and Society</italic> 41:2 (2016) 281-303, 281.</p>
				</fn>
				<fn id="fn16"><p><bold>	</bold>	Oksala, ‘Affective labor’, 285-286.</p>
				</fn>
				<fn id="fn17"><p><bold>	</bold>	D. Hoerder, ‘Historical perspectives on domestic and care-giving workers’ migrations. A global approach’, in: Hoerder, Van Nederveen Meerkerk en Neunsinger, <italic>Towa</italic><italic>rds a global history</italic>, 61-109.</p>
				</fn>
				<fn id="fn18"><p><bold>	</bold>	M. Mechant, ‘Selling sex in a provincial town. Prostitution in Bruges’, in: Rodríguez García, Van Nederveen Meerkerk en Heerma van Voss, <italic>Selling sex in the</italic><italic> city</italic>, 60-84; M. Turno, ‘Sex for sale in Florence’, in: Rodríguez García, Van Nederveen Meerkerk en Heerma van Voss, <italic>Sel</italic><italic>ling sex in the city</italic>, 85-110.</p>
				</fn>
				<fn id="fn19"><p><bold>	</bold>	‘It was a job, just like this here. Actually, that is a lie: it was a <italic>duty.</italic> And you don’t make money off a duty. Here at least I get paid for what I do. My husband never paid me’.<italic> </italic>T. Blanchette, ‘Seeing beyond prostitution. Agency and the organization of sex work’, in: Rodríguez García, Van Nederveen Meerkerk en Heerma van Voss, <italic>Selling sex i</italic><italic>n the city</italic>, 748-774, 760.</p>
				</fn>
				<fn id="fn20"><p><bold>	</bold>	Naar de definitie van Chris en Charles Tilly. Zie ook: Van der Linden en Lucassen, <italic>Prolegomena</italic>, 8.</p>
				</fn>
				<fn id="fn21"><p><bold>	</bold>	Zie ook: R. Sarti, A. Bellavitis en M. Martini, ‘Introduction’, in: Idem, <italic>What is</italic><italic> work? Gender at the</italic><italic> crossroads of home,</italic><italic> family, and busines</italic><italic>s from the early mod</italic><italic>ern era to the prese</italic><italic>nt</italic> (New York/Oxford 2018) 1-84, 38.</p>
				</fn>
				<fn id="fn22"><p><bold>	</bold>	M. Hardt en A. Negri, <italic>Empire</italic> (Harvard 2000) 293.</p>
				</fn>
				<fn id="fn23"><p><bold>	</bold>	L. Christensen, ‘Institutions in textile production. Guilds and trade unions’, in: Heerma van Voss, Hiemstra-Kuperus en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Ashgate companion</italic>, 749-772, 756.</p>
				</fn>
				<fn id="fn24"><p>&#160;</p>
					<p><bold>	</bold>	S. Ally, ‘Slavery, servility, service. The Cape of Good Hope, the Natal colony, and the Witswatersrand, 1652-1914’, in: Hoerder , Van Nederveen Meerkerk en Neunsinger, <italic>Towa</italic><italic>rds a global history</italic>, 254-270.</p>
				</fn>
				<fn id="fn25"><p><bold>	</bold>	Zie bijvoorbeeld P. Hetherington, ‘Prostitution in Moscow and St. Petersburg, Russia’, in: Rodríguez García, Heerma van Voss en Van Nederveen Meerkerk, <italic>S</italic><italic>elling sex in the ci</italic><italic>ty</italic>, 138-170. Anderzijds moet benadrukt worden dat organisaties ‘ter bescherming’ van prostituees, zoals die in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw in verschillende landen door de burgerij werden opgericht, of internationale initiatieven hiertoe, bijvoorbeeld door de League of Nations in het Interbellum, de individuele ‘agency’ van sekswerkers juist kon tegengaan. Zie bijvoorbeeld: M. Rodríguez García, ‘The League of Nations and the moral recruitment of women’, <italic>irsh</italic><italic> </italic>S20 (2012) 97-128.</p>
				</fn>
				<fn id="fn26"><p><bold>	</bold>	Voor Nederland, zie: L. Muller e.a., <italic>Mon</italic><italic>itor loonverschillen</italic><italic> mannen en vrouwen, </italic><italic>cbs</italic><italic> paper 2016</italic> (november 2018). https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2018/47/monitor-loonverschillen-mannen-en-vrouwen-2016 (geraadpleegd 12-3-2019). Ook in de wetenschap blijven de verschillen bestaan. Zie: R. van Veelen en B. Derks, <italic>Verborgen verschill</italic><italic>en in werktaken, hul</italic><italic>pbronnen en onderhan</italic><italic>delingen over arbeid</italic><italic>svoorwaarden tussen </italic><italic>vrouwelijke en manne</italic><italic>lijke wetenschappers</italic><italic> in Nederland. </italic><italic>lnvh</italic><italic> </italic><italic>(maart 2019)</italic>. https://www.lnvh.nl/uploads/moxiemanager/lnvh_rapport_-_verborgen_MV_verschillen_in_werktaken_hulpbronnen_en_onderhandelingen_in_de_wetenschap.pdf (geraadpleegd 12-3-2019).</p>
				</fn>
				<fn id="fn27"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, ‘Market wage or discrimination? The remuneration of male and female wool spinners in the seventeenth-century Dutch Republic’, <italic>Econ</italic><italic>omic History Review </italic>63:1 (2010) 165–186.</p>
				</fn>
				<fn id="fn28"><p><bold>	</bold>	É. Sullerot, <italic>Histoire et sociolo</italic><italic>gie du travail fémin</italic><italic>in</italic> (Parijs 1968).</p>
				</fn>
				<fn id="fn29"><p><bold>	</bold>	S. Gronewold, ‘Prostitution in Shanghai’, in: Rodríguez García, Heerma van Voss en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Sel</italic><italic>ling sex in the city</italic>, 576.</p>
				</fn>
				<fn id="fn30"><p><bold>	</bold>	C. Crowston, ‘Women, gender, and guilds in early modern Europe. An overview of recent research’, <italic>irsh</italic> S16 (2008) 19-44.</p>
				</fn>
				<fn id="fn31"><p><bold>	</bold>	R. Cliver, ‘China’, in: Heerma van Voss , Hiemstra-Kuperus en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Ashgate compani</italic><italic>on</italic>, 103-140, 129.</p>
				</fn>
				<fn id="fn32"><p><bold>	</bold>	Niet voor niets werden dienstboden vaak in het testament van hun meester of meesteres opgenomen. E. van Nederveen Meerkerk, ‘The will to give. Charitable bequests and community building in the Dutch Republic, c. 1600-1800,’ <italic>Co</italic><italic>ntinuity and Change </italic>27:2 (2012) 241-270.</p>
				</fn>
				<fn id="fn33"><p><bold>	</bold>	Ally, ‘Slavery, servility, service’; A. Souralóva, ‘Mutual emotional relations in caregiving work at the turn of the twenty-first century. Vietnamese families and Czech nannies-grandmothers’, in: Hoerder, Van Nederveen Meerkerk en Neunsinger, <italic>Towa</italic><italic>rds a global history</italic>, 182-201. </p>
				</fn>
				<fn id="fn34"><p><bold>	</bold>	C. Boter, <italic>Dutch divergence? W</italic><italic>omen’s work, structu</italic><italic>ral change, and hous</italic><italic>ehold living standar</italic><italic>ds in the Netherland</italic><italic>s, 1830-1914 </italic>(Wageningen, ongepubliceerde dissertatie 2017)<italic> </italic>117-119.</p>
				</fn>
				<fn id="fn35"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, M. Rodríguez García en L. Heerma van Voss, ‘Sex sold in world cities, 1600s–2000s. Some conclusions to the project’, in: Rodríguez García, Heerma van Voss en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Selling s</italic><italic>ex in the city</italic>, 861-880.</p>
				</fn>
				<fn id="fn36"><p><bold>	</bold>	T. Blanchette en A.P. da Silva, ‘Prostitution in contemporary Rio de Janeiro’, in: P. Kelly, en S. Dewey (red.), <italic>Po</italic><italic>licing pleasure. Sex</italic><italic> work, policy, and t</italic><italic>he state in global p</italic><italic>erspective</italic> (New York 2011) 85-93.</p>
				</fn>
				<fn id="fn37"><p><bold>	</bold>	S. Dasgupta, ‘Commercial sex work in Calcutta. Past and present’, in: Rodríguez García, Heerma van Voss en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Selling se</italic><italic>x in the city</italic>, 519-537.</p>
				</fn>
				<fn id="fn38"><p><bold>	</bold>	N. Kabeer en S. Mahmoud, ‘Globalization, gender and poverty. Bangladeshi women workers in export and local markets’,<italic> Journal of Intern</italic><italic>ational Development </italic>16 (2004) 93-109.</p>
				</fn>
				<fn id="fn39"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, L. Heerma van Voss en E. Hiemstra-Kuperus, ‘Covering the world. Some conclusions to the project’, in: Heerma van Voss, Hiemstra-Kuperus en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Ash&#173;gate companion</italic>, 773-792.</p>
				</fn>
				<fn id="fn40"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, ‘Couples cooperating? Dutch textile workers, family labour and the “industrious revolution”, c. 1600-1800’, <italic>Co</italic><italic>ntinuity and Change </italic>23 (2008) 237-266, 243.</p>
				</fn>
				<fn id="fn41"><p><bold>	</bold>	Cliver, ‘China’, 107-108; J. Beinin, ‘Egyptian textile workers. From craft artisans facing European competition to proletarians contending with the state’, in: Heerma van Voss, Hiemstra-Kuperus en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Ashgate c</italic><italic>ompanion</italic>, 171-197, 174-175.</p>
				</fn>
				<fn id="fn42"><p><bold>	</bold>	Zie: E. van Nederveen Meerkerk, <italic>Women, wo</italic><italic>rk and colonialism i</italic><italic>n the Netherlands an</italic><italic>d Java. Comparisons,</italic><italic> contrasts, and conn</italic><italic>ections, 1830-1940</italic> (Londen 2019), hoofdstuk 4 voor meer over deze veranderingen in arbeidsdeling naar sekse in de textiel.</p>
				</fn>
				<fn id="fn43"><p><bold>	</bold>	Zie bijvoorbeeld voor India: D. Haynes, <italic>Small-town capi</italic><italic>talism in Western In</italic><italic>dia. Artisans, merch</italic><italic>ants and the making </italic><italic>of the informal econ</italic><italic>omy, 1870-1960</italic> (Cambridge 2012); voor Indonesië: P. van der Eng, ‘Why didn’t colonial Indonesia have a competitive cotton textile industry?’, <italic>Modern Asian Studies</italic> 47:3 (2013) 1019-1054; E. van Nederveen Meerkerk, ‘Challenging the de-industrialization thesis. Gender and indigenous textile production in Java under Dutch colonial rule, c. 1830–1920’, <italic>Eco</italic><italic>nomic History Review</italic> 70:4 (2017) 1219-1243.</p>
				</fn>
				<fn id="fn44"><p><bold>	</bold>	J. Hunter en H. Macnaughtan, ‘Japan’, in: Heerma van Voss, Hiemstra-Kuperus en Van Nederveen Meerkerk, <italic>Ashgate companion</italic>, 305-332, 319-320.</p>
				</fn>
				<fn id="fn45"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, ‘Gelopen race of glansrijke doorstart? De effecten van globalisering op de Nederlandse textielindustrie, 1960-2010’, <italic>Textielhisto</italic><italic>rische Bijdragen </italic>50 (2010) 73-89, 77.</p>
				</fn>
				<fn id="fn46"><p><bold>	</bold>	Van Nederveen Meerkerk, Heerma van Voss en Hiemstra-Kuperus, ‘Covering the world’.</p>
				</fn>
				<fn id="fn47"><p><bold>	</bold>	Ally, ‘Slavery, servility, service’, 257-258.</p>
				</fn>
				<fn id="fn48"><p><bold>	</bold>	R. Sarti, ‘Historians, social scientists, servants, and domestic workers. Fifty years of research on domestic and care work’, <italic>i</italic><italic>rsh</italic> 59:2 (2014) 279-314, 281.</p>
				</fn>
				<fn id="fn49"><p><bold>	</bold>	E. van Nederveen Meerkerk, ‘Employment, education and social assistance. The economic attrac&#173;tion of early modern cities’, in: L. Lucassen en W. Willems (red.), <italic>Living in </italic><italic>the city. Urban inst</italic><italic>itutions in the Low </italic><italic>Countries, 1200-2010</italic> (New York 2012) 84-102.</p>
				</fn>
				<fn id="fn50"><p><bold>	</bold>	A.L. Stoler, ‘Sexual affronts and racial frontiers. European identities and the cultural politics of exclusion in colonial Southeast Asia’, in: F. Cooper en A.L. Stoler (red.), <italic>Tensions of empire</italic><italic>. Colonial cultures </italic><italic>in a bourgeois world</italic> (Berkeley 1997) 198-237.</p>
				</fn>
				<fn id="fn51"><p><bold>	</bold>	Rodríguez García, ‘League of Nations’.</p>
				</fn>
				<fn id="fn52"><p><bold>	</bold>	Blanchette, ‘Seeing beyond prostitution’.</p>
				</fn>
				<fn id="fn53"><p><bold>	</bold>	Rodríguez García, ‘League of Nations’, 111.</p>
				</fn>
				<fn id="fn54"><p><bold>	</bold>	Hoerder, ‘Historical perspectives’, 65.</p>
				</fn>
				<fn id="fn55"><p><bold>	</bold>	A. Hochschild, ‘Global care chains and emotional surplus value’, in: A. Giddens en W. Hutton (red.), <italic>On</italic><italic> the edge. Living wi</italic><italic>th global capitalism</italic> (Londen 2000) 130-146.</p>
				</fn>
				<fn id="fn56"><p><bold>	</bold>	Agrarische arbeid vormt hierop een uitzondering, maar dit was in de meeste historische contexten onbetaalde arbeid voor het huishouden.</p>
				</fn>
				<fn id="fn57"><p><bold>	</bold>	Van der Linden, <italic>Wor</italic><italic>kers of the world</italic>.</p>
				</fn>
				<fn id="fn58"><p><bold>	</bold>	Hoerder, ‘Historical perspectives’, 63.</p>
				</fn>
</fn-group>
</back>

</article>